Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14625

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
10-03-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4218 en 14-4219
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wwb, terugvordering en boete.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 17
Wijzigingsverordening Aanscherping Wet Werk en Bijstand XXV
Boetebesluit socialezekerheidswetten 2
Remigratiebesluit 13
Boetebesluit socialezekerheidswetten 6b
Remigratiewet 18
Algemene wet bestuursrecht 5:46
Algemene wet bestuursrecht 8:72a
Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 18a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 14/4218 en 14/4219

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 november 2014 in de zaken tussen

[eiser] te [X], eiser

(gemachtigde: mr. E.A. Kazzaz-de Hoog),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht van eiser op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) over de periode van 20 november 2012 tot en met 31 augustus 2013 herzien en de in die periode teveel verstrekte bijstand ten bedrage van € 8.993,12 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 7 januari 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 9.000,-.

De hiertegen gemaakte bezwaren heeft verweerder bij besluiten van respectievelijk 14 april 2014 (het bestreden besluit I) en van 29 april 2014 (het bestreden besluit II) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten I en II afzonderlijk beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 juli 2014 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het bestreden besluit II herzien, in die zin dat het bezwaar tegen het primaire besluit II gedeeltelijk gegrond is verklaard en de boete is verlaagd naar een bedrag van € 7.681,-.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De beroepen zijn op 30 september 2014 gevoegd behandeld door een enkelvoudige kamer. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich met bericht van verhindering niet laten vertegenwoordigen ter zitting.

De enkelvoudige kamer heeft de zaken verwezen naar de meervoudige kamer.

Partijen hebben ermee ingestemd een nadere zitting achterwege te laten.

Overwegingen

1. Eiser ontving met ingang van 20 november 2012 een bijstandsuitkering ingevolge de Wwb. Naar aanleiding van gegevens van de belastingdienst omtrent een niet bij verweerder bekende bankrekening ten name van eiser, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar het vermogen van eiser. In dit kader heeft verweerder bij brief van 2 juli 2013 een aantal nader gespecificeerde afschriften van bankrekeningnummers bij eiser opgevraagd. Bij brief van 10 september 2013 heeft verweerder eiser de ontvangst van gevraagde bankafschriften bevestigd en hem daarnaast – ter vaststelling van zijn recht op bijstand – nog om overlegging van een aantal ontbrekende afschriften van de betreffende bankrekeningen gevraagd. Verder heeft verweerder in deze brief verzocht om bewijzen van de verdeling van de nalatenschap van de op 4 november 2012 overleden moeder van eiser.

2. Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft verweerder onder meer eisers recht op bijstand met ingang van 1 september 2013 ingetrokken op de grond dat eiser vanaf laatstgenoemde datum voldoende inkomsten uit arbeid ontvangt om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Bij brieven van 11 en 28 oktober 2013 en van 4 november 2013 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek over het rechtmatigheidsonderzoek. Eén afspraak is door verweerder afgezegd, op de andere twee uitnodigingen heeft eiser niet gereageerd. Omdat op de opgevraagde afschriften van eisers bankrekeningen contante opnames en pinbetalingen voor levensmiddelen en benzine ontbreken, is verweerder tot de conclusie gekomen dat eiser in de periode van 20 november 2012 tot en met 31 augustus 2013 naast zijn uitkering over een andere inkomstenbron moet hebben beschikt. Eiser heeft deze inkomstenbron niet opgegeven en hierover evenmin een verklaring gegeven, omdat hij niet op afspraken is verschenen. Hierdoor heeft verweerder het recht op bijstand van eiser in genoemde periode niet kunnen vaststellen.

3. Het voorgaande heeft geleid tot het primaire besluit I, welke is gehandhaafd bij het bestreden besluit I. Daarnaast is bij het primaire besluit II een boete opgelegd, die na heroverweging bij het bestreden besluit II is gehandhaafd. Bij het bestreden besluit III heeft verweerder het bestreden besluit II gewijzigd en de boete onder meer verlaagd naar € 7.681,-. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep tegen het bestreden besluit II mede gericht tegen het bestreden besluit III.

