Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1474

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
C-09-442762 - HA ZA 13-0551
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conflicten door en over beëindiging franchiseovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel, zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/442762 / HA ZA 13-0551

Vonnis van 5 februari 2014

in de zaak van:

de heer [A], destijds handelend onder de naam Olympia Uitzendbureau,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. J.P. Heering te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap OLYMPIA NEDERLAND BV,

gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. D.H. Lodder te Rotterdam.

De rechtbank zal de twee procespartijen hierna kortheidshalve [A] en Olympia noemen.

De procedure in conventie en in reconventie

1.1 De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de hierna volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 3 mei 2013 tegen de eerste rolzitting van 15 mei 2013, met de producties 1 t/m 6 van [A];

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 24 juli 2013, met de producties 1 t/m 12 van Olympia;

  • -

    het comparitievonnis van 7 augustus 2013 en de beschikking van 6 september 2013 van de rechtbank;

  • -

    de op 15 oktober 2013 ter griffie ontvangen conclusie van antwoord in reconventie, met feitelijk ook een nadere conclusie in conventie en de producties 7 t/m 13 van [A];

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 29 oktober 2013 met de daaraan gehechte brief van 8 november 2013 namens de advocaat van Olympia.

1.2 Ter zitting van 29 oktober 2013 is vonnis bepaald. Om organisatorische redenen is de vonnisdatum nader bepaald op vandaag, 5 februari 2014.

De door de rechtbank vastgestelde feiten in conventie en in reconventie

2.1 Olympia exploiteert in Nederland een uitzendorganisatie met een eigen Olympia franchiseformule. Zelfstandige ondernemers mogen daardoor als franchisenemers op basis van met franchisegever Olympia gesloten franchiseovereenkomsten volgens standaardmodel voor eigen risico en rekening in een exclusief Olympia rayon een Olympia uitzendbureau met Olympia merktekens volgens de Olympia franchise formule exploiteren.

2.2 Bij franchiseovereenkomst van 30 december 2004 heeft de rechtsvoorgangster van Olympia aan [A] het recht verleend om in de door die rechtsvoorgangster van Olympia aan [A] (onder)verhuurde kantoorruimte aan de Kerkstraat 55 te Leerdam als zelfstandig ondernemer met ingang van 1 januari 2005 op exclusieve basis een Olympia uitzendbureau te exploiteren in het rayon Leerdam en omstreken. De franchiseovereenkomst is opgemaakt volgens het toenmalige standaardmodel van de Olympia groep en telt inclusief bijbehorende (onder)verhuurovereenkomst 33 bladzijden met over en weer vele overeengekomen rechten en verplichtingen. In artikel 21 daarvan is bepaald dat de franchiseovereenkomst op de met [A] overeengekomen einddatum 14 juni 2013 van rechtswege zal eindigen, tenzij (samengevat) beide partijen voordien een verlenging daarvan overeen zullen komen. Samengevat bepaalt die standaard franchiseovereenkomst van Olympia van 30 december 2004 met [A] in artikel 23 ook en onder meer dat op de einddatum van in beginsel 14 juni 2013 van rechtswege ook de (onder)verhuurovereenkomst zal eindigen en dat bij beëindiging van de franchiseovereenkomst de franchisenemer [A] jegens de franchisegever Olympia geen aanspraak zal kunnen maken op vergoeding van immateriële schade en/of goodwill. In artikel 25 is bepaald op welke wijze en onder welke voorwaarden [A] zijn franchiserechten met instemming van Olympia aan een derde kan overdragen.

2.3 Na de start van zijn eerste Olympia uitzendbureau aan de Kerkstraat 55 te Leerdam in 2005 heeft [A] in 2007 in zijn rayon Leerdam en omstreken met toestemming van Olympia een tweede Olympia uitzendbureau geopend aan de Voorstraat 19 te Vianen. Deze kantoorruimte te Vianen is door [A] met financiering door zijn huisbank aangekocht, door eigenaar [A] vervolgens aan Olympia verhuurd en door Olympia weer aan [A] onderverhuurd. In 2010 is [A] vervolgens een derde Olympia uitzendbureau in zijn rayon gaan exploiteren omdat Olympia’s national account FrieslandCampina in 2009 na een reorganisatie haar Nederlandse kaasverpakkingsactiviteiten in Leerdam had geconcentreerd. Dat derde Olympia vestigingspunt van [A] vanaf 2010 was inhouse gevestigd op het terrein van FrieslandCampina aan de Handelsstraat 11 te Leerdam.

