Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14478

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
ABW 14/23751
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 59 Vw; arrest Mahdi; lichter middel

Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 juni 2014, in de zaak Mahdi tegen Bulgarije (C-146/14 PPU, curia.europa.eu) heeft ook relevante betekenis voor een eerste besluit tot oplegging van een maatregel van bewaring.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat uit voornoemd arrest van het Hof volgt dat de rechtbank vol dient te toetsen of verweerder had dienen te volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Het systeem in Nederland, waarbij de rechtbank enigszins terughoudend toetst of met een lichter middel kon worden volstaan en waarbij de rechtbank, indien dat het geval is, beveelt om de vreemdeling onmiddellijk in vrijheid te stellen, is niet in strijd met het arrest van het Hof.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-11-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14 / 23751

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 3 november 2014 in de zaak tussen

[eiser],geboren op [geboortedatum],

van Russische nationaliteit, verblijvende in het Justitieel Complex Schiphol,

eiser,

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).

Procesverloop

Op 14 oktober 2014 is aan eiser de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op 14 oktober 2014 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.K. van Middelkoop, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw het beroep gegrond.

2. Verweerder heeft aan de oplegging van de maatregel ten grondslag gelegd dat het belang van de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich zal onttrekken aan het toezicht en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzetting ontwijkt of belemmert.

3. Eiser voert aan dat aan de aan hem opgelegde maatregel ten onrechte ten grondslag is gelegd dat een significant risico bestaat op onderduiken. Eiser wordt niet overgedragen op grond van de Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Verordening), maar eiser is op grond van de Verordening overgenomen van Finland. Het criterium dat een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, is daarom niet van toepassing.

3.1

Verweerder heeft ter zitting erkend dat aan de maatregel ten onrechte (ook) ten grondslag is gelegd dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, als bedoeld in artikel 5.1a, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), nu geen concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Verordening. Verweerder heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat de overige gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken of dat eiser de voorbereiding van zijn vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, Vb, de maatregel zelfstandig kunnen dragen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

4. Eiser voert aan dat bij het opleggen van de maatregel geen kenbare belangenafweging heeft plaatsgevonden, zoals vereist op grond van het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf A5/6.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), omdat eiser een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Uit het besluit tot het opleggen van de maatregel wordt alleen het belang van verweerder, dat risico bestaat op het onttrekken aan het toezicht, genoemd, terwijl aan de belangen aan de kant van eiser geen aandacht is besteed. Het belang van eiser is gelegen in het feit dat hij hartklachten heeft, zoals blijkt uit het formulier van aanmelding van eiser bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van 14 oktober 2014. Dat eiser is overgenomen uit het strafrechtelijk traject, zoals in de belangenafweging is genoemd, is niet gerelateerd aan onttrekkingsgevaar. Uit voornoemd beleid blijkt dat de inbewaringstelling van een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend, beperkt dient te geschieden en dat overleg dient plaats te vinden met de IND.