Het beroep met registratienummer SGR 14/4218 (herziening en terugvordering)

4. Het bestreden besluit I berust op de resultaten van het door verweerder uitgevoerde onderzoek naar aanleiding van de door eiser ingeleverde bankafschriften. Uit deze afschriften is gebleken dat eiser in de periode van 20 november 2012 tot en met 31 augustus 2013 slechts voor een bedrag van € 76,26 in supermarkten heeft gepind en in het geheel geen contanten heeft opgenomen. Onduidelijk is daardoor hoe eiser in de kosten van zijn levensonderhoud heeft voorzien en verweerder is daarom van mening dat eiser over inkomsten heeft beschikt die hij niet heeft opgegeven. Aan verweerders verzoeken om duidelijkheid hierover te verschaffen heeft eiser geen gehoor gegeven. Hierdoor heeft verweerder eisers recht op bijstand in de periode in geding niet vast kunnen stellen.

5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit I en betwist dat hij in de periode in geding naast zijn uitkering andere inkomsten zou hebben ontvangen. Eiser heeft aangegeven dat hij in de genoemde periode levensmiddelen heeft betaald van zijn contante spaargeld (ongeveer € 1.000,-). Eiser stelt zuinig te leven en dat hij van dat bedrag negen maanden boodschappen heeft kunnen betalen. Deze wijziging in zijn bestedingspatroon komt door het overlijden van zijn moeder bij wie hij inwoonde. Na haar overlijden was het gedaan met de uitjes en pleziertjes en leefde hij alleen nog maar uiterst sober, aldus eiser. Verweerder heeft volgens eiser nooit gevraagd waarom hij in negen maanden slechts € 76,26 aan boodschappen heeft gepind. Zou dat wel zijn gebeurd, dan had eiser verweerders vermoedens eenvoudig kunnen weerleggen. Eiser is er steeds van uitgegaan dat de herziening en terugvordering gebaseerd was op de te verwachten betaling uit de nalatenschap.

6. De rechtbank is van oordeel dat uit het rechtmatigheidsonderzoek en met name uit de door eiser overgelegde bankafschriften gerede twijfel is ontstaan over de vraag op welke wijze eiser in de periode in geding heeft voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud. De uitkomsten van dit onderzoek bieden dan ook voldoende aanknopingspunten voor het door verweerder ingenomen standpunt dat eiser in de periode in geding naast zijn bijstandsuitkering andere inkomsten moet hebben genoten. Verweerder heeft middels schriftelijke uitnodigingen een aantal malen getracht met eiser de uitkomsten van het rechtmatigheidsonderzoek te bespreken. Dat gesprek, waar verweerder eiser om opheldering over diens bestedingspatroon had kunnen vragen, heeft niet plaatsgevonden nu eiser niet heeft gereageerd op de verschillende uitnodigingen. In bezwaar en beroep heeft eiser de stelling betrokken dat hij in de periode in geding naast zijn uitkering geen andere inkomsten heeft gehad en van het restant van zijn spaargeld boodschappen heeft betaald. Deze uitleg van eiser, inhoudende dat hij gedurende negen maanden zijn kosten van levensonderhoud heeft gefinancierd met een restant spaarbedrag van € 1.000,-, acht de rechtbank met verweerder niet aannemelijk, temeer nu dit sobere uitgavenpatroon niet overeenstemt met het royale uitgavenpatroon van eiser vóór de periode in geding. De verklaring van eiser omtrent het bezit van contant spaargeld strookt evenmin met zijn opgave bij de bijstandsaanvraag van 20 november 2012, waar hij te kennen heeft gegeven dat hij ten tijde van de aanvraag geen contant geld (vanaf € 100,-) bezat. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling van eiser, dat hij in de periode in geding naast zijn uitkering geen andere inkomsten heeft gehad.

