Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14763

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
AWB 14/14935
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag voor een vergunning vanwege schrijnendheid terecht afgewezen. Verweerder heeft de individuele omstandigheden gewogen en onvoldoende onderscheidend mogen vinden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000, geldigheid: 2014-12-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/14935

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, met als doel “overige humanitaire redenen” afgewezen omdat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

Bij besluit van 2 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten

Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1976. Eiser is 17 oktober 1999 Nederland ingereisd.

Eiser heeft op 18 oktober 1999 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 15 maart 2000 is zijn aanvraag om toelating als vluchteling afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. Wel is eiser bij dit besluit in aanmerking gebracht voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf met ingang van 17 oktober 1999 tot 17 oktober 2000 in verband met de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan. Deze vergunning is uiteindelijk verlengd tot 17 oktober 2002.

Op 12 september 2002 heeft eiser, na beëindiging van categoriale beschermingsbeleid voor Afghanistan, een tweede asielaanvraag ingediend. Ook deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 12 september 2004. Het daartegen gerichte beroep is ongegrond verklaard en het daartegen gerichte hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard.

Vervolgens heeft eiser op 14 november 2005 een derde asielaanvraag ingediend.

Hangende deze procedure is aan eiser het aanbod gedaan voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (Ranov, ook wel (generaal) pardonregeling genoemd). Om in aanmerking te komen voor een dergelijke vergunning diende eiser, zoals de Regeling vereiste, alle lopende procedures in te trekken. Bij brief van 27 april 2008 heeft eiser door tussenkomst van zijn advocaat laten weten geen gebruik te maken van het aanbod en zijn asielverzoek niet in te trekken. Op 18 september 2008 is vanuit verweerder aan eisers toenmalige advocaat nogmaals gevraagd of het niet verstandiger is om wel op het aanbod in te gaan omdat de kans op een succesvolle asielprocedure kleiner is en de Ranov-vergunning een zekerheid is. Ook toen is namens eiser volhard in de weigering om op het aanbod in te gaan.

2. Eisers derde asielaanvraag is bij besluit van 29 mei 2009 afgewezen en ook deze afwijzing is tot in hoger beroep bevestigd.

3. Op 16 april 2012 heeft eiser een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek wegens gezondheidsredenen op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze aanvraag is afgewezen en de afwijzing is tot in hoger beroep bevestigd.

4. Op 1 augustus 2013 heeft eiser de aanvraag op grond van schrijnende omstandigheden ingediend die ten grondslag ligt aan het beroep waarop de rechtbank in deze uitspraak zal beslissen. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij volledig ingeburgerd is en over een uitgebreid sociaal netwerk beschikt. Hij heeft een opleiding gevolgd en gedurende één jaar gewerkt. Eiser heeft verder gewezen op zijn psychische klachten en hij stelt dat hij als gevolg van onjuiste advisering geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod aan hem een pardonvergunning te verlenen. Eiser stelt dat hem is voorgehouden dat gezinshereniging met een pardonvergunning niet mogelijk zou zijn. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag bewijsstukken overgelegd waaronder een diploma reiniging rollend materieel, een verklaring van zijn voormalig werkgever, diverse steunverklaringen en handtekeningen.

5. Verweerder heeft bij besluit van 21 januari 2014 de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder heeft verder uiteengezet dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om hem vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verweerder concludeert, onder verwijzing naar de procedure rondom de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, dat de medische omstandigheden geen aanleiding vormen om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste en dat er verder geen beletselen zijn als bedoeld in artikel 8 EVRM. Verder heeft verweerder in het besluit uitvoerig gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om eiser op grond van artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) (de zgn. hardheidsclausule) vrij te stellen van het mvv-vereiste. In samenvattende zin heeft verweerder hierover geconcludeerd dat de combinatie van gronden die eiser aanvoert onvoldoende zijn om te oordelen dat sprake is van een bijzondere situatie. Volgens verweerder is eiser weliswaar drie jaar in het bezit geweest van een verblijfsvergunning, en heeft hij ruim dertien jaar in Nederland verbleven en is sprake van integratie in de Nederlandse samenleving, maar voor een groot deel is dit voortgekomen uit het feit dat eiser, nadat zijn verblijfsvergunning niet werd verlengd, in Nederland is gebleven en nieuwe verblijfsprocedures is gestart die niet tot verblijf hebben geleid. Hiermee kon eiser rekening houden. Ook de gevolgen om niet in te gaan op het aanbod voor een pardonvergunning komt volgens verweerder voor eisers eigen rekening. Eisers medische problemen zijn weliswaar ernstig, maar niet zodanig ernstig dat vertrek zeer moeilijk te realiseren is.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.

