Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15117

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
AWB/ROE 14/25190
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting voor publicatie Abdullahi Ilm AWB 14/25190

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zijn standpunt ten aanzien van eisers beroep op artikel 5 van het EVRM, waarbij onder meer is verwezen naar het arrest van het EHRM van 23 juli 2013 inzake Suso Musa tegen Malta, niet voorzien van een draagkrachtige motivering. Verweerder heeft enkel gesteld dat het EHRM in dit arrest niet heeft geoordeeld dat de detentieomstandigheden in Malta een schending opleveren van artikel 3 van het EVRM. In het bestreden besluit noch ter zitting is verweerder ingegaan op eisers beroep op artikel 5 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 14/25190

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 december 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam], verzoeker

(gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

(gemachtigde: mr. A. Peeters)

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekers aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was ter zitting aanwezig [A.].

Overwegingen

1.Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter (hierna: rechter) van de bestuursrechter die bevoegd is, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit terwijl de bestuursrechter bevoegd is in de hoofdzaak. Voorts staat voldoende vast dat sprake is van een spoedeisend belang bij dit verzoek. De ongegrondverklaring van verzoekers bezwaar heeft immers tot gevolg dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Het door verzoeker ingestelde beroep schort dit rechtsgevolg niet op.

3. Vervolgens komt de rechter toe aan de vraag of het belang van verzoeker het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening vereist. Daarbij speelt de slagingskans van het beroep tegen het bestreden besluit een belangrijke rol. De rechter voegt daaraan toe dat haar oordeel daarover een voorlopig karakter heeft en niet bindend is in de hoofdzaak.

4. Verzoeker, volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] en burger van Somalië, heeft op 10 september 2014 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In dat kader heeft verweerder overwogen dat uit het Eurodac systeem (onder meer) is gebleken dat verzoeker in Malta een asielverzoek heeft ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Dublin III Verordening), heeft verweerder geconcludeerd dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het onderhavige verzoek om internationale bescherming bij een ander land ligt. Verweerder heeft op 15 oktober 2014 de Maltese autoriteiten verzocht verzoeker terug te nemen. De autoriteiten hebben op 30 oktober 2014 met dit verzoek ingestemd. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet verweerder geen concrete aanwijzingen voor een verdragsschending, noch van een situatie op grond waarvan Nederland de behandeling van het asielverzoek (onverplicht) aan zich had moeten trekken.

6. Verzoeker heeft – samengevat weergegeven – betoogd dat verweerder ten aanzien van Malta niet langer kan vasthouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de visie van verzoeker is een terugkeer naar Malta in strijd met de artikelen 3, 5 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder dient verzoekers asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublin III Verordening.

7 De rechter overweegt als volgt.

8. Ingevolge artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:

( a) indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter;

( b) indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd, wegens het niet naleven van een overeenkomstig de wet door een gerecht gegeven bevel of teneinde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren;

( c) indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;

( d) in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige detentie, teneinde hem voor de bevoegde instantie te geleiden;

( e) in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziekten, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;

( f) in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.

Ingevolge artikel 5, vierde lid, van het EVRM heeft een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.

Ingevolge artikel 13 van het EVRM heeft een ieder wiens rechten en vrijheden, in dit Verdrag vermeld, zijn geschonden recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

9. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

10. De rechter stelt vast dat niet (langer) in geschil is dat verzoeker voorafgaand aan zijn asielverzoek in Nederland in Malta heeft verbleven en aldaar een asielverzoek heeft ingediend. Malta heeft op 30 oktober 2014 erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van verzoekers asielverzoek. Verweerder heeft zich aldus terecht op het standpunt gesteld dat Malta op grond van de Dublin III Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoekers asielverzoek.

11. Nu vast staat dat Malta verantwoordelijk is voor het asielverzoek van verzoeker ziet de rechter zich, gelet op de beroepsgronden, voorts voor de vraag gesteld of verweerder gehouden is het asielverzoek van verzoeker, ondanks dat verweerder daartoe ingevolge de Verordening niet toe verplicht is, te behandelen op grond van de in artikel 17, eerste lid, van de Verordening neergelegde – discretionaire – bevoegdheid.

12 De rechter overweegt in dezen als volgt.

13. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Dublin III Verordening, voor zover thans van belang, kan, in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Verordening elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze Verordening neergelegde criteria niet verplicht.

