Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14470

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
15-04-2015
Zaaknummer
14_7761 OB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2015:2126, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Eiser heeft in mei 2012 zonnepanelen gekocht en is vanaf 20 juni 2013 bij de Belastingdienst als ondernemer geregistreerd. Op de factuur voor de aankoop van de zonnepanelen is €1.269 omzetbelasting in rekening gebracht. Voor het tijdvak van 11 september 2013 tot en met 30 september 2013 heeft verweerder bij beschikking teruggaaf omzetbelasting verleend ten bedrage van €1.269. In januari 2014 heeft verweerder voor deze teruggaaf een naheffingsaanslag opgelegd omdat in dit tijdvak geen recht bestond op deze teruggaaf. Artikel 20, eerst lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen biedt verweerder de mogelijkheid om ook in dit soort situaties ten onrechte verleende teruggaaf van belasting na t heggen. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen nu hij niet aannemelijk maakt dat verweerder ondubbelzinnig en ongeclausuleerde mededingen heeft gedaan dan wel handelingen heeft verricht of nagelaten waaraan eiser het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Daarbij heeft verweerder voorafgaand aan de afgegeven teruggaafbeschikking expliciet meegedeeld dat de teruggaaf zou worden geweigerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20, geldigheid: 2015-04-15
Wet op de omzetbelasting 1968 14, geldigheid: 2015-04-15
Wet op de omzetbelasting 1968 31, geldigheid: 2015-04-15
Algemene wet inzake rijksbelastingen 3, geldigheid: 2015-04-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0986 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2015/891
V-N 2015/25.2.3
Belastingadvies 2015/11.9

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/7761

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2014 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. S. van der Hoeven),

en

[P] , verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 1 augustus 2014 op het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting met aanslagvolgnummer [nummer] voor het tijdvak van 11 september 2013 tot en met 30 september 2013 (de naheffingsaanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2014.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft in 2012 zonnepanelen gekocht en daarvoor een factuur ontvangen met factuurdatum 15 mei 2012 (de factuur). Op de factuur is een bedrag van € 1.269 aan omzetbelasting in rekening gebracht (de voorbelasting).

2. Op 20 juni 2013 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen arrest gewezen in zaak C219/12 (de zaak Fuchs) en daarbij geoordeeld dat de exploitatie van zonnepanelen op of nabij een woning onder het begrip economische activiteiten van artikel 4 van de Zesde Richtlijn (thans artikel 9 van de BTW-Richtlijn) valt.

3. Bij brief van 8 augustus 2013 heeft eiser verweerder verzocht om te worden geregistreerd als ondernemer en heeft hij verzocht om teruggaaf van de voorbelasting.

4. Op 11 oktober 2013 is eiser met terugwerkende kracht tot 20 juni 2013 als ondernemer geregistreerd in de systemen van de belastingdienst en heeft verweerder aangiften uitgereikt voor de perioden vanaf 11 september 2012.

5. Op 18 november 2013 heeft eiser zijn verzoek om teruggaaf van de voorbelasting herhaald. Op 29 november 2013 heeft eiser de aangifte omzetbelasting ingediend voor het tijdvak 11 september 2012 tot en met 30 september 2012. Als bijlage bij de aangifte is een kopie van de factuur gevoegd.

6. Bij brief van 12 december 2013 heeft verweerder eiser het volgende meegedeeld:
“Ik heb ter beoordeling uw aangifte omzetbelasting welke door U is ondertekend op 29 november 2013. U vraagt in uw aangifte geen omzetbelasting terug maar heeft een factuur toegevoegd met € 1.269 omzetbelasting die betrekking heeft op een investering zonnepanelen. Uit de meegezonden factuur leid ik af dat het een investering betreft die gefactureerd is op 15 mei 2012. Omdat deze investering gedaan is voor 1 april 2013 ben ik voornemens de teruggave te weigeren.”
In de brief wordt verwezen naar het Vraag en antwoorden besluit van 7 november 2013 van de Staatssecretaris van Financiën over het ondernemerschap van exploitanten van zonnepanelen. Dit besluit is als bijlage bij de brief gevoegd.

7. Met dagtekening 20 december 2013 heeft verweerder voor het tijdvak van 11 september 2013 tot en met 30 september 2013 bij beschikking een teruggaaf omzetbelasting verleend ten bedrage van € 1.269 (de teruggaafbeschikking).

8. Eiser heeft op 22 december 2013 een brief ontvangen van de belastingdienst waarin hem, in verband met de teruggaafbeschikking, werd verzocht zijn bankrekeningnummer te actualiseren (de rekeningbrief). In de week van 6 januari 2014 heeft eiser telefonisch contact gehad met een medewerker van de belastingdienst. Eiser wees daarbij op de teruggaafbeschikking en volgens eiser heeft de belastingambtenaar toen gezegd “dat is dan niet goed gegaan. Dat herstel ik wel.”

9. Vervolgens is met dagtekening 25 januari 2014 de naheffingsaanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van € 1.269.

