Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14767

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
AWB 12/38903
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maximale dwangsom bij niet tijdig beslissen op bezwaar inzake visum voor kort verblijf nu (tijdige) verzending van de beslissing op bezwaar niet aannemelijk is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12 / 38903

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2014 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen [minderjarige] en [minderjarige],

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 13 december 2012 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaarschrift van 13 april 2012, gericht tegen de afwijzing van haar aanvraag om verlening van visa voor kort verblijf ten behoeve van haar en haar minderjarige kinderen. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. P.A. Blaas, advocaat te ’s-Hertogenbosch, die bij brief van 20 december 2012, aangevuld bij brieven van 31 januari 2013, 21 maart 2013 en 20 mei 2014, de beroepsgronden heeft ingediend.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2014, waar eiseres en haar gemachtigde, met kennisgeving, niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van de Wal, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 3 april 2012 verzocht om afgifte van visa voor kort verblijf voor haar en haar twee minderjarige kinderen. Bij onderscheiden besluiten van dezelfde datum heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Namens eiseres is hiertegen bij brief van 13 april 2012 bezwaar gemaakt. De gronden van bezwaar zijn ingediend bij brief van 1 mei 2012, aangevuld bij brief van 15 mei 2012.

2. Bij brief van 4 juni 2012 heeft de gemachtigde van eiseres verzocht op korte termijn tot besluitvorming op het bezwaarschrift over te gaan. Op 23 juli 2012 heeft deze gemachtigde een ingebrekestelling gestuurd.

3. Bij brief van 3 september 2012 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres medegedeeld dat hij heeft besloten “geen bezwaar meer te maken tegen afgifte van een visum voor kort verblijf aan betrokkenen voor een periode van 75 dagen”. Bij brief van dezelfde datum, gericht aan de Nederlandse vertegenwoordiging te Rabat (Marokko), heeft verweerder bericht dat hij het bezwaarschrift van eiseres gegrond heeft verklaard.

4. Bij brief van 20 november 2012 is verweerder nogmaals verzocht een beslissing op bezwaar te nemen; daarbij is tevens verzocht een standpunt in te nemen over de hoogte van de aan eiseres toekomende dwangsommen.

5. Vervolgens is het onderhavige beroep ingesteld.

6. In de brief van 31 januari 2013 heeft de gemachtigde van eiseres – onder meer – gesteld dat hij eerst door de toezending door de griffier (op 24 januari 2013) van de gedingstukken met betrekking tot het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hoogte is geraakt van het besluit van 3 september 2012. Gesteld is dat eiseres dit besluit nimmer heeft ontvangen. Voorts is in de brief vermeld dat eiseres het beroep wenst te handhaven, onder meer met het oog op de dwangsommen die zijn verbeurd nu verweerder niet tijdig op het bezwaar heeft beslist.

7. Bij de brief van 21 maart 2013 heeft de gemachtigde van eiseres een afschrift gevoegd van een brief van verweerder van 18 maart 2013 waarin is opgemerkt dat de verzending van het besluit van 3 september 2012 mogelijkerwijs niet goed is gegaan. Voorts is in de brief van 21 maart 2013 verzocht het beroep (thans) gericht te achten tegen het besluit van 3 september 2012 voor zover bij dit besluit geen dwangsommen zijn toegekend voor het niet tijdig beslissen op bezwaar.

8. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 6:20, eerste lid, van de Awb blijft het bestuursorgaan, indien het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, verplicht dit besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft.

Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.

Ingevolge artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.

9. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet (meer) in geschil dat verweerder niet aannemelijk kan maken dat de verzending van het besluit van 3 september 2012 op of omstreeks deze datum is geschied. Er bestaat geen aanleiding de gestelde niet-ontvangst van dat besluit voor risico en rekening van eiseres te laten. Gelet op het gestelde in de brief van de gemachtigde van eiseres van 31 januari 2013, moet het ervoor worden gehouden dat eerst op 24 januari 2013 kennis is genomen van het besluit van 3 september 2012. Dit betekent dat het besluit geacht moet worden (eerst) op 23 januari 2013, derhalve hangende het op 13 december 2012 ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, te zijn bekendgemaakt.

10. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiseres nog een afzonderlijk belang, als bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb, heeft bij een beoordeling van het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, aangezien hangende de beroepsprocedure alsnog een reëel besluit bekend is gemaakt. Daarbij is in aanmerking genomen dat volgens vaste jurisprudentie de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding vormt om tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is derhalve niet-ontvankelijk wegens het vervallen van het procesbelang.

11. Nu het alsnog nemen van een uitdrukkelijk besluit hangende de procedure tegen het uitblijven van een tijdig besluit moet worden aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb, bestaat er wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 121,75 (één punt voor het indienen van beroepschrift met een waarde per punt van € 487,00 met wegingsfactor 0,25, omdat het bij dit beroep uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit).

12. Nu uit de brief van 21 maart 2013 kan worden afgeleid dat met het besluit van 3 september 2012 niet (geheel) aan het beroep is tegemoetgekomen, volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op dit besluit.

13. Met betrekking tot het besluit van 3 september 2012 is (enkel) in geschil of verweerder daarbij ten onrechte heeft nagelaten vast te stellen dat hij een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres.

14. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.

Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

15. Artikel 4:17 van de Awb is opgenomen in paragraaf 4.1.3.2 van deze wet. Uit het bepaalde in artikel 7:14 van de Awb vloeit voort dat artikel 4:17 van de Awb ook van toepassing is op een beslissing in bezwaar.

16. Ingevolge artikel IIB van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen (hierna: Wet dwangsom), voor zover hier van belang, vindt paragraaf 4.1.3.2. van de Awb gedurende drie jaren na 1 oktober 2009 geen toepassing ten aanzien van beschikkingen, genomen op grond van het Soeverein Besluit van 12 december 1813 en ten aanzien van beslissingen op bezwaar, gemaakt tegen zodanige beschikkingen.

17. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 3 september 2012 eerst op de datum van bekendmaking, derhalve, zoals in overweging 9 is overwogen, op 23 januari 2013, geacht kan worden te zijn gegeven. De bepalingen over de termijnen waarbinnen het bestuursorgaan een besluit dient te nemen, strekken er immers (mede) toe te waarborgen dat belanghebbenden binnen de in het desbetreffende geval geldende termijn worden geïnformeerd over de besluitvorming, en bij voorkeur over de inhoud daarvan. Nu deze datum is gelegen na de in artikel IIB van de Wet dwangsom genoemde termijn, is afdeling 4.1.3.2 van de Awb onverkort van toepassing.

18. Nu de brief van 20 november 2012 (ook) als een ingebrekestelling kan worden beschouwd, leidt het vorenstaande tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten vast te stellen dat hij een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Het beroep tegen het besluit van 3 september 2012 is daarom gegrond. Dit besluit dient, voor zover bestreden, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Beoordeling van de door eiseres opgeworpen stelling dat het besluit van 3 september 2012 niet zijn grondslag vindt in het Soeverein Besluit en artikel IIB van de Wet dwangsom reeds hierom niet van toepassing is, kan daarom achterwege blijven.

19. De rechtbank zal in het kader van finale geschillenbeslechting zelf in de zaak voorzien, in die zin dat zij zelf de verbeurde dwangsom zal vaststellen. De eerste verbeurtedag na de ingebrekestelling van 20 november 2012 is 11 december 2012. De beslissing op bezwaar is (44 dagen later) op 23 januari 2013 bekendgemaakt. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt verweerder derhalve de maximale dwangsom ad € 1.260,00.

20. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met het beroep tegen het besluit van 3 september 2012 redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Een redelijke uitleg van het Bpb brengt met zich dat ter zake één punt met een waarde van € 487,00 wordt toegekend. Het gewicht van de zaak wordt gelet op de aard en de inhoud van het geschil bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

21. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, volgt uit artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder ook het ter zake betaalde griffierecht zal dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, aan de zijde van eiseres begroot op € 121,75 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 september 2012 gegrond en vernietigt dit besluit, voor zover bestreden;

- bepaalt dat verweerder een dwangsom ter hoogte van € 1.260,00 aan eiseres heeft verbeurd;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde (deel van het) besluit van 3 september 2012;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep tegen laatstgenoemd besluit, aan de zijde van eiseres begroot op € 487,00 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres;

- gelast dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierrecht (ad € 156,00) volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2014.

w.g. T.M. Horsten-Kuijpers w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 2 december 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.