Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14545

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
RK 14-3496
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/84

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/808746-14

Kenmerk RK: 14/3496

Beschikking van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klaagster],

gevestigd te [adres],

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat

mr. F. Westenberg, Nieuwe Steen 22, 1625 HV Hoorn,

blijkens een daarvan opgemaakte akte op 13 augustus 2014 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekkende tot bepaling dat klaagster de gevorderde gegevens niet dient te verstrekken dan wel te gelasten dat de officier van justitie de vordering zal intrekken.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De rechtbank heeft dit beklag op 11 november 2014 in raadkamer behandeld.

Namens klaagster is in raadkamer [psychiater], psychiater en waarnemend geneesheer directeur, gehoord. Als raadsman van klaagster is mr. R. Westenberg, advocaat te Hoorn, in raadkamer gehoord.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag.

Ontvankelijkheid.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klaagster in haar beklag overweegt de rechtbank als volgt.

In het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar een steekincident op 17 juli 2014 in een woonkamer bij [klaagster] – waarbij twee patiënten van de instelling betrokken waren – heeft de officier van justitie op 18 juli 2014 met een “Vordering verstrekking historische gegevens (artikel 126nd/126ud eerste lid Sv)” camerabeelden van deze woonkamer van de afdeling High Care van de instelling gevorderd.

Klaagster heeft zich in een brief aan de officier van justitie van 22 juli 2014 op haar verschoningsrecht beroepen en zich het standpunt gesteld dat het haar niet vrij staat om de gevorderde beelden ter beschikking te stellen, omdat deze onder het medisch beroepsgeheim vallen.

Op 30 juli 2014 heeft de rechter-commissaris van deze rechtbank op vordering van de officier van justitie een “Machtiging verstrekken gevoelige gegevens ex artikel 126nf/126uf Sv” afgegeven, op grond waarvan de officier van justitie dezelfde dag de “Vordering verstrekking gevoelige gegevens (artikel 126nf/126uf Sv)” heeft gedaan.

Klaagster heeft hierop haar beklag gedaan. Klaagster heeft de camerabeelden weliswaar veiliggesteld in een kluis echter deze niet verstrekt aan het openbaar ministerie en de officier van justitie is evenmin tot inbeslagname overgegaan.

Het standpunt van klaagster en de officier van justitie

De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat klaagster ontvankelijk is in haar beklag.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het beklag zich richt tegen een vordering tot verstrekking van gevoelige gegevens te weten de beelden van een observatiecamera. Artikel 552a, eerste lid, Sv biedt naast de mogelijkheid om te klagen over inbeslagneming van voorwerpen ook - onder meer - de mogelijkheid om een beklag in te dienen tegen een vordering tot verstrekking van gegevens. Daar waar het gaat om een vordering tot verstrekking van gegevens behoeven de gegevens niet te zijn verstrekt alvorens beklag te kunnen indienen. De rechtbank ontvangt klaagster dan ook in haar beklag.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het beklag. Het klaagschrift is tijdig ingediend.

Inhoudelijke beoordeling van het beklag.

Het standpunt van klaagster

Klaagster heeft erop gewezen dat zij een aanzienlijk risico zou lopen dat tegen haar een tuchtrechtelijke klacht zou worden ingediend, wanneer zij zonder meer de camerabeelden ter beschikking zou stellen.

Dat de beelden onder het beroepsgeheim vallen, is volgens klaagster niet in geschil. Het is aan de hulpverlener om de afweging te maken om het beroepsgeheim al dan niet prijs te geven. Vooralsnog heeft de hulpverlener onvoldoende informatie om een goede afweging te kunnen maken tussen het beroepsgeheim en de noodzaak voor het openbaar ministerie om te kunnen beschikken over de camerabeelden.

Klaagster heeft toegelicht dat de camera’s in de woonkamer dienen ter observatie van het gedrag van de bewoners. Het gedrag dat op de beelden wordt waargenomen kan van belang zijn voor de behandeling van de bewoners, die erop hebben vertrouwd dat de beelden alleen voor dat doel worden gebruikt. De mogelijkheid bestaat daarnaast dat niet alleen de verdachte en het slachtoffer op de beelden staan, maar ook andere bewoners. Naar de mening van klaagster is voorts onvoldoende getracht van de patiënten toestemming te verkrijgen om de beelden ter beschikking te kunnen stellen.