4.1

Uit het besluit tot oplegging van de maatregel blijkt dat de hulpofficier van justitie die de maatregel heeft opgelegd, overleg heeft gevoerd met de IND, en betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat eiser een (herhaalde) aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en in verband daarmee een belangenafweging heeft gemaakt. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder, gelet op de door hem genoemde en door eiser niet bestreden omstandigheden, in de belangenafweging geen doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van verweerder te voorkomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat eiser last heeft van hartritmestoornissen, is geen omstandigheid die verweerder ten onrechte niet in zijn belangenafweging heeft betrokken. Gesteld noch gebleken is dat eiser daardoor detentieongeschikt is of dat de medische voorzieningen voor eiser in detentie onvoldoende zullen zijn.
Verweerder heeft ter zitting erkend dat uit de strafrechtelijke veroordelingen van eiser, wegens diefstal van bier en tandpasta, niet de conclusie kan worden getrokken dat het risico bestaat dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken, nu deze veroordelingen daarmee niet in verband staan. Verweerder heeft daarom de grond die hij aan de inbewaringstelling ten grondslag heeft gelegd, dat eiser is veroordeeld voor enig misdrijf, als bedoeld in artikel 5.1b, vierde lid, aanhef en onder e, Vb, ter zitting laten vallen.
Het voorgaande doet er niet aan af dat verweerder in zijn belangenafweging ten nadele van eiser wel betekenis heeft kunnen toekennen aan het feit dat eiser strafrechtelijk is veroordeeld. Volgens voornoemd beleid, neergelegd in paragraaf A5/6.1 Vc, zal de vreemdeling die een gevaar vormt voor de openbare orde vanwege criminele antecedenten en een (herhaalde) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel indient, immers in beginsel in bewaring worden gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, Vw.
De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert aan dat hij voorafgaande in de inbewaringstelling in strijd met artikel 28, eerste lid, aanhef en onder f, Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) is gehoord in de Engelse taal zonder bijstand van een tolk. Eiser is het Engels weliswaar machtig, maar de ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) die eiser in het Engels heeft gehoord, is geen beëdigde tolk. Eiser heeft daardoor onvoldoende zijn belangen naar voren kunnen brengen.

5.1

Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor van [..] oktober 2014 blijkt dat eiser in de Engelse taal is gehoord en dat deze taal door de verbalisant en door eiser in voldoende mate wordt beheerst. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een tolk. Uit artikel 28, eerste lid, aanhef en onder f, Wbtv volgt niet dat de Kmar in alle gevallen dat zij in het kader van het vreemdelingenrecht een vreemdeling hoort, gebruik dient te maken van een tolk, maar dat, in het geval dat gebruik wordt gemaakt van een tolk, dit een beëdigde tolk dient te zijn. Uit het proces-verbaal blijkt ook overigens niet, dat eiser de verbalisant onvoldoende zou hebben begrepen of dat eiser onvoldoende in staat was om te verklaren.
De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert, subsidiair, aan dat aan hem, gezien zijn hartklachten, een lichter middel dan bewaring opgelegd had moeten worden. Eiser stelt zich daarbij op het standpunt dat de rechtbank vol moet toetsen of een lichter middel kan worden toegepast. Eiser verwijst daartoe naar paragraaf 62 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 juni 2014, in de zaak Mahdi tegen Bulgarije (C-146/14 PPU, curia.europa.eu).

6.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het enkele feit dat sprake is van medische omstandigheden, onvoldoende is om te volstaan met een lichter middel. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat voornoemd arrest van het Hof in deze zaak toepassing mist, omdat het arrest betrekking heeft op een verlengingsbesluit, en nu een eerste besluit tot oplegging van de maatregel van bewaring voorligt.

6.2

In paragraaf 62 van voornoemd arrest van het Hof van 5 juni 2014 is onder meer het volgende overwogen:

[…] een juridische autoriteit die beslist over een verzoek tot verlenging van de bewaring, moet kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om te bepalen of een verlenging van de bewaring gerechtvaardigd is […], wat een grondig onderzoek impliceert van de feitelijke elementen van elk concreet geval. Wanneer de aanvankelijk gelaste bewaring niet langer is gerechtvaardigd ten opzichte van deze vereisten, moet de bevoegde rechterlijke autoriteit haar beslissing in de plaats kunnen stellen van die van de administratieve autoriteit […] en kunnen beslissen over de mogelijkheid om een vervangende maatregel of de invrijheidstelling van de derdelander te gelasten. Daartoe moet de rechterlijke autoriteit die beslist over een verzoek tot verlenging van de bewaring in staat zijn rekening te houden zowel met de feitelijke elementen en de bewijzen die zijn aangevoerd door de administratieve autoriteit die de aanvankelijke bewaring heeft gelast, als met de eventuele opmerking van de betrokken derdelander. Bovendien moet zij elk ander voor haar beslissing relevant element kunnen onderzoeken […]. Daaruit volgt dat de bevoegdheden van de rechterlijke autoriteit in het kader van een controle in geen geval kunnen zijn beperkt tot louter de elementen die door de betrokken administratieve autoriteit zijn aangevoerd.

