Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14850

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2014
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 13208
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3293, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening wet arbeid vreemdelingen. Weigering verlenging verblijfsvergunningen. Toesting aan de herziene Wav ook al zijn de aanvragen ingediend voor 1 januari 2014. Geen strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Wet arbeid vreemdelingen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/13208 (beroep) en AWB 14/19930 (vovo)

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2014 in de zaak tussen

[X] B.V. , eiseres,

(gemachtigde: mr. A. van Driel),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. J.J.M. van den Boogaard).

Procesverloop

Bij brief van 28 november 2013, aangevuld bij brief van 18 december 2013, heeft eiseres verweerder verzocht om verlenging van vier tewerkstellingsvergunningen (twv’s) voor het verrichten van arbeid in de functie van frituurkok respectievelijk souschef Chinese keuken ten behoeve van [Y1], [Y2], [Y3] en [Y4].

Op deze aanvragen is door verweerder bij afzonderlijke besluiten op 31 januari 2014 afwijzend beslist. Bij besluit van 15 mei 2014 heeft verweerder de tegen dit besluit ingediende bezwaarschriften ongegrond verklaard

Bij brief van 3 juni 2014 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens is verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep alsmede van het verzoek om voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 21 november 2014. Het beroep en verzoek om voorlopige voorzieningen is gelijktijdig behandeld met de beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen van [Y1], [Y2], [Y3] en [Y4] tegen de weigering door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van de gevraagde verblijfsvergunningen met als doel “arbeid in loondienst” onder de procedurenummers 14/25018 en 14/25019, 14/2503 en 14/2504, 14/2507 en 14/2508 en 14/25030 en 14/25031.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer P. Chen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig de betreffende koks, te weten [Y1], [Y2], [Y3] en [Y4]. Tevens was aanwezig [A] namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie alsmede de tolk mevrouw [B].

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluiten van 8 maart 2011 heeft verweerder aan alle vier de koks een twv verleend met de maximale geldigheidsduur van 3 jaar, met ingang van respectievelijk 10, 12 en 18 mei 2011 en geldig tot respectievelijk 9, 12 en 18 mei 2014.

Op 9 september 2011 hebben de koks een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) verkregen, geldig van 13 september 2011 tot 11 maart 2012.

Vervolgens is [Y1] op 18 februari 2012 Nederland ingereisd, gevolgd door de overige drie koks op 29 februari 2012.

In april 2012 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verblijfsvergunningen aan de koks verleend, voor de volgende periodes:

  • -

    van 10 april 2012 tot 18 mei 2014 ([Y1]);

  • -

    van 14 april 2012 tot 12 mei 2014 ([Y2]);

  • -

    van 19 april 2012 tot 12 mei 2014 ([Y3] en [Y4]).

1.2

De Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is aangescherpt in die zin dat arbeidsmigranten voortaan pas na vijf jaar ononderbroken arbeid te hebben verricht vrij zijn op de arbeidsmarkt in plaats van na drie jaar. Deze herziening van de Wav is op 1 januari 2014 met onmiddellijke ingang in werking getreden. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Uitsluitend als een vreemdeling vijf onafgebroken jaren over een verblijfsvergunning én een twv heeft beschikt, hoeft hij geen twv meer te hebben. Tevens is de toets aan het prioriteitgenietend aanbod aangescherpt.

1.3

De verlengingsaanvragen zijn ingediend ter dichting van de zogenoemde “verblijfsgaten” die zijn ontstaan omdat de vier koks later zijn ingereisd en eerst later een verblijfsvergunning hebben verkregen dan de ingangsdatum van hun twv. Indien tussen de ingangsdatum van een twv en de ingangsdatum van een verblijfsvergunning een periode is verstreken, wordt deze periode een ‘verblijfsgat’ genoemd.

Verweerder hanteert ten aanzien van het dichten van verblijfsgaten een bestendige bestuurspraktijk, inhoudende dat onder bepaalde voorwaarden bij de verlenging van een twv ten behoeve van het dichten van een verblijfsgat niet wordt getoetst aan de eisen van artikel 8 en 9 van de Wav. Dit betreft begunstigend beleid dat geen grondslag vindt in de Wav. De voorwaarden om hiervoor in aanmerking te komen houden in dat het verblijfsgat buiten schuld van de vreemdeling is ontstaan en een beperkte periode van maximaal 9 maanden beslaat. Deze periode is gebaseerd op de tijd die redelijkerwijs nodig is om de benodigde mvv en verblijfsvergunning te verkrijgen.

