Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14467

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
01-12-2014
Zaaknummer
C-09-449790 - HA ZA 13-972
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen bestuurdersaansprakelijkheid. Volstortingsplicht en inbrengtransactie. Wel twee deelvorderingen toegewezen. Schadevergoeding en pauliana.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0441
AR 2014/904
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel (civiele bodemzaken), zittingsplaats Den Haag

Vonnis van 26 november 2014

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/449790 / HA ZA 13-0972 van:

mr. J.A.M. REUSER, als curator in het faillissement van Art of the Future BV,

de curator kantoorhoudende te Pijnacker,

eiser,

advocaat: mr. J.A.M. Reuser te Pijnacker,

tegen

  1. de besloten vennootschap ART OF GREENHOUSE PROJECTS BV,

  2. de heer [A],

kantoorhoudende / wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat: mr. E.A.H. ten Berge te Naaldwijk.

De rechtbank zal de drie procespartijen afzonderlijk hierna meestal aanduiden als de curator, Art of Greenhouse Projects BV en [A], en de gefailleerde vennootschap als Art of the Future BV. De rechtbank zal de gedaagden samen ook wel aanduiden als gedaagden.

De procedure

1.1

De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de hierna volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 20 augustus 2013 tegen de eerste rolzitting van 11 september 2013;

  • -

    de akte van 11 september 2013 met de producties E1 t/m E46 van de curator;

  • -

    de conclusie van antwoord van 20 november 2013, met de producties G1 t/m G5 van gedaagden;

  • -

    het comparitievonnis van 11 december 2013 en de beschikking met datumbepaling van 9 april 2014 van de rechtbank;

  • -

    de op 29 april 2014 ter civiele griffie ontvangen akte met de producties E47 t/m E61 van de curator;

  • -

    het door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal van de comparitie van partijen van 15 mei 2014, met de daaraan gehechte productie E62 van de curator;

  • -

    de faxbrief van mr. Reuser van 4 juni 2013;

  • -

    de faxbrief van mr. Ten Berge van 12 juni 2014;

  • -

    de faxbrief van mr. Reuser van 16 juni 2014;

  • -

    de faxbrief namens mr. Ten Berge van 18 juni 2014.

1.2

Ter zitting van 15 mei 2014 bleek een minnelijke regeling niet mogelijk en is een eerste datum voor vonnis bepaald. Om organisatorische redenen heeft de rechtbank de vonnisdatum moeten uitstellen tot vandaag, 26 november 2014.

De vaststaande feiten

2.1

[A] heeft sinds 11 februari 2006 in het Westland een eenmanszaak met de handelsnaam [A] Jr. gedreven, welke eenmanszaak zich toelegde op montage en demontage van tuinderskassen en aanverwante werkzaamheden, waaronder kasbeglazing, kasmechanieken en kasonderhoud.

2.2

In 2010 heeft [A] in nauw overleg met zijn accountant [accountant] besloten om zijn eenmanszaak om te zetten in een BV-structuur. Bij notariële akten van 26 augustus 2010 zijn daartoe opgericht de moedervennootschap Art of Greenhouse Projects BV en de dochtervennootschap Art of the Future BV, welke twee vennootschappen op 27 augustus 2010 zijn ingeschreven in het handelsregister. Sindsdien was [A] directeur en grootaandeelhouder (DGA) van de moedervennootschap en houdstermaatschappij Art of Greenhouse Projects BV, en was deze moedervennootschap en houdstermaatschappij op haar beurt DGA van haar dochtervennootschap en werkmaatschappij Art of the Future BV.

2.3

Volgens de notariële akten van oprichting en van inbreng en levering van 26 augustus 2010 heeft [A] (kort gezegd) alle activa en passiva van zijn voormalige eenmanszaak [A] Jr. ingebracht in de moedervennootschap Art of Greenhouse Projects BV en aldus aan zijn stortingsplicht voldaan, en wordt de onderneming van zijn eenmanszaak geacht vanaf 1 januari 2010 te zijn gedreven voor rekening en risico van Art of Greenhouse Projects BV voornoemd. Volgens de notariële akte van oprichting van 26 augustus 2010 heeft de moedervennootschap Art of Greenhouse Projects BV op haar beurt voldaan aan haar stortingsplicht van € 18.000,- van het geplaatste aandelenkapitaal van haar dochtervennootschap Art of the Future BV door volstorting in geld.

2.4

Na 26 augustus 2010 is dochtervennootschap Art of the Future BV feitelijk gaan functioneren als werkmaatschappij waarin de bedrijfsactiviteiten van de onderneming van [A] in de kassenbranche werden voortgezet. Het daartoe relevante deel van de activa (vooral handelsdebiteuren en klantenbestand met orderportefeuille) en het daartoe relevante deel van de passiva (vooral handelscrediteuren en personeel) van de vroegere eenmanszaak van [A] is vervolgens in de periode van september t/m december 2010 door de moedervennootschap Art of Greenhouse Projects BV en haar DGA [A] uitgezakt (en daarmee feitelijk ingebracht) in de dochtervennootschap Art of the Future BV. De overige activa (vooral onroerend goed en materieel) en passiva (vooral hypotheekschuld en algemene kosten) van de vroegere eenmanszaak van [A] bleven achter in de daarna feitelijk als houdstermaatschappij functionerende moedervennootschap Art of Greenhouse Projects BV.

2.5

In dat kader heeft Art of Greenhouse Projects BV (in de persoon van [A]) volgens een ongedateerde schriftelijke managementovereenkomst met ingang van 26 augustus 2010 managementdiensten verricht voor Art of the Future BV voor een beheersvergoeding van € 5.000,- exclusief BTW per maand op declaratiebasis. In datzelfde kader is Art of Greenhouse Projects BV volgens een schriftelijke huurovereenkomst van 26 augustus 2010 met ingang van diezelfde datum aan Art of the Future BV gaan verhuren de bedrijfsgebouwen voor € 30.000,- per jaar en de bedrijfsmiddelen voor € 50.000,- per jaar.

2.6

Op 4 juni 2013 heeft deze rechtbank het faillissement uitgesproken van Art of the Future BV met benoeming van eiser mr. Reuser tot curator, zulks nadat op initiatief van [A] Art of the Future BV eind mei 2013 haar eigen faillissement had aangevraagd.

