Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14648

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-12-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
09/767193-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Syriëganger.

Dagvaarding partieel nietig + vrijspraak.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 131
Wetboek van Strafrecht 205
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2015/16
NJFS 2015/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767193-13

Datum uitspraak: 1 december 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1 Inleiding

Geïnspireerd door soortgelijke ontwikkelingen in andere Arabische landen kwam in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet tegen het dictatoriale regime van president Assad. Het regime probeerde de roep om hervormingen met geweld de kop in te drukken, maar dit bracht het verzet niet tot zwijgen. In reactie op de gewelddadigheden van het regime begon de oppositie zich aan het eind van het jaar 2011 meer en meer gewapenderhand te verzetten. Wat begon als een vreedzaam protest ontwikkelde zich tot een verschrikkelijke burgeroorlog.

Het aantal doden dat tijdens het conflict in Syrië is gevallen werd begin 2014 al geschat op meer dan 140.000. Ruim tweeëneenhalf miljoen Syriërs vluchtten naar het buitenland. Het aantal ontheemden in Syrië bedraagt ongeveer 6,5 miljoen.

Naar mate de burgeroorlog vorderde werd deze steeds meer “gejihadiseerd”. Jihadistische groepen mengde zich steeds meer en nadrukkelijker in de strijd. Hun doel was niet alleen - misschien niet eens in de eerste plaats – het ten val brengen van het regime van Assad, maar ook – of vooral – de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië. Dat deze strijdgroepen zich daarbij op grote schaal schuldig maakten en maken aan grove mensenrechtenschendingen is een feit van algemene bekendheid. Alle in hun ogen ongelovigen (kuffar) zijn het slachtoffer van extreem geweld.

Aanvankelijk kwamen de jihadistische strijders nog bijna uitsluitend uit Syrië zelf. Al gauw werd het land echter ook een aantrekkelijke bestemming voor niet-Syrische jihadisten. De meesten van hen kwamen uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika, maar ook uit (West-) Europese landen trokken jihadisten naar Syrië om zich bij deze strijdgroepen aan te sluiten. Uit Nederland zijn inmiddels meer dan 160, meestal jeugdige personen, naar Syrië vertrokken om daar deel te nemen aan de jihad.

Tegen deze achtergrond is op 12 april 2013 onder leiding van de officier van justitie van het arrondissementsparket in Den Haag een opsporingsonderzoek onder de naam Context gestart naar aanleiding van het vertrek naar Syrië van een groot aantal jongeren uit het werkgebied van de politie Eenheid Den Haag. In dit onderzoek is verdachte naar voren gekomen. Het vermoeden was ontstaan dat zij door anderen werd geronseld om uit te reizen naar Syrië. Haar telefoonnummer werd getapt en naar aanleiding van het opnemen en uitluisteren van de door verdachte gevoerde telefoongesprekken, werd zij op 18 juni 2013 zelf aangemerkt als verdachte. Zij werd op 17 juli 2013 aangehouden. Op 2 augustus 2013 werd zij weer in vrijheid gesteld. Daarna is zij naar Syrië afgereisd en heeft zich daar gevoegd bij de verdachte [persoon 1], met wie zij eerder op islamitische wijze in het huwelijk was getreden.

Het onderzoek ter terechtzitting tegen verdachte vond plaats op 3, 4 en 17 november 2014. Verdachte was daarbij aanwezig. Zij werd bijgestaan door mr. P.C. Kaiser, advocaat te Den Haag. De officieren van justitie waren mr. N.H. Vogelenzang en mr. H.A.C. Banning. Ter terechtzitting is prof. dr. Edwin Bakker, hoogleraar (contra)terrorisme aan de Universiteit Leiden, als deskundige gehoord.

2 De beschuldigingen, de eis en het verweer

Wat verdachte verweten wordt, is omschreven in de tenlastelegging, welke als bijlage I onderdeel uitmaakt van dit vonnis. De beschuldigingen komen er – kort weergegeven – op neer dat verdachte in de periode van 1 februari 2013 tot en met 17 juli 2013 meerdere personen heeft geworven voor de gewapende (terroristische) strijd (feit 1) en dat zij zich in deze periode heeft schuldig gemaakt aan het in het openbaar opruien tot een terroristisch misdrijf en het verspreiden en ter verspreiding in voorraad hebben van geschriften, afbeeldingen en bestanden waarin wordt opgeruid tot een terroristisch misdrijf (feit 2).

De rechtbank vestigt er de aandacht op dat wat verdachte verweten wordt uitsluitend betrekking heeft op de periode vóór haar vertrek naar Syrië.

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde personen [persoon 2], [persoon 1], [persoon 3] en [persoon 4] – maar niet [persoon 5] en [persoon 6] – heeft geworven voor de gewapende strijd, alsmede de personen [persoon 7] en [persoon 8] (in de tenlastelegging aangeduid als NN-personen). Voorts hebben zij gevorderd dat de rechtbank, behoudens vrijspraak op enkele onderdelen, wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan.1

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank verdachte hiervoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren (met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht). Zij hebben verzocht bij uitspraak de gevangenneming te bevelen.

De raadsman heeft gesteld dat de dagvaarding nietig is voor zover daarin in feit 1 melding wordt gemaakt van “een en/of meerdere andere NN-personen” en in de regel daaronder de woorden “onder meer”. De raadsman van verdachte heeft voorts verzocht verdachte vrij te spreken van alle haar ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.

3 Voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van de in de tenlastelegging onder feit 1 opgenomen zinsnede ‘een en/of meerdere andere NN-personen’, onvoldoende duidelijk is. Blijkens het requisitoir had de steller van de tenlastelegging hiermee niet, zoals de rechtbank dacht, het oog op personen waarvan de identiteit niet bekend was geworden, maar op personen waarvan de identiteit wel bekend was. De naam van één van deze personen is genoemd in de vordering tot inbewaringstelling. Gelet hierop kan niet van verdachte worden verwacht dat zij zich ten aanzien van de betreffende zinsnede op adequate wijze verdedigt. Dit brengt mee dat de dagvaarding ten aanzien van de NN-personen niet voldoet aan de eisen gesteld door artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De dagvaarding zal ten aanzien van dit onderdeel dan ook nietig worden verklaard.

De rechtbank zal de dagvaarding tevens nietig verklaren voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de woorden “onder meer”, aangezien deze zinsnede onvoldoende bepaald is. Het is, gelet op de omvang van het dossier, onduidelijk op welke andere feitelijke handelingen deze woorden betrekking hebben.

De rechtbank verklaart de dagvaarding voor het overige geldig, zodat deze inhoudelijk kan worden beoordeeld.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Vaststaande feiten2

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken.

