Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15021

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3656
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2706, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brutoloonkosten zijn verletkosten in de zin van artikel 14 ESF.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/3656

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2014 in de zaak tussen

[X], te [P], eiseres

(gemachtigde: T. Groenink),

en

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. van der Oord en C.G.A. Kok).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie van eiseres uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) vastgesteld op € 188.567,-.

Bij besluit van 27 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2014.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen.

Verweerder heeft op 6 augustus 2014 nadere stukken ingezonden. Eiseres heeft op 3 september 2014 en 7 september 2014 stukken ingezonden.

Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiseres heeft op 14 november 2008 een herziene aanvraag ingediend voor subsidie uit het ESF 2007-2013 (herzien) (hierna: de Subsidieregeling) voor het project “Rollercate 2008”. Verweerder heeft op 11 december 2008 voor de projectactiviteit Scholing, Actie D. Verbetering arbeidsmarktpositie van werkenden een maximaal subsidiebedrag van € 431.592,- verleend.

1.2

Het project Rollercate 2008 behelst het opleiden van schoolverlaters zonder startkwalificatie. De leerlingen volgen een zogeheten BBL-opleidingstraject, bestaande uit een beroepsbegeleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van 60% of meer van de studieduur. Alle leerlingen hebben een overeenkomst met het leerbedrijf en ontvangen een loon van het leerbedrijf op grond van de overeenkomst.

1.3

Op 8 januari 2014 is naar aanleiding van de ingediende einddeclaraties en op basis van de definitieve rapporten van bevindingen de subsidie vastgesteld op € 188.567,-. Daarbij heeft verweerder – voor zover hier van belang - de loonbetalingen aan de deelnemers ter hoogte van een bedrag van € 363.645,16 als niet subsidiabele kosten aangemerkt.

2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brutoloonkosten van de deelnemers niet subsidiabel zijn omdat deze als verletkosten moeten worden aangemerkt. Verletkosten zijn op grond van artikel 14, aanhef en onder f, van de Subsidieregeling niet subsidiabel. In de Handleiding Projectadministratie (HPA) van december 2005, 3e gewijzigde druk, paragraaf 4.2.4.6 is weergegeven dat onder verletkosten mede moet worden verstaan de brutoloonkosten voor deelnemers aan projecten voor werkenden. Alhoewel deze HPA niet op onderhavige aanvraag van toepassing is, is de interpretatie van het begrip verletkosten niet gewijzigd. Eiseres was op de hoogte van deze interpretatie nu zij ook in de periode dat de HPA van december 2005 werd toegepast, ESF-subsidie heeft aangevraagd. Eiseres heeft in de aanvraag de brutoloonkosten van de deelnemers niet herkenbaar opgenomen. Eiseres kon derhalve aan de subsidieverlening op basis van de aanvraag niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de brutoloonkosten van de deelnemers gesubsidieerd werden.

2.2

Eiseres heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de brutoloonkosten van de deelnemers aan het project geen verletkosten zijn. Verletkosten, zijn gelet op de letterlijke betekenis van het woord kosten vanwege afwezigheid van personen. De deelnemers ontvingen echter loon vanwege hun aanwezigheid op het project. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat zij bij de aanvraag juiste en volledige informatie heeft verstrekt. Voor zover er onduidelijkheid bestond over het opnemen van de loonkosten van de deelnemers, heeft verweerder een eigen onderzoeksplicht en had hij bij twijfel de aanvraag moeten afwijzen. Eiseres doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Pas in het rapport van 19 mei 2009 stelt verweerder dat opleidingskosten slechts gedeeltelijk worden gesubsidieerd en de post loonbetalingen niet. Dit is echter na de uitvoering van het project.

3. Het beroep richt zich uitsluitend tegen verweerders besluit de loonkosten van de deelnemers aan het project niet aan te merken als subsidiabele kosten op grond van de Subsidieregeling. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat op de onderhavige aanvraag de HPA, ESF Doelstelling van 22 maart 2007 van toepassing is, zodat de rechtbank daar ook van uit zal gaan. De HPA is onderdeel van de Subsidieregeling en daarmee een praktische uitwerking van de bepalingen die in de Subsidieregeling en in de diverse voor de uitvoering van het ESF toepasselijke Europese verordeningen zijn opgenomen. Met in achtneming van deze HPA worden de subsidiabele kosten bepaald.

