Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14933

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
14 _ 6295
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/290
V-N 2015/19.20.3
FutD 2015-0369 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/821
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/6295

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2014 in de zaak tussen

[X], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. F. Roet)

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan belanghebbende een aanslag erf- of schenkbelasting opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 24 april 2014 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

De gemachtigde heeft in één beroepschrift namens meerdere eisers, onder wie belanghebbende, beroep ingesteld tegen evenzoveel uitspraken op bezwaar. De rechtbank heeft dit beroepschrift op 2 juli 2014 ontvangen. De gemachtigde heeft verzocht voor al deze zaken gezamenlijk slechts eenmaal griffierecht te berekenen.

Bij aangetekende brief van 20 augustus 2014 is belanghebbende eraan herinnerd dat griffierecht moet worden betaald (de herinnering). Uit informatie van PostNL is gebleken dat de herinnering is uitgereikt.

Belanghebbende heeft zich uitgelaten over de tijdigheid van het beroep.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41 van de Awb griffierecht betalen. Het verzoek van de gemachtigde om slechts eenmaal griffierecht te berekenen is bij brief van 25 juli 2014 afgewezen omdat geen sprake is van samenhangende besluiten dan wel eenzelfde besluit als bedoeld in artikel 8:41 van de Awb. Het enkele feit dat het inhoudelijke geschil en de motivering van het beroep (vrijwel) identiek zijn, is daarvoor onvoldoende.

3. Voor deze zaak is het griffierecht vastgesteld op € 45,-. De griffier stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet zijn betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht niet aan betrokkene is toe te rekenen.

4. In de herinnering is belanghebbende er nog eens op gewezen dat het griffierecht binnen vier weken moet zijn betaald en dat anders het beroep niet ontvankelijk zal worden verklaard. Belanghebbende heeft het griffierecht niet tijdig betaald. Dat dit niet aan belanghebbende is toe te rekenen is niet gebleken.

5. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van dagtekening van de beslissing op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Vaststaat dat de beslissing op bezwaar is gedagtekend op 24 april 2014. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat deze datum is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. De termijn voor het indienen van beroep liep dan ook af op 5 juni 2014. Het beroepschrift is eerst op 2 juli 2014 door de rechtbank ontvangen. Belanghebbende meent dat niet te laat beroep is ingesteld omdat reeds op 21 mei 2014 bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een rechtsklacht is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit niet dat de termijnoverschrijding niet aan belanghebbende is toe te rekenen. De (indiening van die) rechtsklacht laat immers onverlet dat belanghebbende op tijd een beroepschrift moet indienen bij de bevoegde bestuursrechter. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende niet in staat was tijdig een beroepschrift in te dienen, desnoods op nader aan te voeren gronden. Derhalve is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan een niet-ontvankelijkverklaring.

6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2014.