Verdachte maakte gebruik van het Twitteraccount met de naam [Twitteraccount]3.4 In de periode maart – juni 2013 zijn door verdachte 29 videofilmpjes op dit account geplaatst door in een Twitterbericht een link of hyperlink aan te brengen naar een videobestand op internet, in dit geval YouTube. Door deze link aan te klikken kunnen de volgers of bezoekers van het account de videobestanden bekijken. De 29 filmpjes hadden allemaal betrekking op het islamitisch geloof.

Uit telefoontaps is gebleken dat verdachte in juni 2013 met meerdere vrouwen sprak over het trouwen met een broeder in Syrië. Zo zei verdachte tegen [persoon 3] dat zij gewoon moest trouwen en wegwezen.5 Ook vertelde verdachte aan [persoon 3] dat zij een melding kreeg dat er broeders in Syrië zijn die willen trouwen en dat je daar zonder man niet naartoe kan.6 Verder vroeg verdachte aan [persoon 4] of zij met een broeder uit Syrië wilde trouwen en daarna weg wilde gaan. [persoon 4] antwoordde op de vraag waarom zij niet met een broeder van daar trouwt, dat zij dat niet kan. Daarop zei verdachte dat zij niet accepteert dat [persoon 4] hier blijft.7

Verdachte heeft[persoon 1], met wie zij op 10 juli 2013 voor de islamitische wet is getrouwd, op 1 juli 2013 een chatbericht gestuurd, onder meer inhoudende dat een ieder die niet vecht of goed zorgt voor de familie die een strijder heeft achtergelaten, door Allah gekweld zal worden met een rampspoed. Ook wil zij hem iets prachtigs sturen waardoor twijfel zal weggaan.8

Voort zijn in verdachtes telefoon, die bij haar aanhouding op 17 juli 2013 in beslag is genomen9, twee notities aangetroffen: een bericht gericht aan [persoon 2]10 en een tekst met als titel ‘het voorbereiden van een strijder die op jihad gaat’11.

De getuigenverklaringen

Getuige [persoon 5] heeft verklaard dat zij verdachte, die zich ook wel [bijnaam verdachte 1] en [bijnaam verdachte 2] noemde, via internet kende en dat zij haar in de [moskee] moskee in Zoetermeer heeft ontmoet. [persoon 5] verklaarde dat verdachte het veel over jihad had. Als verdachte een stukje over jihad had gelezen dan ging ze dat gelijk op internet gooien en knippen en plakken. Ook met nieuwe filmpjes van Sharia for Belgium waarbij lezingen werden gehouden, was ze de eerste die het filmpje op Facebook plaatste. De jongere meiden vonden dat interessant. Ook plaatste verdachte berichten over jihad op Facebook. Dit deed zij onder verschillende namen, waaronder [bijnaam verdachte 2]. Als het ging om jihad was verdachte de eerste die wat plaatste.12

Getuige[persoon 9] heeft verklaard dat verdachte onder de naam [Facebookaccount] Facebook gebruikte. Zij verklaarde dat verdachte alles plaatste wat met de islam te maken had, zoals filmpjes, lezingen over de situatie in Syrië. Verdachte plaatste ook wel eens wat over de jihad. [persoon 4] heeft verklaard dat verdachte een tekst heeft geplaatst met als titel “De rol van de strijder”. In de tekst stond wat je als strijder moest doen. Ruim honderd mensen volgden de Facebook site.13

Getuige [persoon 7] heeft verklaard dat verdachte erg met jihad bezig is in deze tijd.14

Volgens de zus van verdachte, getuige [zus verdachte], had verdachte het elke dag over de jihad.15

Getuige [persoon 8] heeft verklaard dat verdachte vond dat het voor iedereen een plicht is om naar Syrië te gaan, omdat daar bepaalde delen door de Sharia worden geregeerd. Verder verklaarde ze dat verdachte best wel een overtuigende uitspraak en manier van praten heeft. Ze klinkt heel overtuigend en mensen luisteren graag naar haar.16

Ook getuige [persoon 3] heeft verklaard dat verdachte zei dat de jihad voor zowel de man als de vrouw verplicht was. Volgens verdachte valt onder jihad zowel het strijden van de man als de taken van de vrouw. Verdachte verdiepte zich veel in de jihad. Zij was alleen maar met Syrië bezig en wilde daar naartoe. [persoon 3] verklaarde dat verdachte helemaal verliefd was op Bin Laden: hij was haar grote voorbeeld.17

4.2

De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft ontkend dat zij het regelmatig over de jihad had.18 Verdachte heeft verklaard dat zij niet radicaal is en dat zij nooit iemand tot een strijd heeft aangespoord.19 Zij heeft verklaard dat de jihad bovendien niet alleen de gewapende strijd inhoudt. Het is een veel breder begrip, het is bijvoorbeeld ook helpen.20

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij meer dan tientallen volgers op Twitter had.21 Zij twitterde over de orthodoxe islam. Zij heeft zich onder andere via Twitter bezig gehouden met het verspreiden van het geloof.22 Zij weet niet of zij allemaal gewelddadige filmpjes op Twitter heeft gezet. Abu Dujana al Khorasani is een Duitser die lezingen geeft. Verdachte weet niet wat voor filmpje het is. Zij heeft geen lezingen van hem gevolgd. Anwar Al Awlaki is een geleerde die lezingen geeft, een broeder. Abu Muhammad Al-Maqdisi is een broeder die zegt dat de niqaab verplicht is. Verdachte verklaarde met betrekking tot een filmpje over Bin Laden: “Het is mijn broeder en hij is moslim. Ik oordeel niet over zijn daden.”.23

Verdachte heeft bevestigd dat zij het filmpje “Daily life of a Mujahid” op Twitter heeft gedeeld, maar dat zij daar verder geen doel mee had.24 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het filmpje niet ging over strijden, maar over hoe de strijders leefden. Verdachte betwist dat zij filmpjes heeft geplaatst die een strijdbare inhoud hebben, omdat de filmpjes gingen over het leven van mensen die jihad pleegden. Er werd niet iets moois gemaakt van de deelname aan de strijd. Ten aanzien van het filmpje waarop executies te zien zijn, verklaarde verdachte dat zij zich dit filmpje ook niet herinnert. Zij kijkt niet naar de beelden. Zij luistert alleen naar de muziek.25

Verdachte heeft verder verklaard dat dat zij de Facebooksite [Facebookaccount] beheerde.26 Een aantal andere zusters had ook een wachtwoord.27 Ter terechtzitting heeft verdachte gezegd dat de “vrienden van” alles konden inkijken: de pagina was openbaar. Verdachte ontkende echter te hebben gepost over de gewapende jihadstrijd. Zij herinnert zich niet of zij filmpjes van Sharia for Belgium heeft geplaatst. Verdachte verklaarde dat dit zou kunnen, maar dat zij dacht dat het over een bredere interesse voor het geloof ging.28

4.3

Het standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 1

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de vrouwen [persoon 4] en [persoon 3] heeft geworven voor de gewapende strijd door intensief contact met hen te houden, lezingen te geven over de strijdbare islam en uitingen te doen, al dan niet via sociale media, waaruit haar steun voor deelname aan de gewapende strijd in Syrië uit naam van de islam bleek. Daarnaast heeft zij tegen [persoon 4] gezegd “ik accepteer niet.. ik accepteer niet dat je hier blijft. Dat accepteer ik niet.”, en tegen [persoon 3] “Weet je wat jij moet doen, gewoon trouwen en wegwezen.”

