Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14947

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
AWB 14/7765
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:584, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De staatssecretaris heeft de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de ‘overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ afgewezen op grond van contra-indicatie a: de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de nationale veiligheid.

Eisers stellen zich op het standpunt dat ten onrechte het tien jaren-beleid voor gezinsleden van 1F-ers (paragraaf C2/6.2.8. van de Vreemdelingencirculaire 2000) niet is toegepast, terwijl de hoofdpersoon sinds 28 maart 1999 (gedurende vijftien jaar) ononderbroken in Nederland heeft verbleven.

De beroepen zijn gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat verweerder toepassing dient te geven aan de in paragraaf C2/6.2.8. van de Vc 2000 neergelegde beleidsregel en dient te toetsen of aan de drie cumulatieve voorwaarden wordt voldaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/36

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Afdeling bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/7765

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 december 2014 in de zaak tussen

[naam], (hoofdpersoon), eiser 1,

geboren op [geboortedatum],

V-nummer:[nummer],

[naam], (moeder), eiseres,

geboren op [geboortedatum],

V-nummer: [nummer],

[naam], eiser 2,

geboren op [geboortedatum],

V-nummer: [nummer],

[naam], eiser 3,

geboren op [geboortedatum],

V-nummer: [nummer],

[naam], eiser 4,

geboren op [geboortedatum],

V-nummer: [nummer],

allen van Afghaanse nationaliteit, hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Wildeboer).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 27 augustus 2013 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de ‘overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ (hierna: de Regeling) afgewezen en is de vertrektermijn verkort tot nul dagen. Tevens is aan eiser 3 een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Bij besluit van 7 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit op 31 maart 2014 beroep ingesteld. Op 24 juni

2014 zijn voorlopige gronden ingediend. Op 17 september 2014 zijn nadere gronden

ingediend.

Verweerder heeft op 25 september 2014 een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben op 21 november 2014 aanvullende gronden ingediend, inhoudende een

ingelaste rapportage van mr. J. Werner van Defence for Children van 20 november 2014.

Verweerder heeft op 1 december 2014 een reactie op voornoemde rapportage gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het beroep van de vader van de hoofdpersoon is ter zitting ingetrokken, in verband met een aan hem opgelegd inreisverbod voor de duur van tien jaar en de daarover gedane uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 26 november 2014 in zaak nr. 201401643/1/V3.

Overwegingen

1. Aan het bestreden besluit is onder meer het hierna volgende voorafgegaan.

1.1.

Eisers hebben, met uitzondering van de in [jaar] geboren eiser 4, op 28 maart 1999 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend.
De vader, respectievelijk echtgenoot van eisers is artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (Vv) tegengeworpen vanwege zijn betrokkenheid bij de militie Kandak-e-Ghomi.

Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 4 juli 2003 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0735).

Bij uitspraak van de ABRvS van 10 december 2003 is de uitspraak van de rechtbank bevestigd (zaak nr. 200305198/1). Daarmee is de tegenwerping van artikel 1(F) Vv in rechte onaantastbaar.

1.2.

Op 29 mei 2013 hebben eisers een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Regeling. Eiser 1 is aangemerkt als hoofdpersoon.

1.3.

Bij (primair) besluit van 27 augustus 2013 is de aanvraag van de hoofdpersoon afgewezen omdat aan de vader artikel 1(F) Vv is tegengeworpen. Onder verwijzing naar dit besluit zijn ook de andere aanvragen op 27 augustus 2013 afgewezen.

1.4.

Hiertegen is op 28 augustus 2013 bezwaar gemaakt.

2. Bij (bestreden) besluit van 7 maart 2014 zijn de bezwaren tegen de besluiten van 27 augustus 2013 ongegrond verklaard.

Verweerder heeft de hoofdpersoon en zijn gezinsleden niet onder de Regeling geschaard omdat sprake is van de in de Regeling genoemde contra-indicatie a:

‘De IND verleent de vergunning niet indien de vreemdeling of een gezinslid een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval indien: bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.’