2.7

Na correspondentie tussen de curator en gedaagden in juli en begin augustus 2013, heeft de curator op 8 augustus 2013 ten laste van Art of Greenhouse Projects BV conservatoir beslag doen leggen op de verhypothekeerde onroerende zaken (de drie appartementsrechten op de drie eigen bedrijfsunits) van die moedervennootschap. Op 16 augustus 2013 heeft de curator daarna ten laste van Art of Greenhouse Projects BV conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de ABN AMRO Bank en de ING Bank.

De vorderingen en de geschilpunten

3.1

Bij dagvaarding van 20 augustus 2013 heeft de curator vervolgens een groot aantal vorderingen ingesteld tegen gedaagden, die de rechtbank hierna volledigheidshalve en gemakshalve als (bijna letterlijk) citaat zal weergegeven. Opmerking daarbij verdient dat de curator ter zitting van 15 mei 2014 zijn vordering met nummer 2.13. heeft ingetrokken, en dat de curator in zijn hierna (bijna) letterlijk weergegeven vorderingen bij dagvaarding zichzelf als eiser, de gefailleerde vennootschap Art of the Future BV als AF en gedaagde 1 Art of Greenhouse Projects BV als Greenhouse heeft aangeduid.

MITSDIEN het de Rechtbank Den Haag moge behagen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:

Primair

1.1.

Te verklaren voor recht dat gedaagden jegens de boedel van AF hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag der schulden van AF, voor zover die niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, omdat de volstortingsverplichting van de aandelen in AF niet althans niet in voldoende mate is nagekomen en/of omdat gedaagden hun taak als bestuur van AF kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en dat kennelijk onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement van AF is geweest;

1.2.

Gedaagden, hoofdelijk, aldus dat door betaling door de één de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan eiser van het bedrag dat het uiteindelijke faillissementstekort zal blijken te zijn, inclusief de faillissementskosten, de overige boedelschulden en de werkelijke kosten van deze procedure, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf heden tot de dag der algehele voldoening toe;

1.3.

Gedaagden, hoofdelijk, aldus dat door betaling door de één de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan eiser van een voorschot van € 95.000,00 op het uiteindelijk door hen aan eiser hoofdelijk, op grond van de vorderingen sub 1.1 en 1.2 verschuldigde bedrag, dat voorschotbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf heden, de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening toe;

althans

subsidiair

2.1.

Gedaagden, hoofdelijk, aldus dat door betaling door de één de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan eiser van een bedrag van € 18.000,00 ter nakoming van de volstortingsverplichting der aandelen in AF, dat bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf heden, de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening toe;

2.2.

Te verklaren voor recht dat eiser de inbreng van (een deel van) de eenmanszaak van [A] in AF terecht wegens het paulianeuze karakter ervan per brief d.d. 1 augustus 2013 buitengerechtelijk heeft vernietigd, althans die inbreng alsnog in rechte te vernietigen;

2.3.

Te verklaren voor recht dat de feitelijke inbreng van (een deel van) de eenmanszaak van [A] in AF nietig is, omdat daarvan, in strijd met artikel 2:247 lid 1 BW, geen schriftelijke vastlegging heeft plaatsgevonden, althans die inbreng alsnog in rechte te vernietigen;

2.4.

Gedaagden, hoofdelijk, aldus dat door betaling door de één de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan eiser van een bedrag aan schadevergoeding, dat nader opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend moet worden overeenkomstig de wet, waarmee de boedel van AF volledig schadeloos gesteld kan worden voor de paulianeuze althans anderszins nietige inbreng van (een deel van) de eenmanszaak van [A] bij AF, dat schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf heden, de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening toe;

2.5.

Gedaagden, hoofdelijk, aldus dat door betaling door de één de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan eiser van een voorschot van € 95.000,00 op het uiteindelijk door hen op basis van deze subsidiaire vordering van hen aan eiser hoofdelijk, op grond van het sub 2.4 gevorderde, verschuldigde bedrag, dat voorschotbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf heden, de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening toe;

2.6.

Te verklaren voor recht dat eiser terecht bij brief d.d. 24 juli 2013 de huurovereenkomst met betrekking tot het materieel tussen Greenhouse en AF buitengerechtelijk heeft vernietigd, wegens het paulianeuze althans onrechtmatige karakter daarvan, althans die inbreng alsnog in rechte te vernietigen;

2.7.

Te verklaren voor recht dat op de uiteindelijke rekening-courantpositie tussen Greenhouse en AF ten gunste van AF en ten nadele van Greenhouse een bedrag moet worden gemuteerd van € 82.666,68 dat het verschil vormt tussen de som van de diverse door Greenhouse aan AF ter zake van de verhuur van materieel in rekening gebrachte huurvergoedingen en de, gelet op de werkelijke waarde van het verhuurde, wel reële vergoeding daarvoor;

2.8.

Greenhouse te veroordelen tot betaling aan eiser, tegen behoorlijk bewijs van kwijting en ter afbetaling van de (minimale) rekening-courantschuld, van een bedrag van € 47.294,14, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf heden, de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening toe;

2.9.

Te verklaren voor recht dat AF eigenaar is gebleven van de auto met kenteken [kenteken], omdat de door Greenhouse gestelde eigendomsovergang door eiser terecht buitengerechtelijk is vernietigd, vanwege de beschikkingsonbevoegdheid van AF en/of het paulianeuze karakter van die eigendomsovergang en/of vanwege het feit dat Greenhouse ten tijde van de beweerdelijke vóór 7 juni 2013 gelegen eigendomsovergang niet te goeder trouw was;

2.10.

Greenhouse te veroordelen tot betaling aan eiser van een schadevergoedingsbedrag van € 15.000,00 inclusief BTW, althans € 12.950,00 exclusief BTW, ter zake van de onrechtmatige aan de boedel van AF onttrokken auto met kenteken [kenteken], dat bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf heden, de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening toe;

2.11.

Te verklaren voor recht dat de door AF aan Greenhouse op of omstreeks 15 mei 2013 gedane betalingen voor een bedrag van € 20.536,00 paulianeus zijn geweest en dat die betalingen door eiser terecht buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans die betalingen alsnog in rechte te vernietigen, dan wel te verklaren voor recht dat die betalingen onrechtmatig zijn geweest vanwege de afwezigheid op die datum van goede trouw, zowel bij Greenhouse alsook hij AF;

2.12.

Greenhouse te veroordelen tot terugbetaling aan eiser van het op 15 mei 2013 onterecht betaalde bedrag van € 20.536,00 met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf 7 augustus 2013 tot de dag der algehele voldoening toe;

2.13.