Volgens het Openbaar ministerie kan ook een persoon die ondersteunende taken of werkzaamheden uitvoert voor een persoon die een gewapende strijd voert, zoals een vrouw die haar man, de strijder, verzorgt en zijn spullen beschermt, als deelnemer aan de gewapende strijd in de zin van artikel 205 Sr worden gezien.

Ten aanzien van de mannen [persoon 2] en [persoon 1] heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat verdachte door intensief contact met hen te houden voorafgaand aan hun reis naar Syrië, uitingen te doen, al dan niet via sociale media, waaruit haar steun voor deelname aan de gewapende strijd in Syrië uit naam van de islam bleek, kort voor hun vertrek islamitisch met hen te trouwen en berichten aan hen te sturen, bezien in de eerder geschetste context, hen geleidelijk aan heeft beïnvloed en/of heeft overreden en/of geestelijk rijp heeft gemaakt voor het afreizen naar Syrië. In het bericht aan [persoon 2] was onder meer opgenomen “ik vraag Allah jou te laten sterven als Shaheed (martelaar)” en in de chatberichten aan [persoon 1] was onder meer opgenomen “een ieder die niet vecht of goed zorgt voor de familie die een strijder heeft achtergelaten, Allah zal hem kwellen met een rampspoed voor de dag der opstanding”.

4.4

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet heeft geronseld en ook die intentie niet heeft gehad. Verdachte praat veel over het geloof en legt het geloof uit, maar dat is niet strafbaar. Het onderhouden van contact is evenmin strafbaar en in de relationele sfeer ook heel normaal. Het betuigen van steun voor de gewapende strijd, hetgeen verdachte niet heeft gedaan, is evenmin strafbaar. Verdachte heeft verklaard dat er onder jihad verschillende soorten strijd worden begrepen. Zij zou in haar uitlatingen over de jihad niet gedoeld hebben op de jihad als gewapende strijd.

Verdachte heeft [persoon 3] en [persoon 4] niet onder druk gezet, zich dwingend tegenover hen uitgelaten of invloed op hen gehad. De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat vrouwen niet mee doen aan de gewapende strijd in Syrië en dat zij daartoe dus ook niet geworven kunnen zijn.

Ten aanzien van de mannen kan uit het aan [persoon 2] gerichte (afscheids)bericht enkel worden afgeleid dat verdachte [persoon 2] niet af viel in zijn wens om naar Syrië te gaan om daar hulp te verlenen en dat zij hem het beste toewenste. Het chatbericht aan [persoon 1] zag niet op strijden, maar op helpen in het algemeen. Verdachte heeft [persoon 1] daarmee niet overtuigd om naar Syrië te gaan; hij was daar zelf sinds april/mei 2013 mee bezig.

4.5

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1

4.5.1

Juridisch kader werven

Artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht luidt – voor zover hier van belang –:

“Hij die zonder toestemming van de Koning, iemand voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd werft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Sinds de Wet terroristische misdrijven29 is het werven voor de gewapende strijd aan dit wetsartikel toegevoegd en is het strafmaximum verhoogd van één jaar naar vier jaar gevangenisstraf.

Het bestanddeel ‘gewapende strijd’ is toegevoegd aan artikel 205 Sr, omdat door de wetgever betwijfeld werd of ook ‘jihad’ onder vreemde krijgsdienst kon worden begrepen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de ‘jihad’ valt binnen het begrip ‘gewapende strijd’, omdat een jihad te omschrijven is als islamitische strijd die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitische geloof – de koran en de soenna – staat vermeld. De verwezenlijking van een wereld volgens een bepaald model door het ontplooien van geweldsactiviteiten kan niet anders dan (ook) met ingrijpend geweld worden gerealiseerd. Gewapend is de strijd als bedoeld in het voorgestelde artikel 205 Sr, wanneer de (uiteindelijk) beoogde toepassing van geweld vergelijkbaar is met het ingrijpend geweld dat wordt toegepast in een oorlogs- of guerillasituatie.30

De verhoging van de strafmaat hangt onder meer samen met een verscherpte afkeuring van het strafbaar gestelde gedrag, en daaraan gepaard het voornemen om te bevorderen dat het werven van personen voor de jihad in de toekomst adequaat aangepakt kan worden op grond van artikel 205 Sr. Daartoe wordt volgens de wetgever een bijzonder kwalijke en bedreigende vorm van rekrutering expliciet onder de reikwijdte van de strafbepaling gebracht; een vorm die gelet op de mogelijk desastreuze gevolgen van deze rekrutering voor de betrokkene en de mogelijke slachtoffers een strafmaximum van vier jaar kan rechtvaardigen.31

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met ‘werven’ in artikel 205 Sr bedoeld wordt het ‘bespelen’ en ‘beïnvloeden, het ideologisch rijp maken, bewegen of vergelijkbare handelingen’. Daarvan kan sprake zijn wanneer mensen vis-a-vis – te denken valt aan schoolpleinen, clubhuizen en uitgaansgelegenheden – worden benaderd teneinde hen te overreden deel te nemen aan een gewapende strijdgroep. Ook zal het bespelen van personen met behulp van communicatiemiddelen, zoals bijvoorbeeld een internetsite, werven in de zin van dit artikel kunnen opleveren.32

Voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van artikel 205 Sr volstaat het enkele werven van personen voor de gewapende strijd. Daarbij komt het dus aan op de gedraging van degene die werft, zonder dat op zichzelf van belang is hoe degene die wordt geworven, op dat moment tegenover die strijd staat, en of het werven resultaat heeft of niet.33 Het delict zal voltooid zijn wanneer een handeling die ertoe strekt om iemand tot aansluiting te bewegen, zich heeft geopenbaard. Het hoeft daarbij niet te gaan om een concreet verzoek tot het deelnemen aan de gewapende strijd.34

4.5.2

Heeft verdachte geworven voor de gewapende strijd?

Heeft verdachte vrouwen geworven voor de gewapende strijd?

Verdachte wordt verweten dat zij meerdere vrouwen heeft geworven voor de gewapende strijd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder de vaststaande feiten, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte met ‘jihad’ wel degelijk doelde op de gewapende strijd. Verder volgt daaruit dat verdachte heeft getracht [persoon 3] en [persoon 4] te stimuleren om naar Syrië te gaan en aldaar te trouwen met een broeder, wat in het geval van [persoon 4] ook is gebeurd, en dat de broeders waar verdachte op doelde, deelnemen aan de gewapende strijd in Syrië.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte die vrouwen heeft geworven voor de gewapende strijd.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met de toevoeging aan het wetsartikel van ‘gewapende strijd’ is beoogd om – naast het rekruteren voor krijgsdienst – ook rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen met het oog op hun rechtstreekse inzet (cursivering: rechtbank) ten behoeve van de islamitische of een anderszins gewapende en gewelddadige strijd zonder dat daarbij aantoonbaar sprake zal zijn van deelneming aan enige groep of samenwerkingsverband.35 De werving moet daadwerkelijke deelname aan de strijd beogen; enkel financiële ondersteuning valt daar niet onder36.