7. Gelet op de uitkomsten van het rechtmatigheidsonderzoek en de omstandigheid dat eiser ondanks diverse verzoeken daartoe van verweerder heeft nagelaten om duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop hij in de periode in geding in de kosten van zijn levensonderhoud heeft voorzien, is er voldoende grondslag voor het standpunt van verweerder dat eiser ten tijde in geding naast zijn uitkering andere inkomsten heeft genoten. Dat eiser geen melding heeft gemaakt van het bestaan van deze andere bron van inkomsten levert een schending van de inlichtingenplicht op, waardoor verweerder eisers recht op bijstand over de periode in geding niet (langer) heeft kunnen vaststellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aangetoond dat ten tijde in geding wel recht bestond op bijstand. Verweerder was dan ook ingevolge artikel 54, derde lid, van de Wwb gehouden het recht op bijstand over de hier van belang zijnde periode te herzien. Het voorgaande betekent dat verweerder ook gehouden was de in de periode in geding ten onrechte uitgekeerde bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Wwb terug te vorderen. Niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan verweerder in dit geval van terugvordering had moeten afzien.

8. Het beroep tegen het bestreden besluit I (met het registratienummer SGR 14/4218) is ongegrond.

Het beroep met registratienummer SGR 14/4219 (de boete)

9. Zoals hiervoor in het beroep met registratienummer SGR 14/4218 door de rechtbank is vastgesteld heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden door verweerder geen duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop hij in de periode in geding in de kosten van zijn levensonderhoud heeft voorzien en evenmin melding heeft gemaakt van het bestaan van een andere bron van inkomsten. De schending van de inlichtingenplicht (de verweten gedraging) die tot de boete heeft geleid, heeft zich vanaf 20 november 2012 en dus voor een gedeelte vóór 1 januari 2013 afgespeeld.

10. De eerder opgelegde boete ter grootte van € 9.000,- is bij het bestreden besluit III verlaagd naar € 7.681,--. Op grond van artikel 6:19 Awb richt het beroep zich van rechtswege ook tegen deze wijziging, zodat thans ter beoordeling staat besluit II zoals gewijzigd bij besluit III.

11. Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (hierna: Wet aanscherping) in werking getreden. Hierbij is de bestuurlijke boete weer ingevoerd in het kader van de verlening van bijstand in geval van het niet naleven van de inlichtingenplicht en is de mogelijkheid van het opleggen van een maatregel in zoverre vervallen. In het op 1 januari 2013 in werking getreden artikel 18a, eerste lid, van de Wwb, is bepaald dat verweerder gehouden is een bestuurlijke boete op te leggen van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb.

11.1

De wetgever heeft in de Wet aanscherping voorzien in overgangsrecht. In artikel XXV, eerste lid van de Wet aanscherping is het volgende bepaald:

Ten aanzien van beboetbare overtredingen voorzien bij of krachtens de wetten die bij deze wet zijn gewijzigd en die zijn begaan uiterlijk op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden, blijft het recht, met inachtneming van het tweede lid, van toepassing, zoals dat gold op die dag. Van artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping heeft de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) geoordeeld dat dit artikellid buiten toepassing moet blijven vanwege strijd met artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

De rechtbank stelt vast dat eiser al bij bijstandsaanvang verweerder onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft in zijn financiën. De schending van de inlichtingenplicht is daarom al begonnen op 20 november 2012. Omdat artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping buiten toepassing gelaten moet worden, is op de periode van 20 november 2012 tot 1 januari 2013 het oude Maatregelenregime van toepassing. De in die periode verstrekte bijstand ten bedrage van € 1.587,94 is geringer dan € 4.000,-. Blijkens artikel 8, tweede lid, onder a, van de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen geldt bij een benadelingsbedrag tot € 4.000,- een maatregel van 30 % gedurende één maand, derhalve een bedrag van € 266,70. Verweerder heeft dit bedrag op goede gronden als "benadelingsbedrag" gehanteerd en bepaald dat dit bedrag dient te worden samengenomen met de vast te stellen boete over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013. De som van die bedragen zal dan de op te leggen bestuurlijke boete zijn.

11.2

Met het "Besluit aanscherping" van 13 oktober 2012 (Stb. 2012, 484), is een aantal wettelijke boeteregelingen in het kader van de "Wet aanscherping" per 1 januari 2013 gewijzigd, waaronder het Boetebesluit socialezekerheidswetten (hierna: Boetebesluit). In de considerans en in artikel 1, aanhef en onder k, van het Boetebesluit wordt de Wwb genoemd. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit (zoals dat sinds 1 januari 2013 luidt), wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag. Deze wijziging van het Boetebesluit lijkt mede te berusten op artikel 18a, negende lid, van de Wwb, en daarmee ook vanaf 1 januari 2013 te gelden voor boetes opgelegd ingevolge de Wwb.