10. Eiser stelt primair dat verweerder in het onderhavige geval niet op basis van artikel
20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) mocht naheffen. Subsidiair stelt eiser dat bij hem, door de teruggaafbeschikking van 20 december 2013, telefonische contacten met de belastingdienst en de rekeningbrief, het vertrouwen is gewekt dat de teruggaaf juist is en dat verweerder daar niet op zou terugkomen. In dat verband wijst eiser tevens op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 10 december 2009, nummer CPP2009/2461M (Besluit ambtshalve verminderen of teruggeven).

10. Artikel 20, eerste lid, van de Awr luidt, voor zover hier van belang:

‘1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag (…) teruggaaf van belasting is verleend.’



Per 1 januari 2010 is de naheffingsmogelijkheid van artikel 20 van de Awr niet langer beperkt tot teruggaven ingevolge een in de belastingwet gedaan verzoek. De reden voor deze verruiming is dat de inspecteur onder de oude regeling niet de mogelijkheid had ambtshalve teruggegeven bedragen na te heffen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat artikel 20 Awr alleen van toepassing is wanneer de teruggaafbeschikking zonder nader onderzoek is verleend. De wettekst biedt voor een dergelijke beperkte uitleg geen aanknopingspunten.

13. Niet in geschil is dat de teruggaafbeschikking is afgegeven voor het tijdvak van
11 september 2013 tot en met 30 september 2013 en dat voor dat tijdvak geen recht bestaat op teruggaaf. De teruggaafbeschikking is dan ook ten onrechte afgegeven.

14. Ook indien de teruggaafbeschikking zou worden beschouwd als een (ambtshalve) teruggaaf over het tijdvak mei 2012 waarbij een verkeerd tijdvak is vermeld, is sprake van een ten onrechte afgegeven teruggaafbeschikking omdat het verzoek om teruggaaf te laat is ingediend. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

14.1

Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij kort na de installatie van de zonnepanelen is begonnen met zijn economische activiteiten bestaande uit de levering van elektriciteit. Op grond van artikel 14 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet) had hij dus vanaf dat moment aangifte moeten doen. Ingevolge het bepaalde in artikel 31, eerste lid van de Wet moet een verzoek om teruggaaf geschieden bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan, in onderhavig geval de aangifte over het tijdvak mei 2012.

14.2

Eiser had ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 reeds vóór 1 juli 2012 moeten verzoeken om uitreiking van aangiften. Eiser heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat hij dit niet eerder dan op
8 augustus 2013 heeft gedaan. Dat betekent dat eiser te laat heeft gevraagd om uitreiking van aangiften en dat het verzoek om teruggaaf dat op die aangiften zou kunnen worden gedaan daarmee eveneens te laat is ingediend. Dat eiser zich eerst na de zaak Fuchs realiseerde dat hij ondernemersactiviteiten ontplooide, maakt dat niet anders.

15. Nu sprake is van een teruggaafbeschikking die ten onrechte is afgegeven naar aanleiding van een verzoek van eiser, mocht verweerder op grond van artikel 20 Awr de naheffingsaanslag opleggen. Dat neemt echter niet weg dat onder omstandigheden het vertrouwensbeginsel aan een naheffing van eerder teruggegeven belasting in de weg kan staan.



De vraag dient dan ook te worden beantwoord of eiser er op heeft mogen vertrouwen dat verweerder, anders dan hij in zijn brief van 12 december 2013 heeft meegedeeld, daadwerkelijk heeft bedoeld (ambtshalve) teruggaaf te verlenen én dat hij op die teruggaaf niet meer zou terugkomen.

17. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slechts slagen indien eiser aannemelijk maakt dat door verweerder ondubbelzinnige en ongeclausuleerde mededelingen zijn gedaan dan wel handelingen zijn verricht of nagelaten, waaraan eiser het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Er zijn weliswaar telefonische contacten geweest tussen eiser en een medewerker van de belastingdienst over de wijze waarop hij als ondernemer diende te handelen, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarin dergelijke mededelingen zijn gedaan. Vervolgens heeft verweerder met de brief van 12 december 2013 expliciet meegedeeld dat de teruggaaf zal worden geweigerd. Eiser heeft uit de teruggaafbeschikking en de rekeningbrief niet kunnen en mogen afleiden dat verweerder kennelijk heeft willen terugkomen op zijn standpunt als verwoord in de brief van 12 december 2013. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat voorafgaand aan de teruggaafbeschikking een uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden en dat hij daarom, ondanks de brief van 12 december 2013, erop mocht vertrouwen dat op de teruggaafbeschikking niet zou worden teruggekomen. Het enkele feit dat het verzoek om teruggaaf van augustus 2013 is aangehouden in afwachting van door de staatssecretaris te formuleren beleid naar aanleiding van het Fuchs-arrest, kan niet als een dergelijk onderzoek worden aangemerkt. Dat er tussen de brief van 12 december 2013 en de teruggaafbeschikking nog enig onderzoek heeft plaatsgevonden, is gesteld noch gebleken.

18. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd over de vraag of in onderhavig geval kan worden gesproken over nieuwe jurisprudentie als bedoeld in het Besluit ambtshalve verminderen of teruggeven, behoeft geen behandeling omdat de beslissing van verweerder om al dan niet ambtshalve teruggaaf te verlenen niet voor bezwaar en beroep vatbaar is. De rechtbank is daarom niet bevoegd daarover te oordelen.

19. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2014.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.