Uit het kennisdocument “Van opstand naar jihad” blijkt dat de inzet van vrouwen in de actieve strijd omstreden is. Hoewel onder enkele islamitische groepen de inzet van vrouwen lijkt te worden gedoogd, is de inzet van vrouwen op het slagveld door de belangrijkste jihadistische organisaties in Syrië, Jahbat-al-Nusra en ISIL, tot op heden niet vastgesteld. Er zijn (nog) geen aanwijzingen dat uit Europa of uit andere Westerse landen afkomstige echtgenotes van buitenlandse jihadstrijders actief zijn op het Syrische slagveld.37 Dit is ter terechtzitting bevestigd door deskundige prof. dr. E. Bakker.38

Uit de verklaringen van verdachte en bovengenoemde getuigen, alsmede de notitie die op verdachtes telefoon is aangetroffen, kan worden opgemaakt dat verdachte de mening is toegedaan – en verkondigde – dat vrouwen de mannelijke strijders in Syrië dienen te ondersteunen. Dit kan onder meer plaatsvinden door middel van het verstrekken van financiën of het zorgen voor de man.

Naar het oordeel van de rechtbank vallen niet alleen deelname aan de eigenlijke gevechtshandelingen maar ook het verlenen van concrete hand- en spandiensten, zoals bijvoorbeeld het fouilleren van personen, het controleren van voertuigen en het verlenen van hulp bij het plegen van een aanslag, onder het deelnemen aan de gewapende strijd. Het enkele moreel, ideologisch of financieel ondersteunen van de strijd of strijders, het trouwen met een strijder en/of het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een strijder vallen daar echter niet onder. Dergelijke ondersteunende activiteiten kunnen niet worden aangemerkt als rechtstreekse inzet ten behoeve van en daadwerkelijke deelname aan de gewapende strijd. Dat verdachte zelf meent dat het steunen van de strijders door de vrouwen ook onder jihad valt, doet daar niet aan af.

Het voorgaande betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte [persoon 3] en [persoon 4] heeft geworven voor de gewapende strijd. Verdachte dient dan ook van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Heeft verdachte mannen geworven voor de gewapende strijd?

Verdachte wordt voorts verweten dat zij de mannen [persoon 2] en[persoon 1] heeft geworven voor de gewapende strijd.

Op grond van de verklaringen van verdachte39, [persoon 1]40 en de moeder van [persoon 2]41, is aannemelijk dat beide mannen zelf het voornemen hadden om naar Syrië te reizen.

Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat ook personen, die reeds in zekere mate het idee hadden opgevat om deel te gaan nemen aan de gewelddadige jihad, kunnen worden geworven in de zin van artikel 205 Sr. In die situatie kan immers ook sprake zijn van het trachten te overreden, dan wel beïnvloeden, ideologisch rijp maken om aan de gewapende strijd deel te gaan nemen. Vanzelfsprekend dient dit wel te blijken uit feitelijke handelingen.42

In 2011 is door de Hoge Raad bevestigd dat iemand die reeds voorafgaand aan de bewezenverklaarde wervingshandelingen in al dan niet sterke mate de gewapende strijd is toegedaan, kan worden geworven voor de gewapende strijd als bedoeld in artikel 205 Sr.43

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is welke feitelijke handelingen verdachte heeft verricht en of zij met die handelingen de intentie had om [persoon 2] en [persoon 1] te overreden, dan wel te beïnvloeden, ideologisch rijp te maken om aan de gewapende strijd deel te gaan nemen.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat er geen algemene stelregel valt te geven en dat per concreet geval beoordeeld dient te worden of de feitelijke handelingen gericht zijn geweest op het werven. Naar het oordeel van de rechtbank is er voor werven meer nodig dan het enkele praten over het geloof, over het al dan niet gerechtvaardigd zijn van een gewapende strijd, dan wel het verheerlijken van een gewapende strijd of van het uitspreken van steun daarvoor. Er dient een zekere stimulering van een persoon tot deelname aan de gewapende strijd te zijn beoogd. In het algemeen zal het daarbij niet gaan om een eenmalige gedraging, doch betreft dit veeleer een proces.

[persoon 2]

Ten aanzien van [persoon 2] kan worden vastgesteld dat verdachte in de periode van 13 juni 2012 tot en met 30 maart 2013 474 keer telefonisch contact met hem had44 en op 8 februari 2013 voor de islamitische wet is getrouwd met hem45. Op 30 maart 2013 is hij van huis vertrokken; niet lang daarna heeft hij zijn ouders laten weten dat hij is afgereisd naar Syrië.46 Hij heeft daar de eerste weken een soort training gehad en zou loopkuilen graven en op wacht staan. Hij is ervan overtuigd dat het martelaarschap het beste is wat je kan overkomen. Een week na zijn vertrek zou verdachte hebben laten weten te willen scheiden van [persoon 2]. Zijn moeder denkt dat verdachte hem gestimuleerd heeft om te gaan, maar dat het zijn eigen beslissing is geweest.47 Verder is gebleken dat verdachte een notitie in haar telefoon had staan, gericht aan [persoon 2]. In dit bericht wordt [persoon 2] aangesproken met Mujaheed (strijder) en schrijft verdachte dat hij zijn doel heeft bereikt waar zij hem volledig in steunde. Ook vraagt zij Allah hem te laten sterven als Shaheed (martelaar).48

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij wel met [persoon 2] had gesproken over naar Syrië gaan, omdat hij had aangegeven graag te willen gaan om hulp te verlenen, maar dat zij niet wist dat hij het daadwerkelijk zou doen. Hij is zonder haar medeweten naar Syrië vertrokken. Zij steunde hem wel in zijn voornemen om te gaan.49

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte [persoon 2] in ieder geval heeft gesteund in zijn voornemen om naar Syrië te gaan. Het enkele steunen is echter niet voldoende om te komen tot een bewezenverklaring van werven. Dat verdachte met [persoon 2] trouwde en daarvóór veelvuldig contact met hem had, levert op zichzelf geen handelingen op die aan te merken zijn als wervingshandelingen voor de gewapende strijd. Dat verdachte de gewapende strijd steunde staat vast, maar of en op welke wijze verdachte daarmee [persoon 2] zou hebben getracht te werven voor die strijd kan niet uit het dossier worden afgeleid.