3 Eisers stellen zich primair op het standpunt dat ten onrechte het tien jaren-beleid voor gezinsleden van 1F-ers niet is toegepast, terwijl de hoofdpersoon sinds 28 maart 1999 (gedurende vijftien jaar) ononderbroken in Nederland heeft verbleven.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het tien jaren-beleid niet van toepassing is.


Bij de beoordeling of het tien jaren-beleid van toepassing is betrekt de rechtbank de navolgende stukken.

5.1.

In paragraaf B1/4.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is de volgende passage opgenomen:

‘De aanvraag wordt afgewezen, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag (…) Deze grond is niet afhankelijk van het tijdstip waarop de gedraging is gepleegd of eventueel bestraft.
(…)

De termijn van vijf, onderscheidenlijk tien of twintig jaren, is niet van toepassing, indien sprake is van een veroordeling voor een levensdelict, het bij herhaling plegen van strafbare feiten of van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.’

5.2.

Bij brief van 9 juni 2008 (31 200 VI, nr. 160, p. 6) is door de minister van Justitie en de staatssecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal het navolgende bericht:

‘Daarnaast achten wij een oplossing geboden voor de kinderen en gezinsleden van de vreemdelingen aan wie 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen en die langdurig ononderbroken in Nederland verblijven. Ten aanzien van deze gezinsleden kan worden geconcludeerd dat na een bepaalde periode langdurig verblijf in Nederland zonder verblijfsvergunning het doel dat met het vigerende beleid ten aanzien van deze gezinsleden is beoogd, kennelijk niet kan worden bereikt. In dat geval achten wij het niet zinvol om dit instrument ten aanzien van die individuele gezinsleden nog langer in te zetten en wordt in lijn met de in het Internationale Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en de jurisprudentie voorgeschreven belangenafweging aangenomen dat de belangen van de kinderen en gezinsleden zwaarder zijn gaan wegen dan het openbare orde-belang. Deze gezinsleden wordt vanaf dat moment in een eventuele procedure dan niet langer tegengeworpen dat zij gezinslid zijn van een vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.

Voor de gezinsleden wordt het tijdsverloop in aanmerking genomen na in beginsel een termijn van ten minste tien jaren. Genoemde termijn vangt aan op de datum van de eerste asielaanvraag van de gezinsleden. Na ommekomst van deze termijn wordt een eventuele verblijfsaanvraag vervolgens ex nunc getoetst aan de voorwaarden verbonden aan het beoogde verblijfsdoel. De opstelling van de gezinsleden in hun eigen vertrekproces wordt daarbij eveneens in ogenschouw genomen.’

5.3.

Deze brief heeft zich vervolgens vertaald in de toevoeging van paragraaf C4/3.11.4.3. aan de Vc 2000 (Stcrt. 2008, Nr. 232, WBV 2008/29). Deze paragraaf (thans: paragraaf C2/6.2.8) stelt paragraaf B1/4.4.1 van de Vc 2000 buiten werking indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan. De beleidsregel is -destijds- als volgt geformuleerd:

‘Gezinsleden van een vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen en die langdurig ononderbroken in Nederland verblijven wordt niet langer de contra-indicatie openbare orde tegengeworpen. Hiertoe is niet relevant of er nog sprake is van een gezinsband met de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Daarnaast is de opstelling van de gezinsleden in hun eigen vertrekproces van belang.

De genoemde contra-indicatie wordt niet langer tegengeworpen aan het gezinslid van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen als aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden wordt voldaan:

a. gerekend vanaf de datum van de eerste asielaanvraag is sprake van een langdurig verblijf in Nederland van ten minste tien jaren;

b. genoemd verblijf is ononderbroken; en

c. er is geen sprake geweest van frustratie van het vertrekproces.’

5.4.

Onder het kopje verjaring is in de Regeling het navolgende opgenomen:

‘Indien bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, geldt geen verjaringstermijn.

(…)

De termijn van vijf, onderscheidenlijk tien jaren, is niet van toepassing indien sprake is van het bij herhaling plegen van misdrijven of van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.’