2.4 In mei en juni 2011 heeft [A] met Olympia en met de heer [B] (een toen relatief nieuwe Olympia franchisenemer in een aan Leerdam grenzend rayon) gesproken over een eventuele overdracht van de Olympia franchiserechten van [A] in zijn rayon Leerdam met inmiddels drie vestigingspunten aan deze [B], ook omdat [A] graag een Olympia uitzendbureau dichter bij zijn woonplaats [woonplaats] zou willen gaan exploiteren. In een e-mail van 26 mei 2011 beargumenteert [A] zijn vraagprijs aan [B] van (naar de rechtbank begrijpt exclusief de eigendom van de kantoorruimte in Vianen) € 1 miljoen in totaal. Olympia heeft bij e-mail van 7 juni 2011 echter vooralsnog niet ingestemd met verkoop van de franchiserechten van [A] aan [B] in het Olympia rayon Leerdam.

2.5 In oktober en/of november 2011 heeft [A] met een directeur van Olympia opnieuw gesproken over een verkoop van zijn franchiserechten, ditmaal aan Olympia zelf en met een vraagprijs van inclusief de eigendom van de kantoorruime in Vianen in totaal
€ 1,5 miljoen. Die vraagprijs van [A] vond Olympia veel te hoog.

2.6 Bij brief van 16 februari 2012 heeft Olympia aan [A] de inhoud van een op 26 januari 2012 gevoerd gesprek bevestigd. Samengevat heeft Olympia in dat gesprek en in die brief meerdere specifieke zorgen geuit over de stand van zaken rondom de drie Olympia vestigingen van [A] in het rayon Leerdam en aan [A] bericht dat zij daarom vooralsnog niet van plan is om de franchiseovereenkomst met [A] na de einddatum van 14 juni 2013 te verlengen. In de brief is voorts een aantal afspraken bevestigd over de in de periode tot juni 2012 te nemen concrete stappen (waaronder een viertal nadere analyses door Olympia), opdat Olympia vóór juni 2012 en dus ruim een jaar vóór de einddatum van de overeenkomst als goed franchisegever een definitief en goed gemotiveerd besluit over beëindiging of verlenging per 14 juni 2013 zou kunnen nemen.

2.7 In april 2012 heeft Olympia aan al haar franchisenemers een nieuw standaardmodel franchiseovereenkomst aangeboden ter vervanging van het geldende oudere model. Ook aan [A] is aldus een nieuwe vervangende standaard franchiseovereenkomst per 1 april 2012 voor zijn Olympia rayon Leerdam aangeboden met als einddatum van rechtswege 14 juni 2013 tenzij partijen verlenging zouden overeenkomen, maar met anders dan voorheen (zie bij 2.2) samengevat 46 bladzijden met vele extra rechten en verplichtingen over en weer, waaronder voor zover in deze procedure van belang in artikel 26 daarvan onder een aantal beperkende voorwaarden een door Olympia aan een franchisenemer bij het einde van de overeenkomst te betalen vergoeding voor de eventuele reële economische restwaarde te berekenen volgens de DCF-methode (de discounted cash flow methode, de contante waarde van de toekomstige kasstromen). [A] heeft deze vervangende franchiseovereenkomst met Olympia per 1 april 2012 tot in beginsel 14 juni 2013 voor het rayon Leerdam om diverse hem moverende redenen niet willen ondertekenen.

2.8 Na het uitvoeren van de afgesproken vier concrete analyses (zie hiervoor bij 2.6) heeft Olympia op 24 mei 2012 telefonisch en per e-mail aan [A] bij wijze van vooraankondiging gemeld dat en waarom zij heeft besloten om de franchiseovereenkomst met [A] per de einddatum 14 juni 2013 niet te verlengen. Bij brief van 31 mei 2012 heeft Olympia dit formeel aan [A] bevestigd, met bijgesloten ter onderbouwing de negatieve resultaten van de vier analyses over de stand van zaken rondom de drie Olympia vestigingen van [A] in het Olympia rayon Leerdam van in totaal 10 bladzijden.