2 Verweerder heeft de aanvragen van eiseres tot het administratief dichten van de verblijfsgaten door middel van het verlengen van de twv’s afgewezen. Verweerder heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat de koks een verblijfsgat hebben van 11 maanden en de termijn van 9 maanden dus is overschreden. Voorts geldt dat de verblijfsgaten niet buiten schuld van eiseres en haar koks zijn ontstaan, maar berusten op de door de koks gemaakte keuze om later in te reizen vanwege privé-omstandigheden. Verder heeft eiseres niet tijdig medegedeeld en onderbouwd dat haar koks de eerste maanden geen gebruik hebben gemaakt van de twv’s, zoals vereist in artikel 4 van de Regeling Uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, voormalig artikel 5 van het Delegatie- en Uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen. Gelet hierop heeft verweerder de aanvragen om een twv beoordeeld als reguliere aanvragen om een twv en deze getoetst aan de artikelen 8 en 9 van de Wav. Verweerder heeft geconcludeerd dat niet is voldaan aan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c van de Wav en heeft reeds op die grond de twv’s geweigerd.

3 Eiseres is van mening dat verweerder de gevraagde twv’s ten onrechte heeft geweigerd. Ter onderbouwing voert zij het volgende aan.

3.1

Eiseres meent dat het door verweerder gehanteerde beleid niet redelijk is. De gehanteerde termijn van 9 maanden is in het geheel niet gemotiveerd en ook niet redelijk. Voorts stelt eiseres dat de late inreis niet te wijten is aan schuld van eiseres en de vier koks. Eiseres wijst in dit verband op het feit dat de koks hun mvv’s pas op 9 september 2011 hebben verkregen, te weten 4 maanden na de afgifte van de twv’s. Vervolgens zijn de koks in februari 2012, te weten 5 maanden na het verkrijgen van de mvv’s, Nederland ingereisd door persoonlijke omstandigheden. [Y1] diende zijn ernstig zieke grootmoeder te verzorgen, aangezien er geen andere familieleden waren die dit konden doen. De andere drie koks wilden solidair zijn en hebben op hem gewacht. Daarbij heeft in februari 2012 het huwelijk van [Y4] plaatsgevonden, waarbij [Y3] getuige was. [Y2] kon de reis niet alleen maken, omdat hij lijdt aan een concentratieprobleem betreffende zijn richtingsgevoel.

3.2

Voorts worden de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel geschonden nu door het ontbreken van een paragraaf met overgangsrecht, de per 1 januari 2014 gewijzigde Wav onmiddellijke werking heeft tegenover “oude gevallen” als die van eiseres. Eiseres meent dat zij en haar koks erop hebben mogen vertrouwen dat het recht, zoals verankerd in de Wav op het moment van verlening van de twv’s in 2011, geëerbiedigd zou worden en zij na drie jaar feitelijk werken op basis van een hen daartoe verstrekte verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst, een verblijfsvergunning zonder beperkingen voor toegang tot de arbeidsmarkt zouden krijgen, met de arbeidsmarktaantekening “arbeid is vrij toegestaan, twv niet vereist`. Er wordt wezenlijk afbreuk gedaan aan de voorwaarden die destijds voor de koks aanleiding waren om naar Nederland te komen voor het verrichten van arbeid in loondienst.

3.3

Tenslotte wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden nu verweerder met de afwijzing van de benodigde verlenging van de tvw’s afwijkt van een bestendige gedragslijn in gelijke gevallen, waarin reparatie van het verblijfsgat geschiedde via de afgifte van de daartoe, vóór 24 december 2013 gevraagde, twv-verlengingen.

4 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5 De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat het door verweerder gehanteerde beleid, en dan in het bijzonder de gehanteerde termijn van 9 maanden, niet redelijk is overweegt de rechtbank als volgt. Naar verweerder ter zitting heeft toegelicht is de termijn van 9 maanden gebaseerd op de tijd die nodig is voor het verkrijgen van een mvv en een verblijfsvergunning. De rechtbank acht het hanteren van een dergelijke termijn niet onredelijk, evenals het hanteren van het criterium dat de late inreis buiten de schuld van de vreemdeling dient te liggen.

De vier koks voldoen aan geen van beide criteria. Zij zijn pas na 11 maanden ingereisd. Niet is gebleken dat dit is te wijten aan vertraging aan de zijde van de overheid bij het verlenen van de mvv’s en de verblijfsvergunningen.