4.1.

In de HPA is in paragraaf 3.1, Subsidiabele kosten (Subsidieregeling, hoofdstuk 3)

Welke kosten zijn subsidiabel? is opgenomen:

“ Welke projecten/activiteiten zijn subsidiabel? Voor subsidie komen in aanmerking projecten, die in hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling zijn genoemd. In hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling wordt vervolgens per Actie nader omschreven welke projectactiviteiten in ieder geval voor subsidie in aanmerking komen. Onderstaande tabel geeft per Actie de subsidiabele kosten weer.

Tabel: Subsidiabele kosten per Actie en artikelnummer van de Subsidieregeling: ”

Actie A (art. 3.1)

Actie B (art. 3.2)

Actie C (art. 3.3)

Actie D (art. 3.4)

Actie E (art. 3.5)

Tot een maximum van

10% van het jaarbudget

per betrokken

college van B&W:

1. Kosten van re-integratietrajecten,

waaronder inbegrepen

kosten van scholing en

training;

2. Exploitatiekosten,

als bedoeld in artikel

3.3, tweede lid van de

Subsidieregeling;

3. de overheadkosten

zoals genoemd in

artikel 3.1, eerste lid,

onderdeel c van de

Subsidieregeling

1. de kosten van individuele

trajectbegeleiders;

2. kosten van ontwikkeling van

opleidingen, cursussen en

trainingen passend in het doel

bedoeld in art. 2.2.1, tot

maximaal 10% van de

subsidiabele kosten genoemd in

de beschikking tot subsidieverlening.

3. de kosten van scholing en

training van gedetineerden;

4. de exploitatiekosten zoals

genoemd in artikel 3.3, tweede

lid van de Subsidieregeling

5. de overheadkosten zoals

genoemd in artikel 3.2, eerste

lid, onderdeel e van de Subsidieregeling

1. kosten van docenten en

begeleiders

2. kosten van ontwikkelingsactiviteiten

gericht op activiteiten

als bedoeld in art. 2.3.2, onderdeel

h, onder 1º, 2º en 3º, tot een

maximum van 10% van de subsidiabele

kosten genoemd in de

beschikking tot subsidieverlening.

3. kosten van specifieke cursussen

en training van deelnemers;

4. de exploitatiekosten zoals

genoemd in artikel 3.3, tweede lid

van de Subsidieregeling;

5. de overheadkosten zoals

genoemd in artikel 3.3, eerste lid,

onderdeel e van de Subsidieregeling.

Tot een maximum van 10% van

het jaarbudget per aanvrager:

1. de kosten van opleidingen,

cursussen en trainingen tot en met MBO-4 niveau;

2. de kosten van ontwikkeling of

aanpassing van bovengenoemde

opleidingen, cursussen en

trainingen tot een maximum van

10% van de subsidiabele kosten

genoemd in de beschikking tot

subsidieverlening;

3. de exploitatiekosten zoals

genoemd in artikel 3.3, tweede lid van de Subsidieregeling

4. de overheadkosten zoals

genoemd in artikel 3.4, eerste lid,

onderdeel d van de Subsidieregeling

Nader te bepalen

4.2.

In de HPA wordt in paragraaf 3.1.1, Kostensoorten, een beschrijving gegeven van de verschillende kostensoorten. Hierin wordt – voor zover van belang – vermeld dat de loonkosten voor (intern) instructie- en overheadpersoneel opgevoerd mogen worden.

Voorts staat in paragraaf 3.1.2.5, Kosten voor opleidingen, dat de volgende kosten voor opleidingen, gevolgd aan een Regionaal Opleidingscentrum (ROC) subsidiabel zijn:

• Het wettelijk vastgestelde cursusgeld. De hoogte ervan is afhankelijk van het niveau

(schooljaar 2006-2007: niveau 1 en 2: € 199,71. Niveau 3 en 4: € 485,60).

• Het inschrijfgeld en examengeld.

• Boekengeld;

• De subsidiabele instructiekosten voor praktijkbegeleiders/leermeesters.