Greenhouse te veroordelen tot betaling aan eiser van een bedrag van € 4.719,00 inclusief BTW althans
€ 3.900,00 exclusief BTW, als (af)koopsom betreffende de bodemzaken, welke in het bedrijfspand van AF op en na de faillissementsdatum aanwezig waren, dat bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf heden, de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening toe;

alsmede

3. Gedaagden, hoofdelijk, aldus dat door betaling door de één de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten dezer procedure, waaronder de kosten van de advocaat van eiser en de beslagkosten, alsmede in de nakosten, forfaitair vast te stellen op een bedrag van € 131,00 aan nakosten advocaat, te vermeerderen met een bedrag van € 68,00 aan verdere nakosten advocaat en de kosten van de deurwaarder ter betekening van het te dezer zake te wijzen vonnis, in het geval gedaagden nalatig zouden blijven om binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan het vonnis te voldoen, het totale kostenbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen vanaf de datum gelegen veertien dagen na de datum van aanschrijving tot de dag der algehele voldoening toe.

3.2

Tegen al deze vorderingen van de curator hebben gedaagden gemotiveerd verweer gevoerd. Voor de weergave van de gedetailleerde wederzijdse standpunten volstaat de rechtbank nu kortheidshalve met een verwijzing naar de inhoud van alle hiervoor in rov. 1.1 door de rechtbank opgesomde processtukken met alle producties. De voor de beslissingen relevante geschilpunten van partijen komen hierna bij de beoordeling door de rechtbank nader aan de orde.

De beoordeling

4.1

De rechtbank zal hierna eerst de primaire vorderingen en de daartegen gevoerde verweren beoordelen. Daarna komen de subsidiaire vorderingen en verweren aan bod, en tot slot de proceskosten inclusief de gevorderde beslagkosten en nakosten.

De primaire vorderingen van de curator (zie rov. 3.1 bij 1.1. t/m 1.3.)

4.2

Alle primaire vorderingen van de curator strekken er samengevat toe dat de rechtbank beide gedaagden wegens hun volgens de curator kennelijk onbehoorlijk bestuur van de gefailleerde vennootschap hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van het totale faillissementstekort, nader op te maken bij staat en met een voorschot van € 95.000,-. Als hoofdelementen van het gestelde kennelijk onbehoorlijk bestuur stelt de curator (naar de rechtbank met gedaagden begrijpt en) naar de kern genomen dat ten eerste niet aan de volstortingsplicht van het geplaatste aandelenkapitaal is voldaan, en dat ten tweede de inbrengtransactie en/of de uitzakconstructie van de eenmanszaak in de BV-structuur in 2010 in meerdere opzichten niet deugde(n) waardoor Art of the Future BV van begin af aan geen reële kans van slagen had en vanaf 2010 al voorzienbaar structureel verliesgevend was met als gevolg onrechtmatige benadeling van externe crediteuren.

4.3

Gedaagden voeren tegen die twee door de curator gestelde interne hoofdelementen (volstortingsplicht en inbrengtransactie) van het gestelde maar betwiste interne kennelijk onbehoorlijk bestuur gemotiveerd verweer, en stellen op hun beurt dat de externe hoofdoorzaken van het faillissement van Art of the Future BV zijn geweest ten eerste de voortdurende economische recessie sinds 2010, ten tweede de aanzienlijke extra kosten die sinds 2011 ondanks alle getroffen maatregelen waren verbonden aan twee langdurig zieke personeelsleden en aan nog eens twee gedemotiveerde personeelsleden op een totaal van acht personeelsleden, en ten derde de omstandigheid dat medio mei 2013 bleek dat twee geplande grote projecten in Rockanje niet doorgingen of op de lange baan gingen wegens vergunningsproblemen, waarna de orderportefeuille leeg was en het eigen faillissement moest worden aangevraagd.

4.4

Over het kerngeschilpunt volstortingsplicht beslist de rechtbank zoals hierna volgt. Gedaagden hebben als gemotiveerd verweer gevoerd in de paragrafen 10 en 26 t/m 29 op de bladzijden 11 en 12 van hun conclusie van antwoord en voorts ter zitting van 15 mei 2014 dat er anders dan de curator meent geen sprake is geweest van een verboden kasrondje. Volgens het gemotiveerde betoog van gedaagden hebben zij in 2010 aan de volstortingsplicht van € 18.000,- voldaan doordat op 25 augustus 2010 door Vlotzicht Bouw BV (een vennootschap van de vader van [A]) op de nieuw geopende bankrekening van Art of the Future BV (in oprichting) € 18.000,- is betaald met als betalingskenmerk storting aandelenkapitaal, zoals ook blijkt uit de producties E6 en E7. Diezelfde € 18.000,- is acht dagen daarna op 2 september 2008 (zie productie E8) weliswaar weer teruggestort aan Vlotzicht Bouw BV, maar van 2 september 2010 t/m 31 december 2010 is er in de administratie van en het rekening-courantsaldo tussen beide BV’s vervolgens sprake geweest van een rentedragende lening van € 18.000,- van de dochtervennootschap aan de moedervennootschap. Die rentedragende lening van € 18.000,- is vervolgens met verschuldigde rente op 31 december 2010 op advies van de accountant [accountant] door de moedervennootschap Art of Greenhouse Projects BV in rekening-courant afbetaald aan de dochtervennootschap Art of the Future BV, waartoe de moedervennootschap in staat was omdat [A] uit privé spaargeld een bedrag van in totaal € 31.764,- (waarvan € 18.000,- bestemd voor opnieuw volstorting van het geplaatste aandelenkapitaal van de dochtervennootschap Art of the Future BV) heeft betaald aan de moedervennootschap Art of Greenhouse Projects BV zoals ook blijkt uit productie E23, aldus samengevat dat gemotiveerde verweer van gedaagden.