Gelet hierop kunnen er geen feitelijke handelingen worden vastgesteld waaruit het trachten te overreden, dan wel beïnvloeden, ideologisch rijp maken, bewegen of vergelijkbare handelingen om aan de gewapende strijd deel te gaan nemen van [persoon 2], blijkt. Verdachte dient derhalve ook van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

[persoon 1]

Ten aanzien van [persoon 1] kan worden vastgesteld dat hij rond maart 2013 contact met verdachte heeft gezocht via instagram en dat hij vrij snel met haar wilde trouwen, omdat het in de islam goed is om vroeg te trouwen.50 Verdachte is op 10 juli 2013 voor de islamitische wet met hem getrouwd.51 Verdachte heeft [persoon 1] op 1 juli 2013 een chatbericht gestuurd, onder meer inhoudende dat een ieder die niet vecht of goed zorgt voor de familie die een strijder heeft achtergelaten, door Allah gekweld zal worden met een rampspoed. Ook wil zij hem iets prachtigs sturen waardoor twijfel zal weggaan.52 en verdachte zijn op 17 juli 2013 aangehouden53, terwijl zij van plan waren om naar Syrië te reizen.54 werd diezelfde dag vrijgelaten en is kort daarop naar Syrië vertrokken.55 Verdachte heeft zich na haar vrijlating bij hem gevoegd in Syrië. Volgens verdachte en [persoon 1] hadden zij beiden, onafhankelijk van elkaar, het plan om naar Syrië te gaan om daar hulp te verlenen en in een islamitische staat te wonen.56

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte [persoon 1] in ieder geval heeft gesteund in zijn voornemen om naar Syrië te gaan. Zoals hiervoor overwogen, is het enkele steunen echter niet voldoende om te komen tot een bewezenverklaring van werven. Dat verdachte met [persoon 1] trouwde en daarvóór veelvuldig contact met hem had, levert op zichzelf geen handelingen op die aan te merken zijn als wervingshandelingen voor de gewapende strijd. De omstandigheid dat verdachte dat een aantal maanden ervoor ook met [persoon 2] had gedaan, maakt dat niet anders. Dat verdachte de gewapende strijd steunde staat vast, maar of en op welke wijze verdachte daarmee [persoon 1] zou hebben getracht te werven voor die strijd kan niet uit het dossier worden afgeleid.

Wel blijkt uit een chatgesprek dat verdachte op 1 juli 2013 met [persoon 1] had, dat zij een mogelijk bij hem gerezen twijfel over het strijden in Syrië, in dat gesprek probeert weg te nemen, hetgeen zou kunnen worden opgevat als een handeling met een zeker wervend karakter. Zoals hierboven is overwogen, betreft werven echter over het algemeen geen eenmalige handeling, doch omvat dit veeleer een proces.

Verder speelt bij de waardering van dit chatgesprek een rol dat [persoon 1] reeds het vaste voornemen had om deel te gaan nemen aan de gewapende jihad. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een enkele dagen eerder door hem gevoerd chatgesprek met een onbekend gebleven persoon, waarin hij zijn keuze voor deelname aan de jihad als volgt verdedigt. Hij schrijft onder meer “mijn dood staat al vast”, “dus als ik sterf tijdens een jihad, dan is dat maar zo”, “ik heb meerdere malen istikhara gebeden om Allah’s advies om de keuze voor jihad, ik heb antwoord gekregen, ik weet genoeg en geen enkele iemand gaat het nu nog veranderen, Allahu Alam en heb advies van Allah gekregen voor mijn keuze”. Verdachte rechtvaardigt zijn beslissing met een verwijzing naar twee artikelen getiteld: “Jihad in Syrië is voor iedere moslim verplicht” en “Raad der verdicten van Azhar Universiteit: Jihad in Syrië individueel verplicht!”.57

De combinatie van omstandigheden dat het hier (i) een eenmalige handeling van verdachte betreft ten aanzien van (ii) een persoon die reeds zijn keuze had gemaakt om deel te gaan nemen aan de gewapende strijd, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat in casu niet kan worden gesproken van strafbare werving in de zin van artikel 205 Sr, ook niet bezien in de door het Openbaar Ministerie geschetste context.

Verdachte zal dus ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.6

Het standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2

Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat verdachte de in de tenlastelegging opgenomen uitingen heeft gedaan. Deze zijn opruiend, omdat a. daarin wordt opgeroepen tot deelname aan de terroristische strijd en b. deze het terroristische geweld verheerlijken en daarmee (indirect) oproepen tot zulk geweld en c. daarnaast oproepen tot het werven van personen en/of gelden voor die strijd.

Naast het in het openbaar opruien tot enig strafbaar feit, heeft verdachte ook opruiende geschriften en bestanden verspreid en onder zich gehad ter verspreiding. De vrijheid van meningsuiting staat niet in de weg aan een bewezenverklaring.

4.7

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het opruien of verspreiden van opruiende geschriften of bestanden. Zij heeft enkel haar geloofsovertuiging uitgedragen. Van enkele bestanden kan niet blijken dat ze opruiend zijn, van andere blijkt niet dat verdachte deze op facebook heeft geplaatst.

4.8

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2

4.8.1

Juridisch kader opruien en verspreiding ter opruiing

Strafbare opruiing is het aanzetten tot enig strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Opruiing is niet het dwingen van iemand tot een feit, maar veeleer het opwekken van de gedachte aan enig feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het verlangen op te wekken om dat feit te bewerkstelligen. Zij is dus een zodanige voorstelling van de wenselijkheid of noodzakelijkheid als geschikt is om de overtuiging daarvan bij anderen op te wekken. Zij kan de vorm van een verzoek, een aansporing, aannemen, ook in een imperatieve vorm worden gegoten. Opruiing kan ook liggen in het uiting geven aan hoge morele waardering voor een handeling.58

De opruiing is reeds voltooid als de uitlating door de opruier is gedaan. Niet vereist is dat de opruiing enig resultaat heeft, bijvoorbeeld dat het publiek kennis heeft genomen van het opruiend geschrift. Of het feit waartoe wordt opgeruid volgt, doet er niet toe.59

Opruiing geschiedt in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding. Van opruiing in het openbaar is sprake wanneer de opruiing plaatsvindt onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en door het publiek kan worden geconsumeerd. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven.60

Of sprake is van opruiing hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen in aanmerking worden genomen eerdere ervaringen en eerdere (gewelddadige) gebeurtenissen die grote maatschappelijke en politieke onrust hebben veroorzaakt.61

Voor het verspreiden van een geschrift of afbeelding ter opruiing geldt eveneens dat enig resultaat niet is vereist. De dader hoeft voorts niet te weten dat hetgeen waartoe wordt opgeruid, strafbaar is gesteld. Waar het om gaat is dat de dader aan de inhoud van een opruiend geschrift of afbeelding ruchtbaarheid wil geven of vermeerderen.

