Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15024

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
AWB 14/24703 en AWB 14/24704
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:792, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AA-zaak over Tripoli, Libië: verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat er geen 15c-situatie is in Tripoli

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/24703 en AWB 14/24704

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2014 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], geboren op [1976], van Libische nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in een Aanmeldcentrum afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker eerder, op 30 december 2010, een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 4 september 2012. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 31 januari 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Hierna is verzoeker tijdelijk teruggekeerd naar Libië en is op 21 april 2013 Nederland weer ingereisd.

3. Op 23 mei 2013 heeft verzoeker opnieuw een aanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 31 oktober 2013. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 10 maart 2014 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat het besluit van 31 oktober 2013 rechtens onaantastbaar is geworden.

4. Op 27 oktober 2014 heeft verzoeker de in deze zaak aan de orde zijnde aanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit een besluit van gelijke strekking is ten opzichte van het besluit van 31 oktober 2013.

6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraken van 21 april 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM2310) en 16 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU5024), volgt dat indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst alsof het een eerste afwijzing is. Alleen als in de bestuurlijke fase of bij toepassing van artikel 83 van de Vw nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd of hieruit volgt dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

7. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd en bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en dus behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Dit is slechts anders indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (ECLI:NL:XX:1998:AG8817) voordoen.

8. Gelet op het voorgaande moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of aan de huidige aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

9. Verzoeker legt als nieuw feit aan de huidige aanvraag ten grondslag dat de veiligheidssituatie in Libië, meer in het bijzonder Tripoli, zodanig is verslechterd dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, waardoor een burger die terugkeert naar Libië, enkel door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker loopt daarbij meer risico dan anderen, omdat hij gezien zal worden als Gadaffi-aanhanger en Libiërs met een donkere huidskleur de voornaamste doelwitten van de talloze willekeurige moorden en buitengerechtelijke executies zijn.

Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft verzoeker de volgende documenten overgelegd:

  • -

    informatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 9 oktober 2014 over de veiligheidssituatie in Libië vanaf 17 september 2014, met bijlagen;

  • -

    informatie over de veiligheidssituatie in Libië van september 2014 van de Helpdesk Vluchtelingenwerk met bijlagen, waaronder een verwijzing naar het rapport van de United Nations Support Mission in Libya (UNSMIL) van 4 september 2014 en een bericht van Human Rights Watch van 8 september 2014.

In beroep heeft verzoeker nogmaals gerefereerd aan de bovengenoemde informatie en heeft hij aanvullend de volgende documenten overgelegd:

  • -

    het negatief reisadvies van het Ministerie van Buitenlande Zaken, via http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/reisadviezen/libie;

  • -

    het rapport “de UNHCR Position on returns to Libya” van 12 november 2014;

  • -

    uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2014 (AWB 14/23174).

10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de door verzoeker overgelegde informatie van na het eerdere besluit dateert. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet uitgesloten dat wat door verzoeker is aangevoerd kan afdoen aan het eerdere besluit, nu uit de overgelegde informatie blijkt dat er een sterke verslechtering is van de veiligheidssituatie in Libië, in het bijzonder in Tripoli. De voorzieningenrechter zal dan ook overgaan tot inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

11. Onder verwijzing naar openbare bronnen, waaronder het UNHCR- rapport (de voorzieningenrechter begrijpt het UNSMIL- rapport) van 4 september 2014, stelt verweerder zich op het standpunt dat vooralsnog niet blijkt dat in Libië, in het bijzonder in Tripoli en Benghazi, van een uitzonderlijke geweldssituatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn sprake is. Er is sprake van een relatief gering aantal (dodelijke) burgerslachtoffers afgezet tegen het aantal inwoners in de twee steden. Ook lijkt het geweld van de strijdende milities erop gericht om elkaar te bestrijden, en niet om zoveel mogelijk

burgerslachtoffers te maken. Hoewel uit het UNSMIL-rapport blijkt dat bij de gevechten om strategische doelen en veiligheidsincidenten burgerslachtoffers vallen, blijkt niet van geweld met een wijdverspreid karakter. Uit het rapport blijkt dat de gerapporteerde aantallen slachtoffers in de onderzoeksperiode in de tientallen blijven steken. Ook indien sprake zou zijn van meer slachtoffers dan de gerapporteerde aantallen, is nog geen sprake van een uitzonderlijke geweldssituatie. De door verzoeker overgelegde stukken bevestigen dat in Libië sprake is van een zorgelijke veiligheidssituatie, maar leiden niet tot het oordeel dat sprake is van een situatie waarin een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Voorts is niet gebleken dat juist verzoeker bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