Klaagster heeft zich, tot slot, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de aanwezigheid van omstandigheden die zouden maken dat het strafvorderlijk belang om de waarheid aan het licht te brengen moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich met een beroep op vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld HR 9 mei 2006, AV2386, op het standpunt gesteld dat het medisch verschoningsrecht niet absoluut is en dat er zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Van een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid is in het onderhavige geval sprake, omdat de relevante gegevens niet op een andere wijze kunnen worden verkregen en andere onderzoeksmiddelen zijn uitgeput. In de belangenafweging moet volgens de officier van justitie worden betrokken dat niet gevraagd wordt om bijvoorbeeld een verslag van een (medische) behandeling of andere gegevens over medische of psychische toestand van verdachte of slachtoffer, maar om beelden van wat zich feitelijk heeft afgespeeld. Uit het dossier volgt dat verdachte en slachtoffer de enigen in de woonkamer waren. Twee verpleegkundigen hebben verklaard over wat zij onmiddellijk na het incident hebben gehoord en gezien. Zowel verdachte als het slachtoffer hebben onsamenhangende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Zonder de camerabeelden is onmogelijk te achterhalen wat zich precies in de woonkamer heeft afgespeeld (wie heeft gestoken, wat was de aanleiding). Op 31 oktober 2014 is door het NIFP vastgesteld dat met verdachte niet te praten viel en dat hij (nog steeds) psychotisch was. Om toestemming voor het verstrekken van de beelden is niet gevraagd omdat werd verwacht dat verdachte en het slachtoffer niet in staat zouden zijn de strekking van die vraag en de eventuele gevolgen van hun antwoorden daarop te kunnen bevatten.

Het oordeel van de rechtbank

Nu de camerabeelden dienen ter observatie van patiënten en hun gedrag en – zoals door de psychiater in raadkamer naar voren gebracht – voor het bijstellen van een behandeling van patiënten, kwalificeert de rechtbank deze beelden als medische gegevens voor behandeldoeleinden die vallen onder het medische beroepsgeheim op grond waarvan klaagster het (afgeleide) verschoningsrecht toekomt.

Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde, om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verschoningsrecht van onder meer een arts echter in zoverre niet absoluut is, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van hetgeen aan de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, is niet in een algemene regel te vatten. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden – en derhalve van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden zware motiveringseisen.

Bij de beantwoording van die vraag heeft de rechtbank de volgende omstandigheden afgewogen.

Uit het dossier en het verhandelde in raadkamer is duidelijk geworden dat op 17 juni 2014 in de woonkamer van [klaagster] een steekincident heeft plaatsgevonden waarbij één van de twee aldaar aanwezige patiënten twee steekwonden heeft opgelopen. Na het incident is de gestoken patiënt met een mes in zijn handen aangetroffen door het personeel van de instelling. Dit incident betreft derhalve een zeer ernstig feit, een levensdelict, dat over het algemeen in de maatschappij grote ophef veroorzaakt.

Het is – gezien de wisselende verklaringen van de betrokkenen en het feit dat er geen directe getuigen van het incident zijn – voldoende komen vast te staan dat de gevorderde camerabeelden onmisbaar zijn voor het aan de dag brengen van de waarheid omtrent het incident en hetgeen daaraan voorafging. Van een alternatieve mogelijkheid is niet gebleken.

Vooropgesteld dat het op zichzelf wenselijk is dat om toestemming voor het verstrekken van gevorderde gegevens wordt gevraagd, kent de rechtbank aan het feit dat niet om toestemming is gevraagd in dit geval geen doorslaggevend belang toe. Noch verdachte noch het slachtoffer verkeren in goede geestelijke gezondheid en voor verdachte geldt dat er tot recent (nog) niet of nauwelijks met hem te praten viel. Het is dan ook nog maar zeer de vraag in hoeverre gewicht zou mogen worden toegekend aan een eventueel verleende toestemming.

Van doorslaggevend belang acht de rechtbank evenwel de omstandigheid dat de camerabeelden weliswaar vallen onder het medisch beroepsgeheim, nu zij door een deskundige waar te nemen medische gegevens bevatten, maar voor een medisch leek slechts feitelijke gedragingen tonen en derhalve geen inzage geven in de directe behandelrelatie tussen arts en patiënt. De aard en de omvang van de inbreuk die het verstrekken van de beelden zal maken op het medisch beroepsgeheim is dan ook beperkt. Hierbij is uiteraard van belang dat uit het dossier niet anders blijkt dan dat enkel verdachte en slachtoffer op de beelden zijn afgebeeld.

Al deze omstandigheden afwegende is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het belang van het aan het licht brengen van de waarheid moet prevaleren boven het belang dat wordt gediend met het verschoningsrecht.

Gezien het vorenstaande zal het beklag ongegrond worden verklaard.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, mr. E.C.M. Bouman en mr. E.M.A. Vinken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Sepmeijer-Kovacevic, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 november 2014.