2.9 Bij brief van 19 juli 2012 heeft de door [A] vervolgens ingeschakelde advocaat bij Olympia samengevat geprotesteerd tegen de opzegging van de franchiseovereenkomst en Olympia op voorhand aansprakelijk gesteld voor de schade die [A] zal leiden ingeval van onverhoopt niet alsnog verlengen van de franchiseovereenkomst en de daarmee samenhangende onderverhuurovereenkomst(en). Zoals al in juli 2012 afgesproken heeft vervolgens in september 2012 na de vakantie van [A] een gesprek plaatsgevonden tussen [A] en een directeur van Olympia, gevolgd door meer gesprekken.

2.10 Bij brief van 1 november 2012 heeft Olympia vervolgens aan de advocaat van [A] een gesprek met [A] van 26 oktober 2012 bevestigd, waarin is afgesproken dat samengevat de opzegging in de brief van 31 mei 2012 gehandhaafd blijft maar [A] de mogelijkheid krijgt om vóór 23 november 2013 een goed assessment bij LTP af te leggen, alsnog een goed businessplan 2013-2018 te maken en dat op 4 december overtuigend te presenteren aan het management team van Olympia, waarna Olympia vóór 1 januari 2013 gemotiveerd zal beoordelen en besluiten of dit verbetertraject zal leiden tot alsnog het aanbieden van een verlenging van de franchiseovereenkomst met [A] of tot handhaving van de beëindiging daarvan per 14 juni 2013 zoals al bevestigd in de brief van 31 mei 2012.

2.11 [A] heeft vervolgens een assessment bij LTP ondergaan en een businessplan 2014-2018 gemaakt en aan Olympia verzonden. De afspraak voor de presentatie daarvan op 4 december 2012 aan het management team heeft [A] afgezegd wegens een operatie aan zijn enkel op 29 november 2012. Daarna heeft de advocaat van [A] bij brief van 7 december 2012 aan Olympia samengevat bericht dat en waarom [A] vooralsnog niets voelde voor alsnog een presentatie aan het management team en dat Olympia op basis van het assessment en businessplan vóór 1 januari 2013 voldoende kon beoordelen en besluiten om de franchiseovereenkomst met [A] wel of niet te verlengen.

2.12 Bij e-mail van 20 december 2012 heeft de algemeen directeur van Olympia tenslotte aan [A] en zijn advocaat bericht dat en waarom Olympia bij deze stand van zaken geen andere oplossing ziet dan haar beslissing van 31 mei 2012 te handhaven om de franchiseovereenkomst niet te verlengen per 14 juni 2013, met onder meer in die e-mail de mededeling graag verneem ik van jou een voorstel omtrent de verkoop van je vestiging en met als bijlage samengevat een door het management team opgestelde, gemotiveerde negatieve beoordeling van het door [A] gemaakte businessplan 2013-2018.

2.13 Bij dagvaarding van 3 mei 2013 heeft de advocaat van [A] vervolgens Olympia doen dagvaarden in deze civiele bodemprocedure. Daarna heeft [A] op 14 juni 2013 de door hem sinds 1 januari 2005 gehuurde Olympia vestiging aan de Kerkstraat 55 te Leerdam leeg en ontruimd aan zijn (voormalige) verhuurder Olympia ter beschikking gesteld en zijn tweede Olympia vestiging sinds 2007 aan de Voorstraat 19 te Vianen van alle Olympia merktekens ontdaan. Die kantoorruimte van [A] in Vianen staat sindsdien te koop voor een vraagprijs van [A] en/of van diens financierende huisbank van € 500.000,-. De derde vroegere Olympia vestiging van [A] sinds 2010 bij FrieslandCampina inhouse te Leerdam was kort na Pasen 2013 al gesloten, omdat FrieslandCampina toen had besloten om geen national account van Olympia meer te willen zijn en vooralsnog met een andere uitzendorganisatie dan Olympia zaken te willen gaan doen. Per eind juni of begin juli 2013 heeft Olympia vervolgens een nieuwe franchiseovereenkomst gesloten met haar hiervoor bij 2.4 al genoemde franchisenemer [B] voor het rayon Leerdam en omstreken vanuit de op 14 juni 2013 door [A] ontruimde Olympia vestiging aan de Kerkstraat 55 te Leerdam.