11.3

Met de rechtbank Midden-Nederland in haar uitspraak van 26 augustus 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:3785) is de rechtbank van oordeel dat deze wijziging in het Boetebesluit niet per 1 januari 2013, maar per 1 juli 2014 voor boetes ingevolge de Wwb in werking is getreden. Voor een uitgebreide onderbouwing van dat oordeel wordt verwezen naar de genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank volstaat hier met het volgende.

11.4

In artikel 6b van het Boetebesluit, zoals dat thans luidt, is geregeld dat het Boetebesluit ook geldt voor boetes opgelegd ingevolge de Wwb. Ingevolge artikel III, onderdeel F, van het "Besluit aanscherping" is die bepaling uitgezonderd van inwerkingtreding op 1 januari 2013. In een analyse die het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: het Ministerie) naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland heeft opgesteld, bevestigt het Ministerie dat het hier gaat om een wetstechnische fout. Alleen artikel 6a van het Boetebesluit had uitgezonderd moeten worden van inwerkingtreding op 1 januari 2013, niet ook artikel 6b. De rechtbank volgt deze analyse niet voor zover achteraf wordt betoogd dat de gemaakte wetstechnische fout geen betekenis zou hebben voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit. Het volgen van de bedoeling van de wetgever wat betreft de werking van het Boetebesluit zou betekenen dat de duidelijke tekst van het "Besluit aanscherping" (algemeen verbindend voorschrift) waarin het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6b van het Boetebesluit is geregeld, terzijde wordt geschoven ten gunste van die bedoeling. Daarvoor is, zeker in een boetezaak als deze, geen plaats. Het "lex certa" beginsel verzet zich daartegen. Bovendien zou het in dit opzicht volgen van de analyse van het Ministerie betekenen dat een "grondslagbepaling" als artikel 6b van het Boetebesluit in het algemeen overbodig zou zijn en deze bepaling (evenals overigens artikel 6a) tot een dode letter maken. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen juiste interpretatie van het Boetebesluit.

11.5

De rechtbank stelt vast dat in artikel 13 van het Remigratiebesluit (Stb. 2014, 99) is geregeld dat artikel 6b alsnog aan het Boetebesluit is toegevoegd. De inwerkingtreding van het Remigratiebesluit – en daarmee van artikel 6b van het Boetebesluit – is gezien artikel 18 van het Remigratiebesluit bepaald op 1 juli 2014. Dit betekent dat het Boetebesluit niet van toepassing is in deze zaak.

11.6

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de Wwb is maximaal een boete mogelijk ter grootte van het benadelingsbedrag. De wetgever heeft kennelijk de afweging gemaakt dat een boete van die omvang blijft binnen de grenzen van de evenredigheid. Of dit tot billijke resultaten leidt is een vraag die de rechtbank gelet op artikel 11 van de Wet algemene bepalingen in het midden moet laten. Zij mag ingevolge die bepaling immers de innerlijke waarde of billijkheid van een wet in formele zin niet beoordelen.

11.7

Omdat in deze zaak artikel 18a van de Wwb wel, maar het Boetebesluit niet van toepassing is en dus de hoogte van de bestuurlijke boete wel bij wettelijk voorschrift is gemaximeerd, maar niet is vastgesteld op een gefixeerd bedrag, vindt toetsing aan het evenredigheidsbeginsel plaats binnen het kader van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. Ingevolge die bepaling stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij ingevolge de tweede volzin van dat artikellid zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

11.8

De volgende factoren zijn met name relevant voor het bepalen van de evenredigheid van een niet bij wettelijk voorschrift vastgestelde bestuurlijke boete:
- de aard en de ernst van de overtreding;

- de mate van verwijtbaarheid;

- de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd;

- de omstandigheden ten tijde van de boeteoplegging.


11.9 De rechtbank moet – deze factoren nalopend – een omvattende evenredigheidsbeoordeling maken, waarbij zij de relevante feiten en omstandigheden die passen binnen dit kader van factoren afweegt en ook het gelijkheidsbeginsel en een consistente boeteoplegging bewaken.