5.5.

Dat de in paragraaf C2/6.2.8. van de Vc 2000 neergelegde beleidsregel nog steeds van toepassing is op reguliere verblijfsaanvragen blijkt uit het navolgende door verweerder, op 10 april 2014, gegeven antwoord:

‘De leden van de D66 fractie hebben gevraagd naar het beleid voor gezinsleden van 1F’ers waarin na tien jaar – onder voorwaarden – de contra-indicatie artikel 1F Vv kan komen te vervallen als een gezinslid (niet zijnde de 1F’er) een aanvraag indient voor een verblijfsvergunning. De omstandigheid dat het betreffende beleid is opgenomen in de asielparagraaf van de Vreemdelingencirculaire inzake het 1F-beleid (waarin al het 1F-gerelateerde beleid is gebundeld) doet niet af aan de gelding in het geval een beroep wordt gedaan op deze regeling in het kader van een reguliere verblijfsaanvraag. Er is geen sprake van een wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 19 637, nr. 1808, p. 26).’

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel.
Dit brengt met zich dat verweerder in onderhavige procedure conform de in paragraaf C2/6.2.8. van de Vc 2000 neergelegde beleidsregel over het tien jaren-beleid dient te handelen, tenzij de toepasselijkheid van deze beleidsregel is uitgesloten.


6.2. Dat de Regeling zou zijn uitgesloten van de in paragraaf C2/6.2.8. van de Vc 2000 neergelegde beleidsregel volgt, anders dan verweerder stelt, niet uit de Regeling zelf.
Zo is het onder 5.4. aangehaalde beleid uit de Regeling niet anders geformuleerd dan onder de 5.1. genoemde paragraaf B1/4.4.1 van de Vc 2000 is gedaan. De zinsnede dat voor 1F geen verjaringstermijn geldt is immers van dezelfde motivering voorzien als in voornoemde paragraaf.

6.3.

Dat de Regeling van de in paragraaf C2/6.2.8. van de Vc 2000 neergelegde beleidsregel zou zijn uitgesloten volgt, anders dan verweerder stelt, evenmin -expliciet- uit de door verweerder aangehaalde debatten, nog daargelaten de vraag of tijdens een debat gedane uitlating een voor een belanghebbende gunstige beleidsregel terzijde kan schuiven.

6.4.

Daarbij zij opgemerkt dat de in de reactie van 1 december 2014 gegeven uitleg over het belang artikel 1(F) Vv te kunnen tegenwerpen aan de gezinsleden niet overtuigt, daar de in die reactie genoemde omstandigheden zijn meegewogen in de onder 5.2. genoemde brief van 9 juni 2008. In deze brief is uiteengezet waarom het niet zinvol wordt geacht na een termijn van ten minste tien jaren het instrument van de contra-indicatie ten aanzien van individuele gezinsleden nog langer in te zetten. Door het tien jaren-beleid niet uit te sluiten in de Regeling handelt verweerder feitelijk in overeenstemming met de brief van 9 juni 2008.

6.5.

Dat verweerder zich in het ingenomen standpunt bevestigd ziet door de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 23 september 2014 (AWB 14/4498) kan de rechtbank tot slot niet plaatsen, nu deze uitspraak niet ziet op een soortgelijke situatie.

7. De beroepen zijn gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 4:84 van de Awb. Verweerder dient toepassing te geven aan de in paragraaf C2/6.2.8. van de Vc 2000 neergelegde beleidsregel en te toetsen of aan de drie cumulatieve voorwaarden wordt voldaan.
Hetgeen overigens nog is aangevoerd behoeft geen verdere bespreking.

8. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 974, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 487, - per punt en een wegingsfactor 1). Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart volgt uit artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder opnieuw op de bezwaren van eisers moet beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165, - aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 974, - te betalen aan eisers.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, mrs. F. Sijens en H.H. Kielman, leden, in aanwezigheid van H.M. Eleveld, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.