De te beoordelen vorderingen van partijen in conventie en in reconventie

3.1 [A] vordert in conventie dat de rechtbank Olympia samengevat op grond van onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking zal veroordelen om aan [A] te vergoeden de door deze geleden schade als gevolg van het beëindigen van het franchisecontract welke schade nader op zal worden gemaakt bij staat, althans in ieder geval in voorschot hierop € 1.132.504,=, met de gebruikelijke nevenvorderingen. Olympia voert daartegen gemotiveerd verweer, dat hierna aan de orde komt.

3.2 Olympia vordert in reconventie dat de rechtbank [A] samengevat wegens openstaande facturen zal veroordelen om aan Olympia te betalen € 18.311,89 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente per vervaldatum van de respectievelijke factuur en met de overigens gebruikelijke nevenvorderingen. [A] voert daartegen gemotiveerd verweer, dat hierna aan de orde komt.

De beoordeling door de rechtbank in conventie

4.1 De rechtbank stelt voorop dat franchiseovereenkomsten tot dusver door de Nederlandse wetgever niet zijn aangemerkt als benoemde overeenkomsten waarvoor in Boek 7 BW bijzondere wettelijke beschermingsregels zouden moeten gelden. Derhalve gelden voor franchiseovereenkomsten in Nederland slechts de wettelijke regels uit het algemene overeenkomstenrecht in Boek 6 BW. Ook recent nog is in de literatuur bepleit1 om in navolging van meerdere buitenlandse rechtsstelsels en in navolging van bijvoorbeeld het Nederlandse arbeidsrecht en agentuurrecht ook aan een Nederlandse franchisenemer meer bijzondere wettelijke bescherming te bieden, zulks gelet op de in de praktijk meestal ongelijkwaardige positie van kleine franchisenemers ten opzichte van grote franchisegevers. De Nederlandse wetgever heeft aan die pleidooien uit de literatuur en de rechtspraktijk tot dusver echter geen gevolgen verbonden.

4.2 [A] baseert zijn vorderingen tot schadevergoeding zakelijk samengevat primair op onrechtmatige daad van Olympia, die volgens [A] bestaat uit het te abrupt en/of op onheuse wijze beëindigen van de franchiseovereenkomst met [A] per 14 juni 2013 zonder daarbij een billijke vergoeding te willen betalen aan [A] voor al zijn jarenlange inspanningen en opgebouwde financiële goodwill voor Olympia in het rayon Leerdam en omstreken. Evenals Olympia in haar kernverweer moet de rechtbank echter constateren dat bij gebreke van de hiervoor bij 4.2 genoemde bijzondere wettelijke beschermingsregels voor franchisenemers en bij gebreke van een tussen [A] en Olympia overeengekomen contractueel recht op een beëindigingvergoeding een dergelijke gestelde maar betwiste onrechtmatige daad van Olympia jegens [A] niet voor de hand ligt.

4.3 Gelet op de hiervoor bij 2.2 door de rechtbank vermelde inhoud van de artikelen 21, 23 en 25 van de tussen [A] en Olympia geldende franchiseovereenkomst van 30 december 2004 en gelet op de inhoud van de daarna door de rechtbank bij 2.3 en verder vastgestelde feiten, ligt de door [A] primair gestelde maar door Olympia betwiste onrechtmatige daad nog minder voor de hand. Olympia had immers van de zelfstandig ondernemer [A] nu eenmaal contractueel bedongen dat de franchiseovereenkomst van rechtswege op 14 juni 2013 zonder vergoeding van goodwill zou eindigen en dat het primair aan [A] was om voordien zelf een goede koper voor een goede koopprijs te vinden die de instemming van Olympia had, tenzij Olympia en [A] vóór de einddatum van 14 juni 2013 nog een verlenging van de franchiseovereenkomst overeen zouden kunnen komen.

4.4 Het door [A] benadrukte feit dat Olympia hem per 1 april 2012 een nieuwe, althans een vervangende franchiseovereenkomst heeft aangeboden waarin onder meerdere voorwaarden wel een contractueel recht op een beëindigingvergoeding is opgenomen volgens de DCF-methode zoals hiervoor vastgesteld bij 2.7, maakt dat niet anders. [A] heeft er immers zelf voor gekozen om die vervangende overeenkomst niet te accepteren, waardoor de voor de franchisenemers ten opzichte van de oude standaard contracten gunstiger regeling van een beëindigingsvergoeding volgens de DCF-methode nu eenmaal niet op de contractuele relatie tussen [A] en Olympia van toepassing is geworden. Die eigen keuze komt voor ondernemersrisico en rekening van zelfstandig ondernemer [A].