12. Verzoeker stelt dat uit de door hem overgelegde recente informatie blijkt dat sprake is van een zodanig verslechterde veiligheidssituatie in Libië, meer in het bijzonder in Tripoli, dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Vanaf begin juli 2014 is het geweld in Libië verder geëscaleerd. Er vindt continu een gewapende strijd plaats tussen milities, met name in en rond Tripoli en Benghazi, met vele burgerslachtoffers als gevolg. Men vreest dat het land afstevent op een burgeroorlog, als de milities niet ontwapend worden. Verzoeker wijst in dit verband op een rapport van de UNHCR van 12 november 2014, waarin de UNHCR staten oproept de terugkeer naar Libië op te schorten totdat de veiligheids- en mensenrechtensituatie wezenlijk is verbeterd. Het rapport bevestigt volgens verzoeker dat de situatie in Libië, vooral in Tripoli en Benghazi, steeds verder verslechtert. Voorts heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht of voor verzoeker een vlucht- of vestigingsalternatief in Libië voorhanden is. Volgens UNHCR zal in de meeste gevallen, gelet op de verslechterde veiligheidssituatie, een alternatief niet voorhanden zijn. In dit verband verwijst verzoeker ook naar de bovengenoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, waarin verweerder is opgedragen nader te onderzoeken en te motiveren waar in Libië een gesteld vestigingsalternatief bestaat.

13. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het UNHCR- rapport niet tot een ander oordeel leidt over het bestaan van een uitzonderlijke geweldssituatie in Libië, in het bijzonder in Tripoli. Verweerder onderschrijft niet het standpunt van UNHCR dat uitzettingen naar Libië moeten worden opgeschort. Zelfs als een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in Tripoli moet worden aangenomen, dan kan van verzoeker worden verlangd dat hij zich in een ander deel van Libië vestigt.