4.5

Ter zitting van 15 mei 2014 heeft de curator dit gemotiveerde en met producties bevestigde feitelijk verweer van gedaagden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inhoudelijk weersproken. Dat lag ter zitting echter wel op de weg van de curator, en daartoe heeft hij sinds de conclusie van antwoord van 20 november 2013 ook ruim voldoende de tijd en de gelegenheid gehad. Bij deze procedurele stand van zaken in eerste aanleg zal de rechtbank ervan uitgaan dat gedaagden feitelijk op 26 augustus 2010, en voor zover nog nodig daarna opnieuw op 31 december 2010, wel degelijk aan hun volstortingsplicht van
€ 18.000,- van het geplaatste aandelenkapitaal van Art of the Future BV hebben voldaan en dat dit bedrag van € 18.000,- dus vanaf 26 september 2010 ook daadwerkelijk ter beschikking heeft gestaan van Art of the Future BV. Daardoor is van een ongeoorloofd kasrondje geen sprake geweest. Hoewel de schriftelijke vastlegging van deze volstortingsplicht in de periode van 26 augustus 2010 t/m 31 augustus 2010 zoals de curator terecht betoogt niet optimaal is geweest, is die enkele omstandigheid onvoldoende om het door de curator beoogde vergaande rechtsgevolg van aansprakelijkheid voor het gehele faillissementstekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur te kunnen dragen. Dit geldt temeer nu uit de onvoldoende weersproken feitelijke stellingen van gedaagde voldoende kan worden afgeleid dat de hiervoor in rov. 4.4 vermelde tijdelijke omzetting in een geldlening onder zakelijke en marktconforme voorwaarden heeft plaatsgevonden. Dit eerste hoofdargument van de curator voor zijn primaire vorderingen moet dus naar het oordeel van de rechtbank falen. Bij deze feitelijke stand van zaken kan en zal buiten beoordeling blijven het debat van partijen over kort gezegd het overgangsrecht van artikel 2:180 BW (oud) in dit verband en de gevolgen daarvan voor de ingestelde primaire vorderingen.

4.6

Over het kerngeschilpunt inbrengtransactie beslist de rechtbank zoals hierna volgt. Op voorhand is in algemene zin verdedigbaar en denkbaar dat de omzetting van een verliesgevende eenmanszaak in een BV-structuur waarbij alle verliesgevende bedrijfsactiviteiten en de daarmee samenhangende activa en passiva in de naderhand gefailleerde dochter-BV worden ondergebracht maar alle winstgevende activiteiten en de daarmee samenhangende activa en passiva in de moeder-BV worden ondergebracht, kennelijk onbehoorlijk bestuur van de naderhand gefailleerde dochter-BV in de zin van art. 2:248 BW oplevert en/of een onrechtmatige daad. Dit geldt met name in die gevallen waarbij door een dergelijke constructie samengevat de moeder-BV en/of de achterliggende DGA (art. 2.11 BW) in relevante mate blijkt en/of blijken te zijn verrijkt maar de onbetaald gelaten crediteuren van de gefailleerde dochter-BV in relevante mate onrechtmatig blijken te zijn benadeeld, zulks omdat de dochter-BV door zo’n (ernstig) verwijtbare constructie van begin af aan of gaandeweg niet levensvatbaar was en tot faillissement gedoemd was. In zoverre heeft de curator naar het oordeel van de rechtbank de rechtmatigheid van de inbrengtransactie van 26 augustus 2010 en van de uitzakconstructie van september 2010 t/m december 2010 bij de omzetting van de eenmanszaak in de BV-structuur van [A] terecht kritisch onderzocht. De rechtbank kan echter de conclusie van de curator niet delen dat aldus sprake is geweest van de dochter-BV Art of the Future BV als in de woorden van de curator een doodgeboren kindje. Daartoe is het volgende redengevend.

4.7

Gedaagden hebben bij conclusie van antwoord en ter zitting uitgebreid gemotiveerd betwist dat Art of the Future BV bij aanvang van haar bedrijfsactiviteiten al tot faillissement gedoemd was. Daartoe hebben zij gesteld dat de eenmanszaak van [A] tot 2010 ondanks de economische recessie volop onderhanden werk had en anders dan de curator stelt ook winstgevend was. Dit laatste vindt bevestiging in de producties E50 en E51, waaruit belastbare winsten van de onderneming (de eenmanszaak met personeel) van [A] blijken van € 60.010,- in 2008 en € 8.887,- in 2009. Van de door de curator gestelde van begin af aan structureel verliesgevende positie en een op voorhand kansloze dochter-BV was dus bij aanvang op 1 januari 2010 en/of op 26 augustus 2010 feitelijk geen sprake. Verder betogen gedaagden terecht dat feitelijk onjuist is de dragende kernstelling bij dagvaarding van de curator dat kort gezegd op 26 augustus 2010 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 alle verliesgevende activa en passiva van de eenmanszaak van [A] in de dochtervennootschap Art of the Future BV zijn ingebracht en alle winstgevende activa en passiva daarvan in de moedervennootschap Art of Greenhouse Projects BV. Uitgebreid gemotiveerd en onderbouwd met een verwijzing naar meerdere producties hebben gedaagden immers gesteld en heeft de curator daarna niet of onvoldoende weersproken dat álle activa en passiva van de eenmanszaak op 26 augustus 2010 eerst zijn ingebracht in de moedervennootschap en houdstermaatschappij Art of Greenhouse Projects BV van [A], en dat pas daarna van september 2010 t/m december 2010 een deel van de activa en passiva vanuit Art of Greenhouse Projects BV is uitgezakt of doorgezakt (en daarmee feitelijk naderhand is ingebracht) in de dochtervennootschap en werkmaatschappij Art of the Future BV. Aan de hand daarvan heeft de rechtbank dan ook de hiervoor in de rovv. 2.3 t/m 2.5 vermelde en daartoe meest relevante feiten vastgesteld. Van de door de curator bij dagvaarding gestelde en gehekelde onrechtmatige en/of paulianeuze inbrengconstructie per 26 augustus 2010 en/of per 1 januari 2010 is dan ook feitelijk naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest. Ook op deze door de curator gestelde maar feitelijk onjuiste grond kunnen de primaire vorderingen van de curator dus niet worden toegewezen.