4.8.2

Feit 2, eerste cumulatief/alternatief (opruiing)

Eerste en tweede gedachtestreepjes: lezingen en flyeren

Verdachte heeft erkend dat zij lezingen gaf, meestal via Paltalk, en dat zij dan met 10 of 15 zusters in gesprek ging. Dit ging over hoe je kleding moet zitten, de niqaab, hoe je je moet gedragen, over de ramadan, de bedevaart, het gebed, de hel en het paradijs.62 Ook anderen verklaren dat de lezingen gingen over de genezing van de profeet, over zijn metgezellen, over het huwelijk, over hoe je je als vrouw moet gedragen en het tonen van liefde voor elkaar als moslims onderling. Hoewel getuige [persoon 5] bij de politie heeft verklaard dat het tonen van haat tegen de ongelovigen ook werd besproken, blijkt ook daaruit niet dat verdachte tijdens de lezingen heeft opgeruid tot enig strafbaar feit.

Verdachte heeft verklaard dat zij de religie verkondigt en dat zij een keer heeft geflyerd voor “Waarom Islam?”, een organisatie die zich met het bekeren tot de islam bezighoudt. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen enkele aanwijzing bevindt dat verdachte met dit flyeren heeft opgeruid tot enig strafbaar feit.

Derde gedachtestreepje: uitingen via sociale media

Blijkens het requisitoir ziet dit onderdeel van de tenlastelegging op uitingen via Facebook en Twitter. Deze zullen hieronder worden behandeld.

Vierde gedachtestreepje: filmpjes en berichten op Facebook

Aan verdachte wordt verweten dat zij op de Facebook pagina van [Facebookaccount] de berichten “De rol van de strijder” en “voorbereiden op de jihad” heeft geplaatst, alsmede extremistische filmpjes over Sharia for Belgium.

Het bericht “De rol van de strijder” bevindt zich niet in het dossier. Over de inhoud ervan heeft uitsluitend getuige[persoon 9] verklaard: “in de tekst stond wat je als strijder moest doen”. Dit is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen of die inhoud een opruiend karakter had.

In de Iphone van verdachte is een notitie aangetroffen met als titel “Het voorbereiden van een strijder die op jihad gaat”. Er bevindt zich in het dossier geen bewijs dat dit bericht op de betreffende Facebookpagina is geplaatst.

De extremistische filmpjes over Sharia for Belgium bevinden zich niet in het dossier. Uitsluitend getuige [persoon 5] heeft hierover verklaard: “Ook met nieuwe filmpjes van Sharia for Belgium waarbij lezingen werden gehouden, was ze de eerste die het filmpje op Facebook plaatste”. Dit is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen of de inhoud van die filmpjes een opruiend karakter hadden.

Vijfde gedachtestreepje: filmpjes op Twitter

Aan verdachte wordt verweten dat zij heeft getwitterd over de Islam. Dit moet een slordigheid van de steller van de tenlastelegging zijn. Vanzelfsprekend is dit niet strafbaar. Verdachte wordt ook verweten dat zij op Twitter gewelddadige filmpjes heeft geplaatst. Verdachte maakte gebruik van het Twitteraccount met de naam [Twitteraccount]63.64 In de periode maart – juni 2013 zijn door verdachte 29 videofilmpjes op dit account geplaatst door in een Twitterbericht een link of hyperlink aan te brengen naar een videobestand op internet, in dit geval YouTube. Deze 29 filmpjes hadden allemaal betrekking op het islamitisch geloof. In een proces-verbaal van bevindingen geeft een verbalisant aan dat naar zijn mening bij 7 filmpjes sprake is van een “onverdraagzame of strijdbare” inhoud65, de rechtbank citeert:

  1. In het filmpje “Daily Life of a Mujahid” wordt de gewapende jihad en het zijn van een deelnemer daarin (Mujahid) verheerlijkt.

  2. De inhoud van het filmpje “Gecodeerde boodschap Abu Dujana al Khorasani” is anti-Amerikaans. De verteller in het filmpje zegt dat Amerikaanse soldaten op enig moment moslimvrouwen hebben vermoord door ze uit helikopters te werpen.

  3. Het filmpje “Kijk! Kijk! Zij zijn onbeschaafd! (Sheikh Abdullah Azzam)” is eveneens anti-Amerikaans. Verder is het veroordelend ten aanzien van moslimleiders en –politici die met de VS samenwerken. Volgens open bronnen is Abdullah Azzam (1941-1989) een centrale persoon in de militante islam en het islamitisch fundamentalisme.

  4. In het filmpje “Nasheed Malhama – Islam of Honnor” is te zien dat enkele soldaten worden geëxecuteerd (zij worden door het hoofd geschoten). Er worden diverse fragmenten van de gewapende strijd al dan niet met zwarte Shahada-vlag in beeld, weergegeven. Tevens zijn de lijkfoto van Muammar Khadaffi en beelden van Osama bin Laden te zien. Het is onduidelijk welk(e) gewapend(e) conflict(en) in beeld zijn gebracht en in welk conflict de executies hebben plaatsgevonden.

  5. In het filmpje “Sheikh Khalied Ar-Rashid-AlAseer_Prisoners_Gevangenen_Prison” zijn veel beelden te zien van moslims die onrechtmatig worden behandeld. Ook worden er beelden getoond van gevangenen in Guantánamo Bay.

  6. Verder is er nog een filmfragment op twitter geplaatst van Anwar Al Awlaki. Al-Maqdisi. Anwar Al Awlaki is een bij leven belangrijk figuur binnen de terroristische organisatie Al Qaida.

  7. Verder is er nog een filmfragment op twitter geplaatst van Abu Muhammad. Abu Muhammad Al-Maqdisi behoort volgens open bronnen tot het kader van Al Qaida in Irak.66

De rechtbank moet het doen met deze summiere beschrijving door de betreffende verbalisant. Het is op grond van dit alleen voor de rechtbank niet mogelijk te beoordelen of de filmpjes een opruiend karakter hebben.

Ten aanzien van de notitie op verdachtes telefoon kan dus niet worden vastgesteld dat zij deze op Facebook heeft geplaatst. Ten aanzien van de overige tenlastegelegde handelingen kan niet worden vastgesteld of deze aanzetten tot het plegen van strafbare feiten.

Verdachte moet daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.8.3

Feit 2, tweede cumulatief/alternatief (verspreiden opruiende geschriften en bestanden, voorhanden hebben van opruiende geschriften en bestanden ter verspreiding)

De in dit onderdeel van de tenlastelegging opgenomen geschriften, afbeeldingen en bestanden zijn hiervoor reeds door de rechtbank besproken onder 4.8.2. Verdachte moet om dezelfde redenen als daar genoemd ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Ten aanzien van de notitie op verdachtes telefoon overweegt de rechtbank nog dat uit het enkele feit dat verdachte een aantal andere geschriften en bestanden op Facebook en Twitter heeft geplaatst, – anders dan het Openbaar Ministerie heeft betoogd - niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte voornemens was dit ook te doen met deze notitie.

