Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14703

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
C-09-476771 - KG ZA 14-1330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding; overheidsaansprakelijkheid, strafrecht, anderbeslag tbv ontnemingsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/476771 / KG ZA 14-1330

Vonnis in kort geding van 21 november 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Cassius Vastgoed B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. R. Zilver te Utrecht,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Cassius’ en ‘de Staat’.

1 Het procesverloop

Cassius heeft de Staat op 10 november 2014 doen dagvaarden om op 19 november 2014 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 21 november 2014 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 19 november 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Cassius is opgericht op 5 april 2004. Destijds was de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Che-Guevero Holding B.V. (hierna ‘Che-Guevero’) haar bestuurder en enig aandeelhouder. De heer [A] (hierna ‘[A]’) op zijn beurt was bestuurder en enig aandeelhouder van Che-Guevero. Met ingang van 13 november 2013 is Che-Guevero gefuseerd met Nadeba Nederland B.V. (hierna ‘Nadeba’). Thans is Nadeba enig aandeelhouder en bestuurder van Cassius en is [A] bestuurder van Nadeba.

2.2.

In 2005 heeft het openbaar ministerie tegen [A] een strafrechtelijke vervolging ingesteld op verdenking van – kort gezegd – witwassen. In het kader van de vervolging heeft het openbaar ministerie op 8 juni 2005 strafvorderlijk conservatoir beslag (ter verbeurdverklaring) gelegd op (onder meer) een vijftal registergoederen (hierna ‘de registergoederen’) in Amsterdam, die in de periode van 14 september 2004 tot en met 22 februari 2005 op naam van Cassius zijn gezet. De gelden waarmee de registergoederen zijn aangekocht zijn afkomstig uit de criminele erfenis van de in 1993 geliquideerde [B] (hierna ‘[B]’), welke erfenis door tussenkomst van de in 2005 geliquideerde advocaat mr. [C] (hierna ‘[C]’) in Nederland zijn geïnvesteerd. Op 2 april 2008 heeft het openbaar ministerie opnieuw (strafvorderlijk conservatoir) beslag laten leggen op de registergoederen.

2.3.

Bij vonnis van 5 januari 2006 heeft de rechtbank Amsterdam [A] veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden en heeft zij de registergoederen verbeurd verklaard. Met betrekking tot de registergoederen is in het vonnis het volgende overwogen:

De wijze waarop de panden in Amsterdam werden gefinancierd is zo afwijkend van wat in de markt gebruikelijk is te achten, dat verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat het betreffende geld van misdrijf afkomstig is. Immers, een zeer groot bedrag werd beschikbaar gesteld zonder dat daar enige zekerheid tegenover werd gesteld en zonder dat afspraken gemaakt werden over terugbetaling. Er is ook niet terugbetaald en de stelling van de verdediging dat binnen korte tijd herfinanciering zou plaatsvinden is niet aannemelijk geworden. Bovendien staan de gedane investeringen in geen enkele verhouding tot de legale inkomsten van verdachte en pasten die ook niet binnen de bedrijfsvoering van Cassius (…).

2.4.

Bij arrest van 13 februari 2008 heeft het Gerechtshof Amsterdam (hierna ‘het hof’) het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en [A] veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden. Daarnaast heeft het hof de verbeurdverklaring van de registergoederen vernietigd en terzake bewaring ten behoeve van de rechthebbende bevolen. Met betrekking tot de registergoederen heeft het hof overwogen dat het niet bewezen acht dat [A] dan wel Cassius de geldbedragen voor de aankoop van de registergoederen voorhanden heeft gehad.

Bij arrest van 28 september 2010 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van het door [A] ingestelde cassatieberoep de gevangenisstraf van [A] verminderd tot zestien maanden en het arrest van het hof voor het overige gehandhaafd.

2.5.

Naast de strafzaak is ook een ontnemingszaak tegen [A] aanhangig gemaakt. Bij arrest van 27 mei 2011 heeft het hof in hoger beroep de ontnemingsmaatregel vastgesteld op € 1.961.515,80. Naar aanleiding van het daartegen door [A] ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad de ontnemingsmaatregel bij arrest van 10 september 2013 en herstelarrest van 18 oktober 2013 de betalingsverplichting van [A] vastgesteld op € 1.956.515,-.

2.6.

Voordat de ontneming onherroepelijk werd heeft het openbaar ministerie op 8 april 2013 op de voet van artikel 103 jo 94 Wetboek van Strafvordering (Sv) het klassieke beslag omgezet in een zogenoemd conservatoir anderbeslag op de voet van 94a lid 3 (oud, sinds 1 juli 2013 artikel 94a lid 4) Sv. Hiertoe is de op 3 april 2013 gedateerde vordering van de officier van justitie, de daarop op 4 april 2013 door de rechter-commissaris gegeven machtiging en het proces-verbaal van beslaglegging d.d. 8 april 2013 bij exploten van 10 april 2013 aan [A], Cassius en Che-Guevero betekend. In de betekende vordering machtiging conservatoir beslag, waarop de machtiging is verleend, staat vermeld dat het beslag onder Cassius is gelegd met het oog op verhaal van de (destijds) nog niet-onherroepelijke ontnemingsvordering op [A].

2.7.