4.8

Ter zitting heeft de curator nog summier betoogd dat ook de door gedaagden gekozen uitzakconstructie van september 2010 t/m december 2010 van een deel van de activa en passiva (zie nader rovv. 2.4 en 2.5) onrechtmatig en/of paulianeus was en aldus moet leiden tot de conclusie van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de naderhand gefailleerde dochtervennootschap Art of the Future BV door gedaagden. Gedaagden hadden bij conclusie van antwoord en ter zitting voordien al uiteengezet dat naar hun mening feitelijk ook geen sprake was kennelijk onbehoorlijk bestuur in die zin dat geen redelijk denkend en handelend (indirect) bestuurder objectief gezien voor een dergelijke uitzakconstructie zou hebben gekozen, omdat een dergelijke uitzakconstructie in een BV-structuur als deze in de praktijk nu juist zeer gebruikelijk is en bovendien in dit concrete geval ook niet van begin af aan of gaandeweg onontkoombaar tot een faillissement van de dochtervennootschap Art of the Future BV moest leiden. Dat laatste vindt volgens gedaagden bevestiging in hun stellingen dat de jaren 2010, 2011 en 2012 voor Art of the Future BV weliswaar verliesgevend zijn geweest, maar dat die verliezen en daarop gevolgde eigen aanvraag van het faillissement eind mei 2013 hoofdzakelijk zijn veroorzaakt door de economische recessie, door de aanzienlijke bedrijfskosten wegens de vier langdurig zieke en/of gedemotiveerde personeelsleden en als slotstuk het medio mei 2013 niet doorgaan van de twee geplande grote projecten in Rockanje (zie rov. 4.3). Van eind augustus 2010 tot medio mei 2013 was er volgens gedaagden daarentegen nog volop werk met een gevulde orderportefeuille en waren er voldoende overlevingskansen voor Art of the Future BV dat dan ook daadwerkelijk ondanks de economische recessie in die ruim drie zware jaren de meeste van haar crediteuren kon blijven betalen, waarbij Art of Greenhouse Projects BV en [A] zich bovendien niet op enigerlei wijze hebben verrijkt ten koste van externe crediteuren van Art of the Future BV, aldus gedaagden. De curator heeft dit feitelijk verweer van gedaagden met betrekking tot deze volgens gedaagden gebruikelijke en geoorloofde uitzakconstructie en de drie werkelijke hoofdoorzaken van het faillissement naar het oordeel van de rechtbank daarna ter zitting onvoldoende concreet weersproken. Ook aldus bezien moeten de primaire vorderingen van de curator tegen gedaagden worden afgewezen.

4.9

Ook heeft de curator in dit verband van de inbrengtransactie, of beter de naderhand uitgevoerde uitzakconstructie, nog betoogd dat het in artikel 2:247 BW neergelegde vereiste van schriftelijkheid door gedaagden is geschonden, hetgeen in de visie van de curator ook moet leiden tot hoofdelijke aansprakelijkheid van beide gedaagden voor het gehele faillissementstekort op de voet van de wetsartikelen 2:248 BW en 2:11 BW. Ook dit betoog van de curator moet naar het oordeel van de rechtbank falen. Ten eerste moet de rechtbank daartoe met gedaagden concluderen dat de belangrijkste overeenkomsten tussen dochtervennootschap en moedervennootschap in dit geval door [A] wel degelijk schriftelijk zijn vastgelegd: dat zijn immers de managementovereenkomst (productie E12) en de huurovereenkomst van de bedrijfsunits en de bedrijfsmiddelen (productie E13), zie ook rov. 2.5. Ten tweede moet de rechtbank daartoe met gedaagden concluderen dat zonder nadere toelichting van de curator, die ontbreekt, niet valt in te zien dat de enkele omstandigheid dat voor het overige de in rov. 2.4 kort weergegeven uitzakconstructie van handelsdebiteuren, klantenbestand en orderportefeuille enerzijds en handelscrediteuren en personeelskosten anderzijds van moedervennootschap in dochtervennootschap in 2010 niet vlekkeloos en/of niet optimaal transparant schriftelijk is vastgelegd, gelet op de relatief geringe sanctie van vernietigbaarheid van die specifieke rechtshandelingen in 2010 (art. 2:247 lid 1 BW) kan leiden tot de relatief ingrijpende sanctie van aansprakelijkheid van gedaagden voor het gehele faillissementstekort per 4 juni 2013 (art. 2:248 BW). Voorts en ten derde heeft de advocaat van gedaagden ter zitting daartoe terecht aangestipt en is door de curator vervolgens niet bestreden dat de onderhavige uitzakconstructie tussen moeder-BV en dochter-BV in de ondernemerspraktijk zeer gebruikelijk is en dus met andere woorden (onder de bedongen voorwaarden) tot de gewone bedrijfsuitoefening van beide vennootschappen behoort, zoals door de wetgever bedoeld en uitgesloten van de sanctie van vernietigbaarheid in art. 2:247 lid 2 BW. Ook aldus bezien moeten de primaire vorderingen van de curator tegen gedaagden naar het oordeel van de rechtbank worden afgewezen.

4.10

Tenslotte heeft de curator aan zijn primaire vorderingen (naar de rechtbank althans evenals gedaagden begrijpt: in het kader van de door de curator bestreden inbrengtransactie en/of uitzakcontructie) ten grondslag gelegd zijn stelling dat het bankkrediet van € 100.000,- van de eenmanszaak bij Rabobank Westland UA geheel ten laste van dochtervennootschap Art of the Future is gekomen zonder wezenlijke tegenprestatie van moedervennootschap Art of Greenhouse Projects BV en/of van haar DGA [A]. Gedaagden hebben naar het oordeel van de rechtbank echter terecht het verweer gevoerd dat ook deze stelling van de curator feitelijk onjuist is. De curator verliest bij dit betoog immers uit het oog dat de financierende bank, zoals in de ondernemerspraktijk meestal gebruikelijk, haar eigen risico’s ook in dit geval met de gebruikelijke bankzekerheden uiteindelijk praktisch goed en geheel blijkt te hebben afgedekt en dus al haar vorderingen op [A], Art of Greenhouse Projects BV en Art of the Future BV wegens de verstrekte bankfinancieringen feitelijk geheel zal kunnen verhalen zonder dat dit in de omstandigheden van dit geval ten koste zal gaan van de verhaalsmogelijkheden van de curator voor de overige externe crediteuren in het faillissement van Art of the Future BV. Voor dit oordeel stelt de rechtbank hierna in rov. 4.11 de volgende feiten vast over de separate positie van de Rabobank Westland UA in dit faillissement, die nadere feiten als zijnde enerzijds door gedaagden gemotiveerd gesteld en anderzijds door de curator wederom onvoldoende bestreden.