14. Zoals blijkt uit paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublin III Verordening. De bevoegdheid wordt in ieder geval gebruikt in de volgende situaties:

- er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt;

- bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

15. Het ligt op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de vreemdeling niet zal worden onderzocht en vastgesteld of er sprake is van een schending van voornoemde verdragen.

16. Verzoeker heeft onder meer aangevoerd dat hij langdurig is gedetineerd gedurende welke periode hij geen toegang had tot effectieve rechtsmiddelen en geen rechtsbijstand ontving van een advocaat. De detentie-omstandigheden in Malta zijn erg slecht, de duur van deze detentie is erg lang en adequate rechtsmiddelen ontbreken zodat onvoldoende bescherming bestaat tegen willekeurige detentie. Dit is in strijd met artikel 5 van het EVRM. Verzoeker beroept zich in dezen op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland (JV 2011/68), de arresten van het EHRM van 23 juli 2013 in de zaken Suso Musa tegen Malta, Aden Ahmed tegen Malta (42337/12 en 55352/12; www.echr.coe.int) en diverse rapporten van internationale organisaties waaruit volgt dat derdelanders die door de autoriteiten worden aangehouden wegens illegale grensoverschrijding geen rechtsmiddel hebben om hun detentie aan te vechten.

17. Verweerder heeft zich in dezen onder verwijzing naar diverse uitspraken van de Afdeling op het standpunt gesteld – samengevat – dat voor zover er al van verzoekers detentie in Malta moet worden uitgegaan, zijn beroep op het arrest Suso Musa tegen Malta faalt omdat het EHRM in dit arrest niet heeft geoordeeld dat de detentieomstandigheden in Malta een schending van artikel 3 van het EVRM opleveren. De door verzoeker aangehaalde stukken bieden geen aanknopingspunten voor de conclusie dat ten aanzien van Malta niet langer kan worden vastgehouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

18. Uit verweerders standpunt volgt naar het oordeel van de rechter dat verweerder de door verzoeker ingeroepen stukken en arresten van het EHRM (enkel) heeft gewogen in het licht van een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM. Verzoeker heeft echter ook een beroep gedaan op artikel 5 van het EVRM en in dat verband nadrukkelijk verwezen naar het arrest Suso Musa tegen Malta waarin het EHRM oordeelde dat artikel 5, eerste en vierde lid, van het EVRM waren geschonden. Verweerder heeft hierover geen standpunt ingenomen zodat het bestreden besluit op dit punt een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert. Gelet hierop kan niet op voorhand worden gesteld dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft.

19. De rechter neemt hierbij in aanmerking dat verzoeker bij zijn zienswijze een e-mail heeft overgelegd van de Maltese (immigratie)politie aan zijn gemachtigde van 4 november 2014 waaruit volgt dat verzoeker in vreemdelingendetentie heeft verbleven in Malta.

Anders dan in het bestreden besluit heeft verweerder ter zitting het standpunt ingenomen dat van deze e-mail niet (langer) kan worden gezegd dat er geen enkele waarde aan kan worden gehecht nu in de e-mail een referentienummer wordt vermeld dat correspondeert met het referentienummer in het claimakkoord waarin de Maltese autoriteiten te kennen geven verzoeker terug te zullen nemen. Dat verweerder - eveneens ter zitting - stelt dat desondanks niet zonder meer van de inhoud van de e-mail kan worden uitgegaan vanwege verzoekers wisselende verklaringen en het in eerste instantie verzwijgen van zijn verblijf in Malta maakt niet dat voorbij gegaan kan worden aan verzoekers beroep op artikel 5 van het EVRM.

20. De rechter ziet gelet op het voorgaande aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen en te bepalen dat uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist. Voor verweerder bestaat ondertussen de mogelijkheid om in de beroepsprocedure een nadere motivering te geven inzake eisers beroep op artikel 5 van het EVRM en – in dat verband – op het arrest Suso Musa tegen Malta van het EHRM.

21. De rechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,- (drie punten met een waarde van € 487,- voor de indiening van het beroepschrift, de indiening van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting met wegingsfactor 1).

22. Nu aan verzoeker een toevoeging is verleend dienen deze kosten op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de rechtsbijstandverlener van verzoeker.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van

€ 1.461,- (wegens kosten van rechtsbijstand), te betalen aan de rechtsbijstandverlener van verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.M.M. Gijselaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.

w.g. D. Raes,

griffier

w.g. R. Gijselaers,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 december 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.