Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14507

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6859
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2232, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/6859

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

en

de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. K van den Bogaard en S. Bolte).

Procesverloop

Eiseres heeft verzocht verweerder te veroordelen in de door haar gestelde schade die is ontstaan wegens onrechtmatig handelen van verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2014.

Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Voorop gesteld dient te worden dat ter zitting is gebleken dat het eiseres in deze procedure enkel gaat om de door haar gevorderde schadevergoeding ter hoogte van € 55681,04 van verweerder vergoedt te krijgen. Eiseres heeft desgevraagd aangegeven dat het haar niet gaat om het verkrijgen van de dwangsommen zodat zij haar gronden ten aanzien daarvan niet langer handhaaft. Eiseres heeft in aansluiting daarop betoogd dat haar beroepschrift van 21 juli 2014 en de aanvullingen daarop dienen te worden gezien als een verzoek om schadevergoeding bij de bestuursrechter. Eiseres heeft de rechtbank verzocht de door haar gevorderde schadevergoeding van € 55681,04 toe te wijzen.

2.1.

Eiseres stelt zich met betrekking tot het door haar ingediende verzoek om schadevergoeding op het volgende standpunt. Door fouten van het Openbaar Ministerie (OM) heeft zij zich niet kunnen voegen als benadeelde partij in de strafzaak tegen haar ex-echtgenoot. Hierdoor heeft zij haar geleden schade van € 55681,04 niet op haar ex-echtgenoot in de strafrechtelijke procedure kunnen verhalen. Eiseres heeft zich als benadeelde partij gevoegd in een strafproces tegen haar ex-echtgenoot inzake valsheid in geschrifte. Op 14 maart 2012 heeft eiseres een brief ontvangen waarin wordt aangegeven dat er een sepotbeslissing is genomen ten aanzien van de ten laste gelegde verduistering. Per brief van 1 juni 2012, drie maanden na de datum van het vonnis van 27 februari 2012, blijkt dat haar ex-echtgenoot is vrijgesproken. Omstreeks augustus 2012 heeft eiseres dit vonnis ontvangen en is zij op de hoogte gebracht van het feit dat haar ex-echtgenoot is vrijgesproken van verduistering. Eiseres heeft hierdoor geen beroep of verzet kunnen aantekenen tegen dit vonnis. Het is onduidelijk wat er met de aangifte van eiseres van 16 oktober 2004 met betrekking tot het ten laste gelegde feit valsheid in geschrifte is gebeurd waarin zij zich onder andere heeft gevoegd als benadeelde partij met een schade van € 55681,04. Er is aantoonbaar enkel en alleen geoordeeld door de politierechter op de aangifte van een strafbaar feit uit 2008 met betrekking tot de Rabobank. Het voegingsformulier is niet in het strafdossier voor de rechter gevoegd, ook de slachtofferverklaring die eiseres heeft opgesteld is niet in het dossier gevoegd. De Officier van Justitie heeft nooit aangegeven de aangifte van eiseres uit 2004 te seponeren. Het gaat om schade die veroorzaakt is binnen het kader van de uitoefening van de aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, en hier dient aldus een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Awb op genomen te worden. Eiseres is van mening dat haar verzoek geen betrekking heeft op een situatie zoals bedoeld in artikel 1:6, aanhef en onder a van de Awb. Er is geen sprake van opsporing en vervolging van strafbare feiten alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Eiseres heeft een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens een omissie van het Openbaar ministerie omdat het voegingsformulier aantoonbaar door het OM niet in het strafdossier voor de rechter is gevoegd.

2.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat gezien hetgeen is bepaald in artikel 1:6 van de Awb geen bezwaar en beroep open staat tegen een beslissing op een verzoek om schadevergoeding die voortvloeit uit een strafprocedure. Er is sprake van een civiel geschil. De Officier van Justitie heeft uiteindelijk besloten de verdachte alleen te vervolgen voor verduistering. De door eiseres ingediende vordering benadeelde partij is wel meegenomen in deze strafprocedure, maar niet-ontvankelijk verklaard, nu de verdachte is vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

3. De rechtbank begrijpt eiseres aldus dat het door haar ingestelde beroep dient te worden opgevat als een verzoek om schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar verzoek gesteld dat het OM onrechtmatig heeft gehandeld door de door eiseres opgestelde vordering benadeelde partij niet in te brengen in het strafproces, waarbij de voormalige echtgenoot van eiseres de verdachte was. De rechtbank stelt vast dat uit de processtukken en de daarop door verweerder ter zitting gegeven toelichting blijkt dat het door eiseres ingevulde voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, waarbij zij een bedrag van € 55681,04 vorderde, wel is ingebracht in het strafproces, maar dat deze vordering door de strafrechter niet-ontvankelijk is verklaard omdat de verdachte is vrijgesproken van hetgeen ten laste is gelegd. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 1:6, onder a, van de Awb volgt dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Reeds gelet hierop kan het verzoek om schadevergoeding bij de bestuursrechter op grond van artikel 8:88 van de Awb niet slagen.

4. Gezien hetgeen onder rechtsoverweging 3 is overwogen is de bestuursrechter niet bevoegd kennis te nemen van het verzoek van eiseres om verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade en moet dit verzoek daarom worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.C Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J. Edens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.