4.11

Ondanks het volop gebruikte bankkrediet van € 100.000,- bij Rabobank Westland UA was de eenmanszaak van [A] in de jaren 2008 en 2009 nog winstgevend en was van een kansloze start in 2010 wegens dat bankkrediet dus geen sprake, zie daartoe nader rov. 4.7. Bij de omzetting in de BV-structuur per 26 augustus 2010 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 heeft de Rabobank Westland UA (zoals blijkt uit de inhoud van productie E10) tot 2 augustus 2011 om onduidelijk gebleven redenen blijkbaar niet beseft dat het bankkrediet van € 100.000,- van de eenmanszaak van [A] nog moest worden aangepast aan en omgezet naar de toen al bijna een jaar bestaande BV-structuur van [A]. Dat bankkrediet is vervolgens pas in of omstreeks november 2011 met aangepaste leningsvoorwaarden geadministreerd op naam van Art of the Future BV, waarbij het negatieve banksaldo van € 108.771,20 op het oude bankrekeningnummer van de eenmanszaak [A] jr. bij die Rabobank is aangezuiverd tot nihil doordat het tot dan steeds positieve saldo op het nieuwe bankrekeningnummer van Art of the Future BV bij diezelfde Rabobank per 8 november 2011 is gedebiteerd met datzelfde bedrag, waardoor dat nieuwe bankrekeningnummer sindsdien een debetstand wegens gebruikt bankkrediet vertoonde van ongeveer € 100.000,- negatief. Daarbij heeft de Rabobank Westland UA in de periode van augustus t/m november 2011 (zoals blijkt uit de inhoud van de producties E10 en E55 t/m E58) als zekerheden voor de terugbetaling van dat vernieuwde bankkrediet van € 100.000,- bedongen onder meer een hoofdelijke aansprakelijkheid van Art of the Future BV en Art of Greenhouse Projects BV, verpanding van debiteuren van Art of the Future BV en een borgtocht van € 100.000,- van DGA [A] in privé. Ook hadden de Rabobank Westand UA en de Rabohypotheekbank NV sinds maart 2007 en maart 2008 al hun vorderingen op eerst de eenmanszaak van [A] en daarna op de moedervennootschap Art of Greenhouse Projects BV al afgedekt met eerste hypotheekrechten op de onroerende zaken (de drie appartementsrechten op de drie bedrijfsunits) van Art of Greenhouse Projects BV per 26 augustus 2010 tot een bedrag van € 500.000,- plus rente en kosten. In overleg tussen de Rabobank Westland UA, [A] en de curator zijn na het faillissement van Art of the Future BV de drie bedrijfsunits van Art of Greenhouse Projects BV vervolgens voor de best mogelijke prijs verkocht aan derden en zijn de verkoopopbrengsten daarvan ten goede gekomen aan Rabobank Westland UA als hypotheekhouder. Daarna resteerde ten tijde van de zitting van 15 mei 2014 nog een schuld van [A] en zijn beide BV’s aan de Rabobank Westland UA van ongeveer € 24.000,- tot € 30.000,-, welk bedrag [A] als borg in de komende periode met een betalingsregeling van € 1.000,- per maand geheel in privé zal afbetalen. Daarna zal de curator Rabobank Westland UA kunnen schrappen als crediteur in het faillissement van Art of the Future BV.

4.12

Aldus kan de rechtbank bij deze feitelijke stand van zaken ook niet concluderen dat Art of the Future BV geen reële overlevingskans zou hebben gehad omdat gedaagden die dochtervennootschap van begin af aan in 2010 of naderhand in 2011 zouden hebben belast met een negatief bankkrediet van € 100.000,-, zoals de curator stelt. Voor juist moet daarentegen worden gehouden de feitelijke stelling van gedaagden dat werkmaatschappij Art of the Future BV het bankkrediet feitelijk heeft kunnen gebruiken voor haar bedrijfsactiviteiten van 2010 tot mei 2013, maar dat het risico van terugbetaling en verhaal van het bankkrediet feitelijk altijd heeft gelegen bij holdingmaatschappij Art of Greenhouse Projects BV en DGA [A] en voorts dat dit risico zich in de praktijk ook feitelijk voor beide gedaagden heeft verwezenlijkt. Het onderhavige bankkrediet van € 100.000,- kan dus niet hebben geleid tot benadeling van externe crediteuren van Art of the Future BV en kan ook anderszins niet de primaire vorderingen van de curator dragen.

4.13

Overige feiten die nog zouden kunnen leiden tot de vergaande conclusie dat sprake zou zijn van kennelijk onbehoorlijk bestuur of ander onrechtmatig gedrag van gedaagden waardoor zij hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn voor het gehele faillissementstekort, zijn niet of onvoldoende gesteld of gebleken. De rechtbank zal de primaire vorderingen van de curator dus afwijzen, gelet op de inhoud van de rovv. 4.2 t/m 4.13.

De subsidiaire vorderingen van de curator (zie rov. 3.1 bij 2.1. t/m 2.13.).

4.14

Subsidiair heeft de curator in de paragrafen 2.1. t/m 2.13. van het petitum van zijn dagvaarding dertien deelvorderingen ingesteld, die de rechtbank hiervoor in rov. 3.1 (bijna) letterlijk heeft weergegeven. De curator heeft ter zitting van 15 mei 2014 zijn door gedaagden bij antwoord bestreden deelvordering 2.13. ingetrokken (zie rov. 3.1 en het proces-verbaal van de zitting), waardoor de rechtbank over die ingetrokken deelvordering 2.13. hierna niet meer zal kunnen beslissen. Over de overige twaalf subsidiaire deelvorderingen en de daartegen gevoerde verweren zal de rechtbank hierna per subsidiaire deelvordering en zo mogelijk groepsgewijs oordelen en beslissen als volgt.

4.15

Deelvordering 2.1. betreft de omstreden volstortingsplicht van € 18.000,- van het geplaatste aandelenkapitaal van Art of the Future BV. Onder verwijzing naar al hetgeen de rechtbank over dat kerngeschilpunt volstortingsplicht hiervoor bij de beoordeling van de primaire vorderingen al heeft geoordeeld in de rovv. 4.4 en 4.5, zal deze op art. 2:193 BW gebaseerde subsidiaire deelvordering van de curator moeten worden afgewezen.

4.16

Deelvorderingen 2.2. t/m 2.5. betreffen samengevat de omstreden inbrengtransactie van augustus 2010, en naar de rechtbank veronderstelt ook de omstreden uitzakconstructie van september 2010 t/m december 2010. De rechtbank zal ook deze subsidiaire deelvorderingen afwijzen, zulks onder verwijzing naar al hetgeen de rechtbank over dit tweede kerngeschilpunt van partijen al heeft overwogen in de voorgaande rovv. 4.6 t/m 4.12 bij de beoordeling van de primaire vorderingen en de daartegen gevoerde verweren.