5.1

De onderhavige subsidieaanvraag betreft actie D (artikel 3.4), verbetering arbeidsmarktpositie voor werkenden. De rechtbank is van oordeel dat uit de tabel noch uit de beschrijving per kostensoort blijkt dat de brutoloonkosten van deelnemers aan het project voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Dat brutoloonkosten niet subsidiabel zijn, is tegen de achtergrond van de aard van het project, te weten een project voor scholing ter verbetering van de arbeidsmarktpositie voor werkenden, begrijpelijk. Ook uit het gegeven dat in de HPA wordt vermeld dat de loonkosten van (interne) instructie- en overheadpersoneel onder voorwaarden gesubsidieerd kunnen worden, kan worden opgemaakt dat de brutoloonkosten van de deelnemers niet voor subsidie in aanmerking komen.

5.2

Verweerders betoog dat de brutoloonkosten moeten worden aangemerkt als verletkosten in de zin van artikel 14, aanhef en onder f, van de Subsidieregeling, moet dan ook tegen de achtergrond van het vorengaande gelezen worden. Hiermee wordt bedoeld de loonkosten gedurende de periode dat de deelnemer zijn tijd aan scholing besteedt en derhalve niet inzetbaar is voor zijn werkzaamheden. Deze loonkosten, zijnde verletkosten, zijn uitgesloten van subsidie. Eiseres neemt het standpunt in dat de deelnemers een leerovereenkomst met een leerbedrijf zijn aangegaan om 22 maanden in de praktijk te leren. Deze leerovereenkomst, de BBL-opleiding, moet volgens eiseres als scholing worden gekwalificeerd. De rechtbank overweegt dat nu eiseres de leerovereenkomst in zijn geheel als scholing aanmerkt en als gevolg daarvan de loonkosten van de deelnemers als scholingskosten heeft opgevoerd, verweerder de loonkosten van de deelnemers op goede gronden als verletkosten in de zin van artikel 14, aanhef en onder f, van Subsidieregeling heeft aangemerkt. De deelnemers zijn tijdens de scholing immers niet inzetbaar voor werkzaamheden. Hierbij is van belang dat onderhavig project valt onder Actie D, verbetering van de arbeidspositie van werkenden. De uitleg van eiseres zou tot het gevolg hebben dat de deelnemers gedurende de leerovereenkomst niet als werkenden kunnen worden beschouwd omdat zij uitsluitend geschoold worden. Het betoog van eiseres dat loonkosten gemaakt worden voor de aanwezigheid van de deelnemers en derhalve gelet op de letterlijke betekenis van het woord verlet geen verletkosten zijn, treft dan ook geen doel. .

6.1.

Resteert de vraag of eiseres erop mocht vertrouwen dat op grond van de door haar ingediende aanvraag de loonkosten van deelnemers wel gesubsidieerd zouden worden. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank stelt vast dat eiseres in de bij de aanvraag overgelegde Bijlage AO/IC geen melding heeft gemaakt van brutoloonkosten voor de deelnemers. In het bijzonder wijst de rechtbank op Hoofdstuk 4, financiële administratie. Eiseres heeft in dit hoofdstuk de brutoloonkosten van de deelnemers niet als subsidiabele kosten opgevoerd, in tegenstelling tot de loonkosten van begeleiders en docenten. Eiseres heeft in de bijlage “ kosten van de directe activiteiten” bij de diverse functies, als activiteit opgegeven “scholing” en daarbij een uurtarief van € 28,50 genoteerd. Anders dan eiseres stelt, had verweerder hieruit niet hoeven op te maken dat dit tarief het bruto uurloon van de deelnemers betrof en niet de kosten van scholing.

6.2

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres wetenschap had dan wel had kunnen hebben dat onder het begrip verletkosten in het kader van de ESF subsidie mede wordt begrepen brutoloonkosten van de deelnemers aan projecten voor werkenden. Deze uitleg is immers al opgenomen in de HPA, ESF Doelstelling 3, december 2005, 4e druk, paragraaf 4.2.4.6, Loonkosten deelnemers. Weliswaar is de HPA van december 2005 niet van toepassing op onderhavige aanvraag maar de uitleg van het begrip verletkosten is ongewijzigd. Eiseres heeft in de periode dat deze HPA van toepassing was ook subsidie gevraagd en had derhalve op de hoogte kunnen zijn van verweerders uitleg van het begrip verletkosten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr W.J. Edens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.