In een door de politie op 2 april 2013 opgesteld proces-verbaal (PV aanvraag machtiging handhaven conservatoir beslag ex art. 94a jo. 103 Wetboek van Strafvordering), waarin onder meer wordt verwezen naar een proces-verbaal van 18 november 2005, staat – kort gezegd –vermeld dat de registergoederen na bemiddeling door [C] zijn aangekocht met gelden uit de criminele nalatenschap van [B] en dat de registergoederen ten behoeve van [A] op naam van Cassius zijn gesteld. Dit proces-verbaal vermeldt voorts dat [A] in 2013 nog steeds over de registergoederen kan beschikken en dat hij volgens de Gemeentelijke Basis Administratie op het adres van een van de registergoederen staat ingeschreven.

2.8.

Bij kennisgeving van 14 februari 2014 heeft de officier van justitie medegedeeld dat de ontnemingsmaatregel ten uitvoer gelegd zal worden door verhaal op de beslagen voorwerpen, waaronder de registergoederen. Deze kennisgeving is bij exploten van 17 februari 2014 en 28 mei 2014 aan [A] en Cassius betekend.

2.9.

De executieveiling van de registergoederen is aangekondigd voor 24 november 2014.

3 Het geschil

3.1.

Cassius vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te bevelen zich te onthouden van executie van de onroerende zaken totdat in rechte vaststaat dat Cassius als rechthebbende van de onroerende zaken moet worden aangemerkt.

3.2.

Daartoe stelt Cassius het volgende. Cassius is rechthebbende van de registergoederen. Tegen haar is nimmer een vervolging ingesteld in verband met witwassen. Aangezien het hof de teruggave van de onroerende zaken heeft gelast en de zaken aan Cassius toebehoren, is de executie van de onroerende zaken in het kader van de aan [A] opgelegde ontnemingsmaatregel onrechtmatig. Ook indien het een anderbeslag betreft is de executie onrechtmatig, aangezien de registergoederen geen wederrechtelijk door [A] verkregen voordeel betreffen en daarom ook geen sprake kan zijn van de in artikel 94a lid 4 Sv vereiste schijnconstructie waarmee dat voordeel zou zijn doorgesluisd. De executie dient dan ook te worden opgeschort totdat in rechte is vastgesteld Cassius rechthebbende is van de registergoederen.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Staat de executie van de aan [A] opgelegde ontnemingsmaatregel ten laste van de op naam van Cassius gestelde registergoederen moet staken.

4.2.

Cassius heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Staat jegens haar onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven.

4.3.

Als meest verstrekkende verweer heeft de Staat aangevoerd dat Cassius in haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard. Met betrekking tot dit verweer wordt als volgt overwogen. Hoewel Cassius, zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, op de voet van artikel 552a Sv bij de Raadkamer had kunnen klagen tegen het conservatoire anderbeslag en zij daarbij al haar bezwaren naar voren had kunnen brengen, staat dat er niet aan in de weg dat Cassius, nu het beslag na het onherroepelijk worden van de aan [A] opgelegde ontnemingsmaatregel is overgegaan in de executoriale fase, op de voet van artikel 574 Sv jo 438 jo 538 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) bij de burgerlijke rechter bezwaar kan maken tegen het verhaal op de registergoederen. Nu Cassius evenwel in strijd met artikel 438 lid 5 Rv heeft verzuimd de geëxecuteerde, [A], mede te dagvaarden, moet Cassius om die reden in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.4.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat indien [A] wel in deze procedure was verschenen (en hij geen zelfstandig verweer had gevoerd), de vordering dan zou moeten worden afgewezen. Het op 8 april 2013 gelegde beslag strekt tot verhaal van de aan [A] opgelegde (inmiddels onherroepelijk geworden) ontnemingsmaatregel. Hierbij is niet zozeer de financiering (waarvan overigens niet ter discussie staat dat deze afkomstig is uit criminele bronnen) van de registergoederen van belang als wel de omstandigheid dat het vermogen van Cassius toegerekend kan worden aan [A]. In dit verband heeft de Staat erop gewezen dat [A] zeggenschap heeft (gehad) over Cassius en over de registergoederen, dat sprake is van een zeer ongebruikelijke wijze van financiering en dat niet is gebleken van bedrijfsactiviteiten die de aanschaf van de registergoederen door Cassius mogelijk maakten. Hiermee is voorshands aannemelijk dat sprake is van de in artikel 94a lid 4 Sv bedoelde schijnconstructie, aangezien er kennelijk geen rechtvaardiging voor bestaat dat de registergoederen in plaats van op naam van [A] op naam van Cassius zijn gesteld, terwijl Cassius door middel van haar bestuurder [A] ervan de hoogte was dat deze constructie verhaal op [A] zou frustreren. Hoewel dat wel op haar weg lag – en nog daargelaten dat zij dit in een beklagprocedure aan de orde had kunnen stellen – heeft Cassius geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou moeten volgen dat geen sprake was van een schijnconstructie als bedoeld in artikel 94a lid 4 Sv. Anders dan Cassius heeft betoogd, is bij het onderhavige verhaalsbeslag niet van belang of [A], dan wel Cassius, met betrekking tot de registergoederen is veroordeeld voor witwassen, en of de registergoederen al dan niet zijn meegeteld in de aan [A] opgelegde ontnemingsmaatregel.

4.5.

Het voorgaande voert tot de conclusie dat Cassius in haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard. Zij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart Cassius niet ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt Cassius in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 608,- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.

WJ