4.17

De subsidiaire deelvorderingen 2.6. t/m 2.8. zien op het volgende geschilpunt van de curator en gedaagden. Volgens de curator moet het gedeelte van de huurovereenkomst waarbij de dochtervennootschap van de moedervennootschap de bedrijfsmiddelen huurde voor een huurprijs van € 50.000,- per jaar (zie rov. 2.5) als paulianeus of anderszins onrechtmatig worden aangemerkt, omdat die jaarhuurprijs van € 50.000,- volgens de curator buitensporig hoog was en daarom voor de externe crediteuren van Art of the Future BV buitengewoon nadelig. In 2013 is volgens de curator ten onrechte ook een maandhuurprijs in plaats van zoals voorheen een jaarhuurprijs in rekening-courant betaald. Volgens de berekeningen en schattingen van de curator heeft Art of the Future BV daardoor over de periode van 1 januari 2010 t/m april 2013 minimaal een bedrag van € 78.666,67 (paragraaf 108 dagvaarding) of € 82.666,68 (paragraaf 147 dagvaarding) te veel aan Art of Greenhouse Projects BV in rekening-courant betaald, waardoor er volgens de curator in zoverre sprake is geweest van paulianeus handelen en/of onrechtmatige vermogensoverhevelingen van dochter-BV naar moeder-BV. Dat moet volgens de berekeningen van de curator leiden tot een correctie van de rekening-courant positie en tot een door Art of Greenhouse Projects BV aan de curator van de gefailleerde vennootschap Art of the Future BV nog te betalen rekening-courant schuld van € 47.294,14 in hoofdsom (paragraaf 148 dagvaarding).

4.18

Gedaagden hebben bij conclusie van antwoord en ter zitting de in rov. 4.17 samengevatte stellingen van de curator uitgebreid gemotiveerd weersproken. Volgens gedaagden was de jaarhuurprijs van € 50.000,- voor de bedrijfsmiddelen wel degelijk realistisch, omdat het hier anders dan de curator veronderstelt niet alleen het klein materieel, gereedschap en de bedrijfsauto’s (de bestelbusjes) betreft van voorheen de eenmanszaak van [A], maar ook groot materieel van door Art of Greenhouse BV aangeschaft kostbaar en voor de bedrijfsactiviteiten noodzakelijk groot materieel zoals een tractor met kiepwagen, een shovel met grondbak en een zogenaamde verreiker. De aanschaf daarvan was volgens de berekeningen van gedaagden financieel verstandiger dan zoals voorheen de huur van derden van dit groot materieel, ook omdat er vanaf 2006 tot medio mei 2013 in deze onderneming van [A] bijna ieder kalenderjaar bijna 52 weken per jaar onderhanden werk was en is uitgevoerd. Mede gelet op de afschrijvingskosten, de financieringskosten en de algemene kosten was een jaarhuurprijs van € 50.000,- voor de bedrijfsmiddelen dus volgens gedaagden wel degelijk realistisch. Ook stond het gedaagden mede gelet op art. 6:38 BW vrij om vanaf 2013 een maandhuurprijs in plaats van een jaarhuurprijs in rekening-courant te verrekenen, met name toen in 2013 door administratieve veranderingen (zie nader de paragrafen 31 en 32 op bladzijde 9 van de conclusie van antwoord) en door het in 2012 geleden grote verlies de financiële maandpositie van de onderneming beter dan voorheen kon en moest worden bewaakt.

4.19

De curator heeft daarna ter zitting ook dit gemotiveerde feitelijk verweer van gedaagden niet of onvoldoende kunnen weerspreken. Daarom moeten de feitelijke stellingen van de curator, die aan zijn subsidiaire deelvorderingen met betrekking tot de huurprijs voor de bedrijfsmiddelen en het saldo van de rekening-courant verhouding tussen dochter-BV en moeder-BV ten grondslag zijn gelegd, door de rechtbank voor feitelijk onjuist worden gehouden. Omdat ook overigens geen concrete feiten zijn gesteld of gebleken die nog kunnen leiden tot toewijzing van de subsidiaire deelvorderingen 2.6. t/m 2.8. van de curator, zullen ook deze vorderingen door de rechtbank worden afgewezen.

4.20

De subsidiaire deelvorderingen 2.9. en 2.10. zien op het geschilpunt bedrijfsauto met kenteken [kenteken]. Dat is een tweedehands Opel Vivaro bestelbus die [A] op 1 mei 2013 namens Art of the Future BV heeft gekocht onder inruiling van een versleten bestelbus met 330.000 km op de teller van Art of Greenhouse Projects BV. Blijkens de factuur van het autobedrijf aan Art of the Future BV (productie E29) was de koopprijs exclusief BTW € 12.950,- minus de inruilprijs van € 6.000,- exclusief BTW, zodat nog te betalen resteerde door de koopster Art of the Future BV € 6.950,- exclusief BTW, dat is dus per saldo € 8.409,50 inclusief 21% BTW. Art of the Future BV heeft daarna dit saldo van

€ 8.409,50 pas op 20 mei 2013 aan het autobedrijf betaald (productie E30). Ook heeft Art of the Future BV de wegenbelasting en de WA-verzekering voor de onderhavige bedrijfsauto met kenteken [kenteken] betaald. Eind mei 2013 is vervolgens noodgedwongen (zie rov. 4.3) het eigen faillissement van Art of the Future BV aangevraagd, en op 4 juni 2013 is dat faillissement uitgesproken. Pas op 7 juni 2013 heeft [A] het kentekenbewijs van de bedrijfsauto [kenteken] laten omzetten op naam van Art of Greenhouse Projects BV in plaats van zoals voorheen op naam van Art of the Future BV, met correctie van de rekening-courant positie tussen moeder-BV en dochter-BV.