Eindconclusie

Het is de rechtbank volstrekt duidelijk geworden dat verdachte een radicaal-islamitische ideologie aanhangt en zich ten volle identificeert met de gewelddadige jihad. De rechtbank moet echter ook vaststellen dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat zij zich aan de tenlastegelegde strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Voor wat betreft het werven stuit bewezenverklaring af op het vereiste dat dit slechts strafbaar is indien het zich richt op deelname aan eigenlijke gevechtshandelingen en het verlenen van concrete hand- en spandiensten daarbij, en op ontbrekend bewijs.

Voor wat betreft het opruien blijkt evenmin voldoende bewijs voorhanden in het dossier.

5 De beslissing

De rechtbank,

verklaart de dagvaarding partieel nietig voor zover het betreft de in feit 1 ten laste gelegde opgenomen zinsnede “een en/of meerdere andere NN-personen” en de woorden “onder meer”;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. Elkerbout, voorzitter,

mrs. J.A. van Steen en J.B. Wijnholt, rechters

in tegenwoordigheid van mr. F. Verkijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2014.

BIJLAGE I

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 17 juli 2013 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, en/of te Antwerpen, in elk geval in België, zonder toestemming van de Koning(in),

- [persoon 2] (geboren: [geboortedatum]1995) en/of

-[persoon 1] (geboren: [geboortedatum] 1994) en/of

- [persoon 5] (geboren:[geboortedatum] 1996) en/of

- [persoon 3] (geboren: [geboortedatum] 1994) en/of

-[persoon 4] (geboren: [geboortedatum] 1995) en/of

- [persoon 6] (geboren: [geboortedatum] 1997) en/of

- een en/of meerdere andere NN-personen

heeft geworven voor de gewapende (terroristische) strijd, door (onder meer)

- intensief contact te onderhouden met die personen (voorafgaand aan de afreis Syrië en/of ten tijde van het verblijf van die personen in Syrië) en/of

- lezingen te geven over haar, verdachtes, denkbeelden met betrekking tot de "strijdbare islam" en/of die lezingen actief bij te wonen en/of anderen daarbij uit te nodigen en/of te flyeren voor lezingen en/of

- lezingen te geven via Skype en/of Paltalk en/of andere (sociale) media over haar, verdachtes, denkbeelden met betrekking tot de "strijdbare Islam" en/of

- uitingen te doen (al dan niet via/middels allerlei (sociale) media) waaruit haar, verdachtes, steun van deelname aan de gewapende strijd in Syrië uit naam van de islam blijkt en/of

- met die [persoon 2] kort voor diens vertrek voor de Islamitische wet te trouwen en/of (een) bericht(en) aan die [persoon 2] te sturen met daarin onder meer opgenomen: "Ik vraag Allah om jou te laten sterven als Shaheed" en/of

- met die [persoon 1] kort voor diens vertrek voor de Islamitische wet te trouwen en/of chatberichten aan die [persoon 1] te sturen met daarin onder meer opgenomen: "Eenieder die niet vecht of goed zorgt voor de familie, die een strijder heeft achter gelaten, Allah zal hem kwellen met een rampspoed voor de Dag der Opstanding" en/of

- die [persoon 5] te helpen met de afreis naar Syrië door geld voor de reis te verzamelen en/of aan te bieden om die [persoon 5] naar het vliegveld te brengen en/of

- tegen die [persoon 3] te zeggen: "Weet je wat jij moet doen, gewoon trouwen en wegwezen" en/of

- die [persoon 4] onder druk te zetten door tegen die [persoon 4] te zeggen: "Ik accepteer niet.. ik accepteer niet dat je hier blijft. Dat accepteer niet" en/of

- door onder andere aan die [persoon 6] advies te geven over trouwen met een broeder en/of te zeggen dat er broeders zijn in Syrië die willen trouwen en/of

- ( hiermee) die personen (geleidelijk aan) te beïnvloeden en/of te overreden (om af te reizen naar Syrië) en/of die personen geestelijk rijp te maken voor het afreizen naar Syrië,

terwijl deze gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt;

art 205 lid 1 jo lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 205 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 17 juli 2013 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, en/of te Antwerpen, in elk geval in België, met een of meer anderen, meermalen,

in het openbaar, mondeling en/of middels geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, terwijl dit (een) terroristische misdrijf(ven) dan wel (een) midrijf(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf,

immers heeft verdachte

- lezingen gegeven over haar, verdachtes, denkbeelden met betrekking tot de "strijdbare islam" en/of te flyeren voor lezingen en/of

- lezingen gegeven via Skype en/of Paltalk en/of andere (sociale) media over haar, verdachtes, denkbeelden met betrekking tot de "strijdbare Islam" en/of

- uitingen gedaan (al dan niet via/middels allerlei (sociale) media) waaruit haar, verdachtes, steun van deelname aan de gewapende strijd in Syrië uit naam van de islam blijkt en/of

- op (een) facebookpagina('s) (waaronder de pagina [Facebookaccount]) gebeden en/of lezingen en/of berichten (waaronder "Voorbereiden op de Jihad" en/of "De rol van de strijder") en/of extremistische filmpjes (over onder ander Sharia for Belgium) geplaatst en/of

- getwittert over de Islam en/of op twitter meerdere (gewelddadige) filmpjes, waaronder een film met als titel "Daily life of a Mujahid", geplaatst,

waarin (telkens) de radicaal extremistische Islam, althans de Islam, en/of Jihad en/of de gewapende terrostische strijd in Syrië wordt verheerlijkt en/of aangemoedigd en/of geprezen en/of wordt aangezet tot deelname aan deze terroristische strijd;

131 lid 1 jo 2 Wetboek van Strafrecht

en/of

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 17 juli 2013 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, en/of te Antwerpen, in elk geval in België, met een of meer anderen, meermalen,

een geschrift(en) en/of afbeelding(en) en/of (audio)bestand(en) waarin tot een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, althans tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid,

(lid 1)

heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen en/of om te verspreiden en/of openlijk tentoon te stellen of aan te slaan, in voorraad heeft gehad, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of afbeelding en/of (audio)bestand zodanige opruiing voorkomt,

(lid 2)

en/of dit soort geschriften en/of afbeeldingen en/of (audio)bestanden ten gehore heeft gebracht,

immers heeft verdachte

- dit type geschriften/afbeeldingen/(audio)bestanden voorhanden gehad, te weten, onder meer, een bericht met als titel "Voorbereiden op de Jihad" en/of een film met als titel "Daily life of a Mujahid", en/of een of meer andere geschriften/afbeeldingen/(audio)bestanden en/of

- op diverse (sociale) media voornoemde en/of dusdanige geschriften en/of afbeeldingen en/of (voorgedragen) (audio)bestanden geplaatst en/of ten gehore gebracht en/of