7. Eiser voert in beroep aan dat op korte termijn een second opinion zal worden uitgevoerd met betrekking tot de medische omstandigheden van eiser. Eiser voert verder aan dat hij ten onrechte in bezwaar niet is gehoord. Eiser is van mening dat verweerder dient te motiveren waarom het aanhoudende ziektebeeld van eiser geen aanleiding vormt de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. Verder is eiser van mening dat verweerder dient te motiveren waarom de gang van zaken rondom de pardonvergunning aanleiding zou kunnen zijn de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen.

8. De rechtbank stelt voorop dat de al in bezwaar door eiser aangekondigde second is uitgebleven. Ter zitting is namens eiser naar voren gebracht dat deze er ook niet meer gaat komen vanwege financiële redenen. Dit betekent dat de rechtbank bij haar beoordeling dan uit dient te gaan van de juistheid van de stellingen van verweerder omtrent eisers gezondheidstoestand omdat de juistheid verder ook niet door eiser wordt betwist. Dit betekent dat verweerder in de door eiser aangevoerde medische redenen terecht geen aanleiding heeft gezien om eiser op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 vrij te stellen van het mvv-vereiste.

9. Ter zitting is verder desgevraagd gebleken dat eiser geen beroep doet op het door artikel 8 EVRM beschermde recht op privé-leven.

10. Ter zitting heeft eiser zijn beroepsgronden toegelicht en aangevoerd dat hij meent dat verweerder ten onrechte de door hem aangevoerde omstandigheden ieder voor zich heeft beschouwd, maar niet in onderlinge samenhang. Volgens eiser hadden de omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, wel aanleiding moeten zijn om hem op grond van de hardheidsclausule vrij te stellen van het mvv-vereiste. Volgens eiser heeft verweerder dit onvoldoende gemotiveerd.

11. De rechtbank stelt voorop dat zij verweerders weigering om toepassing te geven aan artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000 terughoudend dient te toetsen en dat de rechtbank niet daarvoor haar eigen oordeel in de plaats mag stellen. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de weigering eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

12. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet buiten de grenzen van de hem toekomende bevoegdheid getreden door eisers aanvraag af te wijzen wegens het ontbreken van een mvv. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder geen oog heeft gehad voor eisers omstandigheden zowel individueel als in onderlinge samenhang bezien. Verweerder maakt in zijn (primaire) besluit namelijk uitdrukkelijk melding van de ‘combinatie van gronden’, zoals door eiser aangevoerd. Verweerder heeft bij zijn afwijzende oordeel mogen betrekken dat eisers situatie in essentie die is van een (meermaals) uitgeprocedeerde asielzoeker die, ondanks de herhaaldelijke afwijzingen, zijn verblijf heeft voortgezet. Verweerder had voor deze groep, voor zover die onder de werking van de oude vreemdelingenwet Nederland was binnengekomen, voorzien in de hiervoor al aangehaalde pardonregeling. Ook eiser behoorde tot de doelgroep van deze pardonregeling en had de mogelijkheid zijn verblijf in Nederland (blijvend) te legaliseren. Het is, met de wetenschap van nu, uiteraard bijzonder pijnlijk dat eiser destijds dit aanbod heeft afgeslagen. In zijn oordeelsvorming heeft verweerder dit evenwel niet ten voordele van eiser hoeven te wegen. Duidelijk is dat verweerder terzake geen enkel verwijt kan worden gemaakt, integendeel, verweerder heeft destijds nog actief aangedrongen op aanvaarding door eiser van de pardonvergunning. Eisers niet onderbouwde stellingen dat hij verkeerd geïnformeerd zou zijn door zijn toenmalige gemachtigde hebben verweerder niet tot een ander oordeel hoeven te brengen. Voor zover eiser zou menen dat er geen beletsel hoeft te zijn om hem nu vergelijkbaar aanbod te doen, heeft verweerder ter zitting er terecht op gewezen dat deze pardonregeling is beëindigd en dat een van de voorwaarden van deze pardonregeling was dat alle lopende aanvragen en procedures beëindigd zouden worden. Dit heeft eiser destijds niet gedaan.

13. De ter zitting aangevoerde omstandigheid dat contact is gelegd met de burgemeester van ’s-Hertogenbosch kan de rechtbank niet in haar oordeelvorming betrekken hetgeen overigens ook geldt voor de vele handtekeningen die eiser heeft ingezameld. In juridische zin kan daaraan geen betekenis worden gehecht. Eiser zelf heeft ter zitting nog gewezen op een krantenknipsel waarin gesproken wordt over het lot van uitgeprocedeerde asielzoekers in Afghanistan. Ook daaraan kan de rechtbank in deze procedure geen betekenis aan toe kennen. Het betreft asielgerelateerde aspecten die niet in een procedure als deze thuis horen. Eiser heeft bovendien al driemaal een asielprocedure vergeefs doorlopen.

14. Gelet op de uitvoerige motivering van het besluit van 21 januari 2014 en hetgeen eiser in bezwaar tegen dat besluit heeft aangevoerd, was er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder heeft dus van het horen van eiser in bezwaar kunnen afzien.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van

drs. W. Smeding, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2014

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.