14. Niet in geschil is dat verzoeker afkomstig is uit Tripoli en dat er in Libië, specifiek in Tripoli, sprake is van een verslechtering van de veiligheidssituatie. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de veiligheidssituatie weliswaar zorgwekkend is, maar dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de situatie in Tripoli dermate is verslechterd dat een ieder die naar Tripoli moet terugkeren een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt. Uit de door verzoeker overgelegde informatie en andere ambtshalve geraadpleegde bronnen blijkt dat vanaf begin juli 2014 het geweld in met name Tripoli en Benghazi is geëscaleerd. Met name burgers in en rond Tripoli en Benghazi worden het slachtoffer van de strijdende milities. Dit wordt ook bevestigd in het door verweerder aangehaalde rapport van UNSMIL van 4 september 2014, waaruit blijkt dat “in particular, the two largest cities Tripoli and Benghazi have been embroiled in internal armed conflicts with dire effects on civilians and the country’s infrastructure”. Verder stelt Human Rights Watch op 8 september 2014 dat in de gevechten om controle over Tripoli aanvallen op burgers worden gepleegd die soms als oorlogsmisdaden kunnen worden gezien. Uit het recente rapport van de UNHCR van 12 november 2014 blijkt voorts dat het hoofd van UNSMIL op 15 september 2014 heeft gerapporteerd dat er een onophoudelijke campagne van willekeurige beschietingen plaatsvindt op het Warshafana gebied (een buitenwijk van Tripoli), waarbij de burgerbevolking wordt getroffen. Deze berichten wijzen erop dat de strijdende partijen methoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten dan wel dat zij burgers als doel nemen, wat een belangrijk criterium is waaraan moet worden getoetst bij de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.
Daar komt bij dat de voorzieningenrechter, anders dan verweerder, van oordeel is dat uit het UNSMIL-rapport niet zonder meer kan worden opgemaakt dat slechts sprake is van enkele tientallen burgerslachtoffers in Tripoli. In genoemd rapport is immers vermeld dat geen volledig beeld wordt geschetst van het geweld maar dat alleen enkele belangrijke geweldsincidenten worden benadrukt. Ook is daarin vermeld dat sinds eind juli 2014 geen berekeningen meer bekend zijn gemaakt van het aantal slachtoffers en dat de actuele situatie wordt onderschat. De stelling van verweerder dat ook indien sprake zou zijn van meer slachtoffers dan de gerapporteerde aantallen, er nog geen uitzonderlijke geweldssituatie is, kan de voorzieningenrechter zonder nadere motivering - die niet is gegeven - niet volgen, gelet op wat overigens in deze rechtsoverweging wordt overwogen. Ook op het punt van het aantal burgerslachtoffers, eveneens een belangrijk criterium bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, roept het standpunt van verweerder dus vragen op.
De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de situatie in Libië, in het bijzonder in Tripoli, sinds het rapport van UNSMIL van 4 september 2014 is verbeterd. Zo is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend met berichtgeving van 10 oktober 2014 op de openbare site van de NOS waarin is vermeld dat volgens de UNHCR de gevechten rond Tripoli zich uitbreiden en dat ongeveer 100.000 mensen in de voorafgaande weken op de vlucht zijn geslagen voor het geweld rond Tripoli. Dat de situatie in heel Libië nog immer zeer ernstig is wordt onderstreept in genoemd rapport van 12 november 2014 van de UNHCR waarin staten zelfs worden opgeroepen uitzettingen naar Libië op te schorten totdat de veiligheids- en mensenrechtensituatie is verbeterd.
Naast het vorenstaande speelt in het oordeel van de voorzieningenrechter nog het volgende een rol. De voorzieningenrechter heeft via de openbare bron Vluchtweb ambtshalve kennis genomen van de brief van verweerder van 15 augustus 2014 over de situatie in Libië. Aan deze brief is ook gerefereerd in de door verzoeker overgelegde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam. In deze brief wordt het volgende gemeld: “de situatie in Libië is op dit moment zorgelijk. Echter, uit de recente openbare bronnen blijkt dat de gevechten zich voornamelijk beperken tot Tripoli en Benghazi. Er is dus geen situatie van willekeurig geweld in heel Libië (15c) en er kan worden verondersteld dat vreemdelingen zich buiten Benghazi en Tripoli veilig kunnen vestigen. Libië heeft meerdere vliegvelden, waardoor de vreemdeling in een ander gebied het land kan inreizen.” Hieruit maakt de voorzieningenrechter op dat verweerder zich, in ieder geval in augustus 2014, op het standpunt heeft gesteld dat het voor vreemdelingen te gevaarlijk was terug te keren naar Tripoli. Het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat uit deze brief blijkt dat de situatie in Tripoli en Benghazi slecht is, maar niet dat er sprake is van een uitzonderlijke geweldssituatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn kan de voorzieningenrechter dan ook niet volgen. Uit de brief blijkt immers dat verweerder zich op het standpunt stelt dat iedere vreemdeling zich buiten Benghazi en Tripoli veilig kan vestigen, wat impliceert dat vreemdelingen zich in Benghazi en Tripoli niet kunnen vestigen en dus niet naar deze steden kunnen terugkeren. Verweerder onderstreept dit in de brief door op te merken dat Libië meerdere vliegvelden heeft en de vreemdeling kan terugkeren via een ander vliegveld, om te voorkomen dat hij naar Benghazi of Tripoli moet reizen. Nu niet is gebleken dat de situatie in Tripoli sinds augustus 2014 is verbeterd en door verweerder ook niet is gemotiveerd dat dit het geval is, terwijl UNHCR in het rapport van 12 november 2014 juist heeft bevestigd dat de situatie in heel Libië en in het bijzonder in Tripoli en Benghazi nog steeds zeer slecht is, acht de voorzieningenrechter het onvoldoende inzichtelijk waarom verweerder zich thans op het standpunt stelt dat er in Tripoli geen uitzonderlijke geweldssituatie is als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en verzoeker daarom zou kunnen terugkeren naar Tripoli.

15. Evenmin onderschrijft de voorzieningenrechter het standpunt van verweerder dat verzoeker zich zonder meer elders in Libië kan vestigen. Zoals uit het rapport van UNHCR van 12 november 2014 blijkt kan onder de huidige omstandigheden een vestigingsalternatief in Libië niet snel worden aangenomen. Verweerder heeft daarom niet kunnen volstaan met de enkele stelling ter zitting dat van verzoeker kan worden verwacht dat hij zich elders in Libië vestigt, zonder te motiveren waar en waarom dit gelet op de huidige omstandigheden van verzoeker kan worden verwacht.

16. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd en zich niet, althans niet zonder nadere motivering, op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in Tripoli geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De voorzieningenrechter zal daarom het beroep gegrond verklaren wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb en het bestreden besluit vernietigen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of de bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak en binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn. Nu op het beroep wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afwijzen wegens gebrek aan belang.

17. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn een nieuwe beslissing op de aanvraag te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,-, te betalen aan verzoeker;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter- Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.G. te Pas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.