11.10 Op verweerder rust bij een boeteoplegging de verantwoordelijkheid om informatie te vergaren, zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Awb, maar als het gaat om persoonlijke omstandigheden reikt die verantwoordelijkheid niet verder dan dat verweerder eiser in de gelegenheid stelt om zijn persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen, zo veel mogelijk voorzien van bewijs. Eiser heeft een reactie op het voornemen hem een boete op te leggen gegeven en daarmee heeft verweerder aan deze zogeheten begeleidingsplicht voldaan.

11.11

Met toepassing van het hiervoor beschreven beoordelingskader oordeelt de rechtbank als volgt over de evenredigheid van de aan eiser opgelegde boete. De Wwb fungeert als een vangnet binnen het stelsel van de sociale zekerheid en bijstand wordt betaald van gemeenschapsgeld. Omdat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door geen duidelijkheid te verschaffen over hoe en waarvan hij heeft geleefd, is daarmee in het licht van het voorgaande sprake van een ernstige overtreding. Over de mate van verwijtbaarheid overweegt de rechtbank het volgende. Nu verweerder het aannemelijk heeft geacht dat eiser de brieven waarin hij werd uitgenodigd om opheldering te verschaffen niet heeft ontvangen, en eiser in bezwaar alsnog – zij het niet tot verweerders tevredenheid – verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot zijn financiën, is niet houdbaar dat de schending van de inlichtingenplicht eiser volledig kan worden verweten. Ten aanzien van de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd, acht de rechtbank van belang dat de moeder van eiser bij wie hij tot aan dat tijdstip had ingewoond zeer recent was overleden en eiser derhalve voor het eerst zelfstandig zijn eigen financiën moest organiseren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder in het (specifieke materieelrechtelijke) kader van artikel 18a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Wwb geheel had moeten afzien van het opleggen van de bestuurlijke boete. Wel is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het kader van de vereiste evenredigheidsbeoordeling geen rekening heeft gehouden met de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 5:46, tweede lid, van de Awb en artikel 18a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Wwb.

12. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit II, zoals gewijzigd bij bestreden besluit III, vernietigen.

12.1

De rechtbank komt tot de volgende finale beslechting van het geschil.

12.2

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit II. Gelet op het bepaalde in artikel 8:72a van de Awb, zal de rechtbank zelf de juiste hoogte van de boete bepalen. Het benadelingsbedrag over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013 bedraagt € 7.405,18. Gelet hierop alsmede met wat hiervoor is overwogen stelt de rechtbank de boete over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013 vast op € 700,-. Rekening houdend met het benadelingsbedrag van € 266,70 over de periode vóór 1 januari 2013, stelt de rechtbank de (totale) boete vast op € 966,70. De rechtbank acht deze boete in dit geval, mede gelet op het wettelijke maximum in artikel 18a, eerste lid, van de Wwb, evenredig.


13. In navolging van de rechtbank Midden-Nederland in haar hiervoor genoemde uitspraak, wijst de rechtbank eiser nog op de mogelijkheid van incidenteel hoger beroep, zoals geregeld in artikel 8:110 en verder van de Awb. Dit kan voor eiser van belang zijn wanneer hij zich in de uitspraak van de rechtbank kan vinden, maar verweerder er voor kiest hoger beroep in te stellen. Oordeelt de hoger beroepsrechter geheel anders dan de rechtbank, dan zou eiser met lege handen staan, omdat in dat geval verweerder de omvang van het geding in hoger beroep bepaalt. Incidenteel hoger beroep is dan het instrument voor eiser om ook zijn eigen argumenten in hoger beroep beoordeeld te krijgen. Daarnaast kan vanzelfsprekend ook eiser zelf hoger beroep instellen tegen deze uitspraak.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

in de zaak met registratienummer SGR 14/4218

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond;

in de zaak met registratienummer SGR 14/4219



- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II zoals gewijzigd bij besluit III gegrond;

- vernietigt dit besluit;

- herroept het primaire besluit II en legt aan eiser een boete op van € 966,70 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, voorzitter, en mr. J.L. Verbeek en mr. G.P. Verbeek, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2014.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.