6.3

Hoewel voornoemd arrest betrekking heeft op een besluit tot verlenging van de bewaring na zes maanden, en niet, zoals in deze zaak, op een eerste besluit tot het opleggen van een maatregel tot bewaring, is er geen grond voor het oordeel, zoals door verweerder betoogd, dat het arrest voor deze zaak geen relevante betekenis heeft. Het arrest heeft immers betrekking op de wijze van beoordeling van een (verzoek tot) verlenging van de bewaring en de vraag of met een lichter middel kan worden volstaan. De wijze van beoordelen of met een lichter middel kan worden volstaan bij een beslissing tot verlenging van de bewaring verschilt niet wezenlijk van die beoordeling bij de oplegging van de maatregel.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat uit voornoemd arrest van het Hof volgt dat de rechtbank vol dient te toetsen of verweerder had dienen te volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Uit de overwegingen van het Hof (paragrafen 58 tot en met 62) volgt dat de juridische autoriteit die beslist op een verzoek tot (verlenging van de) bewaring, moet kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element en dat hij de feitelijke elementen grondig dient te onderzoeken. Anders dan in het Bulgaarse systeem, waarop het arrest van het Hof betrekking heeft, beslist in het Nederlandse systeem niet de rechter op een verzoek tot (verlenging van de) bewaring, maar neemt verweerder een besluit tot bewaring, dat op grondslag van het beroep van de vreemdeling door de rechter wordt getoetst. De juridische autoriteit die beslist over (een verzoek tot) verlenging van de bewaring is dus, anders dan in Bulgarije, in het Nederlandse systeem niet de rechter, maar het bestuursorgaan. Verweerder dient dan ook, volgens de overwegingen van het Hof, in het kader van de vraag of met een lichter middel kan worden volstaan, grondig onderzoek te verrichten naar de feitelijke omstandigheden van het concrete geval.
Uit het arrest volgt dat de rechtbank, indien zij vervolgens het besluit van verweerder tot inbewaringstelling van de vreemdeling toetst, moet kunnen beslissen over elk feitelijk en juridisch element. Dat betekent dat de rechtbank niet alleen rekening houdt met feitelijke en juridische elementen die verweerder aan zijn besluit tot inbewaringstelling ten grondslag heeft gelegd, maar ook met feitelijke en juridische elementen die door eiser zijn aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan.
Uit paragraaf 62 van het arrest volgt voorts dat, wanneer de door verweerder opgelegde maatregel van bewaring niet langer is gerechtvaardigd ten opzichte van de vereisten (rechtbank: waaronder de mogelijkheid van een lichter middel), de rechterlijke autoriteit zijn beslissing in de plaats moet kunnen stellen van die van de administratieve autoriteit en moet kunnen beslissen over de mogelijkheid om een vervangende maatregel of de invrijheidsstelling van de derdelander te gelasten. Het systeem in Nederland, waarbij de rechtbank enigszins terughoudend toetst of met een lichter middel kon worden volstaan en waarbij de rechtbank, indien dat het geval is, beveelt om de vreemdeling onmiddellijk in vrijheid te stellen, is hiermee niet in strijd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 april 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ3797)).

6.4

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, gelet op de door hem aangevoerde gronden voor de inbewaringstelling, zijn daarop gegeven toelichting en in zijn belangenafweging betrokken omstandigheden, niet met een minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Het feit dat eiser hartklachten heeft, heeft verweerder, in het licht van de door hem naar voren gebrachte omstandigheden, niet ten onrechte onvoldoende geacht om een minder dwingende maatregel toe te passen. Gesteld noch gebleken is immers dat eiser daardoor detentieongeschikt is of dat de medische voorzieningen voor eiser in detentie onvoldoende zullen zijn.
De beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond.

8. De rechtbank zal het verzoek om het toekennen van schadevergoeding afwijzen, omdat zij de opheffing van de maatregel van bewaring niet zal bevelen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2014.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.