4.21

Met deze nadere feitenvaststelling door de rechtbank in rov. 4.20 staat vast dat de bedrijfsauto met kenteken [kenteken] op 4 juni 2013 eigendom was van Art of the Future BV en niet van Art of Greenhouse Projects BV. Door de werking van art. 23 Fw kon die eigendom zonder medewerking van de curator daarna op 7 juni 2013 niet meer overgaan van de failliet Art of the Future BV op Art of Greenhouse Projects BV. In zoverre heeft de curator op dit geschilpunt met gedaagden het gelijk aan zijn zijde. In de paragrafen 124, 125 en 182 van zijn dagvaarding betoogt de curator vervolgens naar de rechtbank begrijpt dat hij geen prijs meer stelt op afgifte van de bedrijfsauto met kenteken [kenteken] aan de failliete boedel, maar om praktische redenen kiest voor een door beide gedaagden hoofdelijk te betalen schadevergoeding van € 15.000,- inclusief BTW althans € 12.950,- exclusief BTW voor de aan de boedel onrechtmatig onttrokken waarde van die bedrijfsauto. Gedaagden hebben daartegen ingebracht dat niet paulianeus of onrechtmatig is gehandeld omdat op 1 mei 2013 nog geen sprake was van een aan te vragen faillissement en dat op een eventuele schadevergoeding in ieder geval in mindering moet worden gebracht de inruilwaarde van de versleten bestelbus van Art of Greenhouse Projects BV van € 6.000,-. De curator heeft op deze twee verweren ter zitting daarna niet meer inhoudelijk gereageerd.

4.22

Bij deze feitelijke en procedurele stand van zaken moet en zal de rechtbank over het geschilpunt bedrijfsauto en de terzake ingestelde subsidiaire deelvorderingen 2.9. en 2.10. beslissen als volgt. Bij toewijzing van de deelvordering 2.9. heeft de curator geen belang, omdat hij blijkens zijn eigen stellingen en zijn deelvordering 2.10. toewijzing van een schadevergoeding ten behoeve van de boedel beoogt te bereiken en niet afgifte van de onderhavige bestelbus aan de boedel. Deelvordering 2.9. zal dus worden afgewezen. Deelvordering 2.10. zal door de rechtbank worden toegewezen tot een bedrag van € 12.950,- minus € 6.000,- exclusief BTW, dat is € 6.950,- exclusief BTW, zoals gevorderd echter uitsluitend ten laste van Art of Greenhouse Projects BV en vermeerderd met de wettelijke rente over deze € 6.950,- met ingang van 20 augustus 2013, de dag van dagvaarding. Over de gevorderde schadevergoeding is geen BTW verschuldigd en het bedrag van € 6.950,- strookt voorts met het bedrag dat na aftrek van BTW door de betaling op 20 mei 2013 uit het vermogen van de op 4 juni 2013 gefailleerde vennootschap Art of the Future BV is gevloeid voor haar aankoop van deze tweedehands bestelbus.

4.23

Deelvorderingen 2.11. en 2.12. betreffen tenslotte de overboeking door [A] op 20 mei 2013 (en niet zoals gevorderd en gesteld op 15 mei 2013, zie daartoe productie E32) van twee bedragen van in totaal € 20.536,- van de bankrekening van Art of the Future BV naar een bankrekening van Art of Greenhouse Projects BV. [A] heeft ter zitting van 15 mei 2014 desgevraagd toegegeven dat hij op 20 mei 2013 al wist dat de twee geplande projecten in Rockanje niet door zouden gaan en dat die tegenslag de ondergang van Art of the Future BV betekende. Kort daarna heeft hij eind mei 2013 dan ook het eigen faillissement van Art of the Future BV moeten laten aanvragen. Door desondanks in en met die specifieke wetenschap op 20 mei 2013 toch nog € 20.536,- van het vermogen van Art of the Future BV over te hevelen naar het vermogen van Art of Greenhouse Projects BV, hebben beide gedaagden naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar paulianeus en onrechtmatig gehandeld jegens de externe crediteuren van Art of the Future BV. Anders dan gedaagden nog bij conclusie van antwoord hebben gesteld, is dat bedrag niet slechts in rekening-courant betaald maar daadwerkelijk per bankoverschrijving. Anders dan door gedaagden nog ter zitting summier en niet onderbouwd aangestipt, is onvoldoende gesteld of gebleken dat deze € 20.536,- per bankoverschrijving van 20 mei 2013 van dochtervennootschap aan moedervennootschap geen benadeling van crediteuren van de kort nadien gefailleerde dochtervennootschap heeft opgeleverd, mede gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in de rovv. 4.10 t/m 4.12 heeft overwogen en geoordeeld over de separate positie van Rabobank Westland UA in dit faillissement van Art of the Future BV.

4.24

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de subsidiaire deelvordering 2.12. zal worden toegewezen voor het gevorderde bedrag van € 20.536,-, zoals gevorderd echter uitsluitend ten laste van Art of Greenhouse Projects BV en vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 7 augustus 2013. Die ingangsdatum van de wettelijke rente is door gedaagden onweersproken gelaten en volgt voorts voldoende uit de inhoud van paragraaf 5 van de brief van de curator van 24 juli 2013 aan beide gedaagden (productie E36). Bij toewijzing van de subsidiaire deelvordering 2.11. heeft de curator bij deze beslissing over deelvordering 2.12. onvoldoende zelfstandig belang, zodat de rechtbank die deelvordering 2.11. zal afwijzen.

De proceskosten, de beslagkosten en de nakosten.

4.25

De curator en de gedaagden zijn over en weer op punten van niet ondergeschikte betekenis in het ongelijk gesteld, terwijl alles afwegende voorts niet of onvoldoende kan worden geoordeeld dat de ene zijde ten opzichte van de andere zijde gelet op kort gezegd het procesverloop per saldo nodeloos kosten heeft veroorzaakt. Daarom zal de rechtbank de proceskosten en de beslagkosten compenseren, aldus dat iedere partij die eigen kosten moet dragen. De door de curator nog gevorderde nakosten zijn reeds daarom niet toewijsbaar.

De beslissingen

De rechtbank:

- veroordeelt Art of Greenhouse Projects BV tot betaling aan de curator van een schadevergoeding van € 6.950,- voor de onrechtmatig aan de boedel van Art of the Future BV onttrokken bedrijfsauto met kenteken [kenteken], dat schadebedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 20 augustus 2013;

- veroordeelt Art of Greenhouse Projects BV tot (terug)betaling aan de curator van het op 20 mei 2013 ten onrechte aan het vermogen van Art of the Future BV onttrokken bedrag van € 20.536,-, dat bedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 7 augustus 2013;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af al hetgeen de curator meer of anders heeft gevorderd;

- compenseert de proceskosten en de beslagkosten per saldo aldus dat iedere procespartij die tot dusver gemaakte eigen kosten moet dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien, mr. D. Nobel en mr. M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.