Door bij de afgifte van de twv’s de ingangsdatum twee maanden later te stellen, heeft verweerder reeds rekening gehouden met de tijd die het de vreemdeling kost om over de noodzakelijk papieren te beschikken. De benodigde mvv’s zijn 4 maanden na inwerkingtreding van de twv’s afgegeven. Dit liet nog voldoende tijd om af te reizen naar Nederland en de verblijfsvergunning te verkrijgen binnen de 9 maanden, waar de bestendige bestuurspraktijk van uitgaat. De koks zijn echter pas in februari 2012 Nederland ingereisd. Deze late inreis is geheel te wijten aan persoonlijke omstandigheden van de vier koks, zoals weergegeven onder 3.1. De late inreis van de vier koks berust op hun persoonlijke keuzes en dient daarom voor rekening en risico van henzelf en eiseres te blijven.

De rechtbank concludeert dat verweerder op goede gronden zijn bestendige bestuurspraktijk ter zake van het administratief dichten van verblijfsgaten niet heeft toegepast en de aanvragen op goede gronden heeft getoetst als reguliere aanvragen. Dat betekent dat verweerder de aanvragen terecht heeft getoetst aan de artikelen 8 en 9 van de Wav. Dat niet is voldaan aan artikel 8 van de Wav is door eiseres niet betwist.

5.2

Voor zover eiseres heeft beoogd te betogen dat verweerder gelet op het Stappenplan gehouden was de onderhavige twv’s te verlenen overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft de in het geding zijnde aanvragen pas ingediend nadat het Stappenplan bij brief van 5 maart 2013 reeds was vervallen. Hierin verschilt deze zaak wezenlijk van de zaken waar eiseres naar verwijst (onder meer de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 16 april 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:3497), omdat in die gevallen de koks hun aanvragen wel hadden ingediend onder de vigeur van het Stappenplan.

5.3

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de weigering van afgifte van de twv’s in strijd is met het vertrouwensbeginsel vanwege het ontbreken van een overgangsbepaling in de Wav.

Immers, voor alle vier de koks geldt dat zij ten tijde van het indienen van de aanvraag en de primaire besluiten en het bestreden besluit nog geen drie jaar onafgebroken rechtmatig verblijf met als doel ‘arbeid in loondienst` en tewerkstelling op grond van een twv hadden, zodat zij ook onder de oude Wav nog niet in aanmerking kwamen voor de arbeidsmarktaantekening “arbeid is vrij toegestaan, twv niet vereist”. Ook het enkele gegeven dat de regelgeving vóór 1 januari 2014 inhield dat een vreemdeling gedurende drie jaar over een twv moest beschikken voordat hij de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan’ zou krijgen, maakt niet dat de koks en eiseres er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat ook aan deze koks na drie jaar een verblijfsvergunning regulier met een arbeidsmarktaantekening zou worden verleend, noch dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de regelgeving nimmer zou wijzigen.

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat voor zover eiseres zich beroept op twv’s die aan collega-koks zijn verleend ter dichting van verblijfsgaten geldt, dat dergelijke vergunningen inderdaad worden verleend, zoals hierboven onder 1.3 is weergegeven, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Zoals hierboven is geoordeeld, voldeden de vier koks niet aan deze voorwaarden. In zoverre is dan ook geen sprake van gelijke gevallen.

Voor zover eiseres zich beroept op de onder 5.2 aangehaalde uitspraak geldt dat die koks zich niet in een gelijke positie bevonden als de vier koks, nu – anders dan in die procedure- de onderhavige aanvraag is ingediend na het vervallen van het Stappenplan.

5.4

Tenslotte overweegt de rechtbank dat de beroepsgronden met betrekking tot de gestelde onrechtmatigheid van de herziening van de Wav zonder het hanteren van een overgangsregeling dan wel een vorm van nadeelcompensatie, in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Noch verweerder, noch de rechtbank kunnen immers in deze procedure toetsen of sprake is van onrechtmatige wetgeving, zoals eiser betoogt, nu het hier gaat om een wet in formele zin. Indien eiser wil laten toetsen of de wijziging van de Wav kwalificeert als onrechtmatige wetgeving, dient hij zich tot de civiele rechter te wenden

6 Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden de gevraagde twv’s heeft geweigerd.

7 Het beroep is derhalve ongegrond. Gelet op het voorgaande is er tevens geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

8 Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep ongegrond;

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Maurik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2014.