Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14605

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
01-12-2014
Zaaknummer
14 / 13948
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belarus, homoseksualiteit, niet strafbaar, vermoedens, optreden autoriteiten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/13948
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 november 2014 in de zaak tussen

[naam 1], eiseres,

gemachtigde mr. B.A. Palm,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. X.J. Polak.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 mei 2014 (het bestreden besluit) waarbij haar asielaanvraag is afgewezen.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 24 september 2014. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig K.K. Mkrttsjan, tolk in de Russische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De termijn voor het doen van uitspraak is eenmaal verlengd.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1968 en bezit de Belarussische nationaliteit. Op 11 november 2013 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Zij heeft aan haar aanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres is in 2012 in het geheim een relatie aangegaan met een vrouw genaamd [naam 2]. De vader van [naam 2] is een rijk en invloedrijk persoon. Op 10 juni 2013 heeft de vader foto’s gezien van eiseres en haar vriendin en daaruit de conclusie getrokken dat ze een relatie met elkaar hadden. De vader heeft telefonisch aan eiseres laten weten dat zij [naam 2] niet meer mocht zien en dat het gevolgen zou hebben voor haar familie als de relatie bekend zou worden. Eiseres heeft tijdelijk van 11 juni tot 26 juni 2013 elders verbleven. Na terugkeer is zij twee keer door onbekenden aangevallen. De eerste keer was op 27 juni 2013. Zij heeft hiervan aangifte gedaan. Het politieonderzoek heeft niets opgeleverd. Eiseres heeft vervolgens tot 23 juli 2013 in een klein gehucht verbleven. Op 24 juli 2013 is eiseres opnieuw mishandeld door een onbekende. De mishandeling was zodanig dat eiseres van 25 juli tot 5 augustus 2013 in het ziekenhuis van [plaats] is opgenomen en aan een gescheurde galblaas moest worden geopereerd. Dezelfde rechercheur als bij de eerste aangifte heeft in het ziekenhuis proces-verbaal opgemaakt. Het - onder vier ogen gedane - advies van de betrokken politierechercheur was om te vertrekken naar het buitenland. Verder heeft eiseres verklaard dat haar werkgever in april 2013 haar heeft gevraagd om ontslag te nemen. Eiseres vermoedt dat haar homoseksualiteit daarvoor de reden is.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aanvraag van eiseres afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft het asielrelaas van eiseres geloofwaardig bevonden, maar acht het relaas onvoldoende zwaarwegend om gegronde vrees voor vervolging aan te nemen, dan wel een reëel risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer naar haar land van herkomst.

4. Eiseres heeft, onder verwijzing naar hetgeen zij eerder heeft aangevoerd, het volgende naar voren gebracht. Zij heeft in de beroepsgronden, de pagina’s 6 (situatie in het land van herkomst) en 7 (gedrag in het land van herkomst) uit het stuk ‘de methodiek LHBT & ASIEL voor advocaten’, opgesteld door het COC Nederland, nagenoeg letterlijk geciteerd.

Verder heeft eiseres de laatste alinea van een brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 juni 2014 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer als citaat opgenomen, rechtsoverweging 6 van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 december 2013 geciteerd en gewezen op de in de zienswijze opgenomen citaten uit het thematisch ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over homoseksuelen in Wit Rusland van 4 september 2012 inzake Belarus, het Country Report on Human Rights Practices 2013 – Belarus, 27 februari 2014 van het ‘US Department of State’ en het World Report 2014 – Belarus, 21 januari 2014 van ‘Human Rights Watch’.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. In artikel 29 van de Vw 2000 staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.

Ingevolge artikel 1 A van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Verdragsvluchtelingen komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 3 van het EVRM kan niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan behandeling als bedoeld in deze verdragsbepaling, komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder de verklaringen van eiseres over haar homoseksuele geaardheid, over haar relatie met een vrouw en over de twee mishandelingen door onbekenden niet in twijfel trekt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de vermoedens van eiseres over wie er verantwoordelijk is voor de twee mishandelingen, over de betrokkenheid van de politie daarbij en de reden voor het advies van haar werkgever om ontslag te nemen, terecht niet gevolgd. Hierbij is van belang dat eiseres haar vermoedens op geen enkele wijze kan onderbouwen. Zo kan uit de verklaringen van eiseres niet worden afgeleid wat de aanleiding was voor de mishandelingen en wie de daders waren. Omdat de daders onbekend zijn gebleven heeft ook de politie niets met de aangiftes kunnen doen.

Verder is er geen enkele aanwijzing dat de daders via medewerkers van de politie, met wie de vader van [naam 2] connectie zou hebben, op de hoogte zijn geraakt van haar geaardheid, nu eiseres daarover bij het doen van haar aangiftes niets heeft verteld. Voorts kan uit het feit dat eiseres en haar vriendin door één van de oprichters van het restaurant, waar eiseres sinds februari 2013 werkte, in een park en in een restaurant zijn gezien en eiseres geen gehoor gaf aan zijn wens om met haar af te spreken, niet worden opgemaakt dat zij vanwege haar geaardheid is ontslagen.

7. Vervolgens overweegt de rechtbank dat de Afdeling bij uitspraken 18 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2422, 2423 en 2424) heeft geoordeeld dat verweerder niet langer kan volstaan met een beoordeling van de verklaringen van de vreemdeling over gebeurtenissen in het land van herkomst. Verweerder moet ook onderzoek doen naar de wijze waarop de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst invulling zal geven aan zijn homoseksualiteit en mag van vreemdelingen niet langer terughoudendheid verlangen bij hun leven als homoseksueel.

Verweerder bij WBV 2014/3 het beleid inzake de beoordeling van LHBT-asielzoekers opnieuw vastgesteld. WBV 2014/3 is opgenomen in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) onder "Uitgangspunten beoordeling gronden van vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag", meer specifiek "Sociale groep – seksuele gerichtheid".

8. Verweerder heeft eiseres naar aanleiding van het voorgaande aanvullend gehoord en een aanvullend voornemen uitgebracht waarop eiseres een aanvullende zienswijze heeft uitgebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege de door haar gewenste openlijke expressie van haar lesbische gerichtheid, slachtoffer zal worden van geweld en discriminatie en dat zij dusdanig in haar bestaansmogelijkheden zal worden beperkt dat het voor haar onmogelijk zal zijn om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren.

Van belang hierbij is dat homoseksualiteit in Belarus niet verboden is en dat er geen sprake is van wetgeving die de rechten van homoseksuelen beperkt. Verweerder heeft daartoe terecht verwezen naar het thematische ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 4 september 2012 en terecht gesteld dat de rapporten inzake Belarus van respectievelijk het ‘US Department of State’ en ‘Human Rights Watch’ en de andere ingebrachte stukken, die ook algemeen van aard zijn, geen ander beeld van de situatie geven.

Voorts heeft verweerder terecht gewezen op haar eigen verklaringen waaruit niet is gebleken dat zij in het verleden vanwege haar geaardheid is mishandeld of gediscrimineerd. Ook heeft zij, mede gelet op haar verleden, niet aannemelijk gemaakt dat indien zij op de door haar gewenste openlijke wijze invulling zal geven aan haar geaardheid, de discriminatie in Belarus een dusdanige beperking van haar bestaansmogelijkheden zal opleveren dat het onmogelijk zal zijn op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag heeft. Evenmin is aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van eiseres naar Belarus leidt tot een reëel risico als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

10. Eiseres heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat haar aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres daarom terecht afgewezen.

11. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank


verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.