4.5 Ook voor eigen risico en rekening van [A] komt naar het oordeel van de rechtbank dat [A] de hem door Olympia - contractueel onverplicht - geboden kans om eind 2012 alsnog een verlenging van de franchiseovereenkomst na 14 juni 2012 te bewerkstelligen via de drie stappen van het overeengekomen verbetertraject niet heeft gegrepen. Essentieel onderdeel daarvan was immers ook een presentatie van zijn businessplan aan het management team van Olympia, te meer omdat de schriftelijke visie 2013-2018 van [A] als onvoldoende was beoordeeld en het assessment bij LTP ook niet bijzonder positief was geweest. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat Olympia niet had willen meewerken aan verplaatsing van de afgesproken presentatiedatum door [A] wegens de hiervoor bij 2.11 beschreven operatie van [A]. Met de brief van zijn advocaat van 7 december 2012 heeft [A] derhalve in feite zelf de deur bij Olympia dicht gedaan, hetgeen wordt bevestigd door de inhoud van de daaropvolgende e-mail van de directie van Olympia van 20 december 2012 met naar behoren gemotiveerde bijlagen.

4.6 Ook de terloopse opmerking in die e-mail van 20 december 2012 graag verneem ik van jou een voorstel omtrent de verkoop van je vestiging kan zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet leiden tot het oordeel dat Olympia jegens [A] onrechtmatig heeft gehandeld of ten koste van [A] ongerechtvaardigd is verrijkt. De twee contractspartijen waren als zelfstandig ondernemers immers in de artikelen 23 en 25 van de tussen hen geldende standaard franchiseovereenkomst overeengekomen dat [A] jegens Olympia geen contractueel recht had op een beëindigingsvergoeding wegens opgebouwde goodwill en dat het aan [A] zelf was om een goede koper voor een goede verkoopprijs te vinden die aan de voorwaarden van Olympia zou voldoen. Voor ondernemersrisico van [A] komt dat hij die koper kennelijk niet heeft kunnen of willen vinden. Dat initiatief lag contractueel niet bij Olympia en met de hiervoor geciteerde terloopse, op meerdere manieren uit te leggen mededeling bedoelde de directie van Olympia klaarblijkelijk ook aan [A] duidelijk te maken dat het initiatief bij [A] lag. Om soortgelijke redenen kunnen ook de door [A] ter zitting gestelde maar door Olympia betwiste omstandigheden - indien bewezen – dat [A] in 2005 € 200.000,- zou hebben betaald voor zijn eerste Olympia vestiging in Leerdam en dat Olympia hem toen verzekerd zou hebben dat een eventuele toekomstige verkoop keurig en chique als gentlemen agreement zou worden afgewikkeld, niet tot een voor [A] gunstiger oordeel leiden.

4.7 Tenslotte verliest [A] bij zijn betogen uit het oog dat hij in deze procedure in eerste aanleg onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat en waarom zijn voormalige drie vestigingen per de relevante beëindigingsdatum 14 juni 2013 voor Olympia en zijn opvolger [B] nog een relevante economische waarde hadden, temeer omdat en nadat Olympia in haar schriftelijke conclusie van 24 juli 2013 gemotiveerd had onderbouwd dat die drie vestigingen gelet op onder meer de hiervoor door de rechtbank bij 2.13 vastgestelde feiten op die relevante peildatum voor Olympia niets meer waard waren waardoor [B] geen goodwill aan Olympia heeft betaald. Van onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking van Olympia kan onder deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake zijn. Dat zo’n twee jaar eerder nog informatief en vrijblijvend werd gesproken over forse verkoopprijzen (zie nader bij 2.4 en 2.5) doet daaraan niet af.

4.8 Overige feiten of omstandigheden die in conventie nog tot een voor [A] gunstiger oordeel kunnen leiden, zijn door [A] niet gesteld. Dit brengt de rechtbank tot afwijzing van de vorderingen van [A] in conventie. De overige geschilpunten in conventie kunnen na het voorgaande buiten beoordeling van de rechtbank blijven.