- geflyerd voor lezingen over de "strijdbare Islam",

waarin telkens de radicaal extremistische Islam, althans de Islam, en/of Jihad en/of de gewapende terroristische strijd in Syrië wordt verheerlijkt en/of aangemoedigd en/of geprezen en/of wordt aangezet tot deelname aan deze terroristische strijd;

art 132 lid 1 jo 2 jo 3 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 131 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Het schriftelijk requisitoir van de officieren van justitie, dat aan de voorzitter is overgelegd en aan het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 3, 4 en 17 november 2014 zal worden gehecht.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van een uit verschillende onderdelen bestaand proces-verbaal met kenmerk 2013-94449 (onderzoek “Context”), van bureau regionale recherche Haaglanden: Zaaksdossier “Zoet”, te weten een overzichtsproces-verbaal (genummerd blz. 2 t/m 25), met bijlagen: Ambtshandelingen (AH) (genummerd blz. 1-135), Telefoongesprekken (T) (genummerd blz. 1-6), Aangiften (A) (genummerd blz. 1-9), Documenten en Bescheiden (D) (genummerd blz. 1-158), Verhoren Getuigen (G) (genummerd blz. 1-132), Verdachte Verhoren (V) (genummerd blz. 1 t/m 94), rechtshulpverzoeken (RHV) (genummerd blz. 1 t/m 8), Verdachtendossier (genummerd blz. 1 t/m 175), een Beslagdossier (ongenummerd), een Methodiekendossier (genummerd blz. 1 t/m 2, met bijlagen) en een geschrift, te weten het kennisdocument “Van opstand naar jihad, (jihadi-)Salafistische groepen en de opstand in Syrië” van Dr. J. Jolen, Dienst Landelijke Recherche, d.d. 1 augustus 2014.

3 [Twitteraccount] is de (islamitische) bijnaam van verdachte. Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 17 juli 2013, V, p. 3 en 4.

4 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 18 juli 2013, V, p. 11.

5 Een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek van 6 juni 2013, gevoegd als bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 29 juli 2013, AH, p. 42; de eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

6 Een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek van 14 juni 2013, , T, p. 1-2; de eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

7 Een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek van 15 juni 2013, T, p. 3-4; de eigen verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 november 2014.

8 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 februari 2014, AH, p. 13-14.

9 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 18 juli 2013, AH, p. 64

10 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 augustus 2013, AH, p. 65-66, met bijlage.

11 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 30 juli 2013, AH, p. 68-69.

12 Een proces-verbaal van verhoor getuige, [persoon 5], d.d. 29 juli 2013, G, p. 9, 12, 17- 19 en 24.

13 Een proces-verbaal van verhoor getuige,[persoon 9], d.d. 25 juli 2013, G, p. 26 en 28.

14 Een proces-verbaal van verhoor getuige, [persoon 7], d.d. 19 augustus 2013, G, p. 40.

15 Een proces-verbaal van verhoor getuige, [zus verdachte], d.d. 24 juli 2013, G, p. 94.

16 Een proces-verbaal van verhoor getuige, [persoon 8], d.d. 17 september 2013, G, p. 49.

17 Een proces-verbaal van verhoor getuige, [persoon 3], d.d. 29 augustus 2013, G, p. 69-71.

18 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 30 juli 2013, V, p. 49; de eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

19 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 30 juli 2013, V, p. 50 en 52.

20 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 18 juli 2013, V, p. 9; de eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

21 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

22 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 18 juli 2013, V, p. 12; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 30 juli 2013, V, p. 49.

23 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 30 juli 2013, V, p. 49 en 50.

24 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 30 juli 2013, V, p. 47.

25 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

26 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 30 juli 2013, V, p. 47.

27 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 30 juli 2013, V, p. 48.

28 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

29 Stb. 2004, 290 (inwerkingtreding op 10 augustus 2004).

30 TK 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 12.

31 TK 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 8.

32 TK 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 11 en 16.

33 Hoge Raad, 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7585.

34 Gerechtshof ’s-Gravenhage, 2 oktober 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BF3987.

35 TK 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 9.

36 EK 2003-2004, 28 463, C. p. 12.

37 Een geschrift, te weten een kennisdocument “Van opstand naar jihad, (jihadi-)Salafistische groepen en de opstand in Syrië” van Dr. J. Jolen, Dienst Landelijke Recherche, d.d. 1 augustus 2014.

38 De verklaring van deskundige prof. dr. E. Bakker, zoals gedaan ter terechtzitting van 4 november 2014.

39 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

40 Een proces-verbaal van verhoor verdachte[persoon 1], d.d. 24 april 2014, Zaaksdossier Kandij, V, p. 12.

41 Een proces-verbaal van verhoor getuige, [persoon 10], d.d. 2 juli 2013, G, p. 76-83.

42 Rechtbank Rotterdam, 30 oktober 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BB7203.

43 Hoge Raad, 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011: BP7585.

44 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 juli 2013, AH, p. 134.

45 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 18 juli 2013, V, p. 10.

46 Een overzichtsproces-verbaal d.d. 16 juni 2014, p. 4.

47 Een proces-verbaal van verhoor getuige, [persoon 10], d.d. 2 juli 2013, G, p. 76-83.

48 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 augustus 2013, met bijlage, AH, p. 65- 67.

49 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

50 Een proces-verbaal van verhoor verdachte[persoon 1], d.d. 24 april 2014, Zaaksdossier Kandij, V, p. 12; de eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014.

51 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 17 juli 2013, V, p. 2.

52 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 februari 2014, AH, p. 13-14.

53 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 18 juli 2013, Zaaksdossier Kandij, AH, op. 57.

54 Een proces-verbaal van verhoor verdachte[persoon 1], d.d. 24 april 2014, Zaaksdossier Kandij, V, p. 12.

55 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 18 juli 2013, Zaaksdossier Kandij, AH, op. 57; een proces-verbaal van verhoor verdachte[persoon 1], d.d. 23 april 2014, Zaaksdossier Kandij, V, p. 2.

56 De eigen verklaring van verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 3 november 2014; een proces-verbaal van verhoor verdachte[persoon 1], d.d. 24 april 2014, Zaaksdossier Kandij, V, p. 12.

57 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 februari 2014, AH, p. 14-16, met bijlage; een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 5 februari 2014, AH, p. 50-51, met bijlagen.

58 Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 1 bij artikel 131 Sr; A.L.J. Janssens & A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2008, par. 4.2.2.3.2.

59 Zie noot 60; Hoge Raad 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237.

60 Gerechtshof Amsterdam, 23 november 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4139; HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237.

61 Rechtbank Amsterdam, 22 februari 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA0795.

62 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 18 juli 2013, V, p. 6; een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 30 juli 2013, V, p. 48; een proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 19 juli 2013, onder 4.

63 [Twitteraccount] is de (islamitische) bijnaam van verdachte. Zie het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 17 juli 2013, V, p. 3 en 4.

64 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 18 juli 2013, V, p. 11.

65 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 25 juli 2013, AH, p. 70.

66 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 25 juli 2013, AH, p. 70-71.