De beoordeling door de rechtbank in reconventie

5.1 De hoofdvordering van Olympia in reconventie van € 18.311,89 wegens openstaande facturen uit hoofde van de franchiseovereenkomst is summier toegelicht met het in productie 14 door Olympia gepresenteerde facturenoverzicht op 1 bladzijde A4. Bij antwoord in reconventie en ter zitting heeft [A] de verschuldigdheid betwist van de op dat overzicht voorkomende maar aan [A] onbekende zes Olympia facturen van na 14 juni 2013. Tegen de verschuldigdheid van de vele overige op dat overzicht van Olympia vermelde facturen heeft [A] geen verweer gevoerd, maar wel heeft [A] zich beroepen op verrekening met zijn beweerde tegenvordering van in totaal € 27.771,- op Olympia die bestaat uit de bij antwoord door [A] summier gestelde zes deelvorderingen. Ter zitting heeft Olympia vervolgens van die zes deelvorderingen van [A] twee deelvorderingen van € 299,99 en € 8.974,- erkend, de overige te verrekenen deelvorderingen betwist en zich zelf ook beroepen op een al eerder bij eis in reconventie aangestipte eigen tegenvordering van in totaal € 2.687,80 voor door FrieslandCampina aan Olympia in rekening gebrachte badges. Die laatste door Olympia al in aftrek gebrachte tegenvordering wegens verrekende badges heeft [A] ter zitting betwist.

5.2 Bij deze processuele stand van zaken zal de rechtbank toewijzen in reconventie aan Olympia ten laste van [A] een hoofdsom van € 4.329,16. Die hoofdsom bestaat uit de door Olympia gevorderde € 18.311,89 minus de bedragen van de zes door [A] betwiste Olympia facturen die dateren na 14 juni 2013. Dat is naar de berekening van de rechtbank nog een resterend saldo van € 16.290,95, echter nog te verminderen met de voornoemde door Olympia erkende twee tegenvorderingen van [A] van € 299,99 en € 8.974,- en met de voornoemde, door Olympia onvoldoende toegelichte en dus vooralsnog ten onrechte in aftrek gebrachte € 2.687,80. Dat alles levert dus per saldo nog € 4.329,16 op. Voor de over en weer meer of anders gevorderde of in verrekening gebrachte deelbedragen heeft te gelden dat partijen al deze betwiste deelbedragen onvoldoende tijdig en onvoldoende concreet hebben onderbouwd, zodat die deelvorderingen in reconventie ook gelet op het bepaalde in wetsartikel 6:136 BW nu bij eindvonnis in eerste aanleg zullen worden afgewezen.

5.3 De gevorderde wettelijke handelsrente per vervaldatum van de respectievelijke factuur is eveneens onvoldoende onderbouwd en gelet op de in voorgaande toegepaste verrekeningen ook inhoudelijk niet toewijsbaar. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke handelsrente over de toewijsbare hoofdsom van per saldo € 4.329,16 daarom alles afwegende toewijzen met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.

De proceskosten in conventie en in reconventie

6.1 Als de in het ongelijk gestelde partij moet [A] de proceskosten van Olympia in conventie betalen. Die proceskostenveroordeling in conventie zal de rechtbank begroten op € 3.715,- betaald griffierecht plus € 6.422,- forfaitair salaris advocaat. Als de in relevante mate in het ongelijk gestelde partij moet [A] ook de kosten van Olympia in reconventie

betalen, die door de rechtbank worden begroot op € 768,- forfaitair salaris advocaat.

6.2 Per saldo moet [A] voor de proceskosten van Olympia derhalve € 10.905,- betalen, nog te vermeerderen met de door Olympia gevorderde forfaitaire bedragen voor de nakosten van de advocaat en de gevorderde wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.

De beslissingen van de rechtbank in conventie en in reconventie

- veroordeelt [A] in reconventie om aan Olympia te betalen een bedrag van per saldo € 4.329,16, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

- veroordeelt [A] om aan Olympia te betalen voor de proceskosten in conventie en in reconventie een bedrag van per saldo € 10.905,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis en te vermeerderen met de forfaitaire nakosten van € 131,- zonder betekening of € 199,- ingeval van betekening van dit vonnis door Olympia aan [A];

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af al hetgeen in conventie en in reconventie meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en openbaar uitgesproken op 5 februari 2014.

1 Zie daartoe nader het recente artikel van Kolenbrander in het Nederlands Juristenblad 2013, bladzijden 2736 t/m 2741 met verdere verwijzingen.