Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14329

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
05-02-2015
Zaaknummer
AWB-14_3988
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2015:1988, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting, milieu-investeringsaftrek.

Verweerder heeft voor de bewuste investering terecht geen milieu-investeringsaftrek verleend, omdat uit door eiseres overgelegde facturen blijkt dat in het ontwerp van eiseres niet uitsluitend duurzaam geproduceerd hout was verwerkt. Daardoor voldoet de investering niet aan de eisen van de Milieulijst 2010. Dat het om een relatief gering bedrag aan niet-gecertificeerd hout gaat (enige duizenden euro’s op een investering van ruim 1 miljoen), maakt niet dat een volledige afwijzing van de aanvraag onredelijk of in strijd met de bedoeling van de wetgever is. (Beroep ongegrond.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0342
V-N Vandaag 2015/276
V-N 2015/19.3.2
Drs. N.M. Ligthart annotatie in NTFR 2015/825

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/3988

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2014 in de zaak tussen

[X] BV, gevestigd te [P], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2011 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van nihil. Bij de aanslag is bij beschikking een verlies vastgesteld van € 2.280.753 (de verliesvaststellingsbeschikking).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de verliesvaststellingsbeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2014.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C] en [D], bijgestaan door [E].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres vormt een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (Vpb) met diverse dochtervennootschappen, waaronder [dochter] BV (de Dochter).

2. De Dochter exploiteert een hotel, te weten [hotel-restaurant] (het hotel-restaurant). De Dochter is in verschillende jaren diverse verplichtingen aangegaan in verband met investeringen die betrekking hebben op de verbouwing van het hotel-restaurant.

3. De Dochter heeft voor verschillende investeringen een Melding Milieu-investeringsaftrek/Willekeurige afschrijving (de meldingen) ingediend om in aanmerking te komen voor milieu-investeringsaftrek (MIA) zoals bedoeld in artikel 8 van de Wet op de Vpb 1969, in samenhang bezien met artikel 2.42a van de Wet IB 2001.

Het [agentschap X] (het agentschap) heeft adviezen uitgebracht aan verweerder met betrekking tot de vraag of deze meldingen in aanmerking komen voor de gevraagde investeringsaftrek. Het betreft onder meer de volgende meldingen.

Melding I (bekend onder nummer M.1011615)

Op het betreffende formulier maakt eiseres melding van een investering in één bedrijfsmiddel van € 1.861.531, waarvan haar aandeel 100% bedraagt. De code van de milieu-investering volgens de Milieulijst 2010 is F 1002.

Met dagtekening 9 februari 2012 heeft het agentschap met betrekking tot deze MIA-aanvraag geadviseerd dat deze investering gedeeltelijk, namelijk voor een bedrag van € 697.979 voldoet aan de eisen voor de MIA en dat de MIA voor deze investering in totaal € 418.788 (60%) bedraagt.

Melding II (bekend onder nummer M.1011641)

Op het betreffende formulier maakt eiseres melding van de investering in één bedrijfsmiddel van € 1.000.000, waarvan haar aandeel 100% bedraagt. De code van de milieu-investeringen volgens de Milieulijst 2010 is B 1004.

Met dagtekening 20 juni 2012 heeft het agentschap een negatief advies inzake deze MIA-aanvraag uitgebracht. Bij brief van 2 mei 2013 heeft het agentschap aangegeven dat ook bij de herbeoordeling van deze aanvraag de conclusie luidt dat de MIA-aanvraag niet kan worden gehonoreerd.

4. Melding II heeft betrekking op een investeringsverplichting die volgens eiseres in 2010, maar volgens verweerder in 2011 is aangegaan voor een bedrag van € 1.040.000. De investering heeft betrekking op de verbouwing van het restaurant en de keuken van het hotel-restaurant.

5. In het advies van 20 juni 2012 van het agentschap aan verweerder, waarbij het agentschap negatief adviseert over de investering waar Melding II op ziet, staat onder meer:

“[hotel-restaurant] B.V. heeft een investering van € 1.000.000 gemeld voor code B 1004 van de Milieulijst 2010. Volgens de omschrijving van deze code moet de investering bestemd zijn voor het verlenen van milieuvriendelijke diensten in een nieuw gebouw. Eén van de eisen waaraan voldaan moet worden is dat in het ontwerp uitsluitend duurzaam geproduceerd hout toegepast wordt.

De contactpersoon, [X], heeft op 30 mei 2012 en 8 maart 2012 nadere informatie over de investering verstrekt. Hieruit blijkt dat op het moment van ingebruikname van het gebouw een deel van het toegepaste hout niet duurzaam geproduceerd is. Om deze reden voldoet het gebouw niet aan de eisen die gesteld zijn voor de code B 1004 van de Milieulijst 2012.

(…)”

Bij brief van 2 mei 2013 heeft het agentschap aan verweerder meegedeeld dat ook bij de herbeoordeling van deze aanvraag de conclusie luidt dat de MIA-aanvraag niet kan worden gehonoreerd. In deze brief staat onder meer:

“Uit de verstrekte informatie is gebleken dat er inderdaad houtposten zijn die niet gecertificeerde Merantihouten kop- en neuslatten betreffen. Daarnaast zijn er houten branddeuren in het gebouw aangebracht. Deze deuren zijn niet gemaakt van gecertificeerd duurzaam hout. Dit wordt bevestigd door de tussenpersoon in een e-mailbericht van 30 mei 2012.

De bestemming schrijft voor dat het aangeschafte hout in het gebouw duurzaam dient te zijn conform de genoemde certificatiesystemen. Daar is bij deze investering geen sprake van. De gemelde investering kan daarom op basis van deze technische eis niet positief geadviseerd worden.

In het schrijven van [eiseres] van 30 januari 2013, gericht aan u, wordt aangegeven dat de meranti kop- en neuslatten geen betrekking hebben op het gebouw dat in 2010 is gemeld, maar voor fase 2 zouden zijn. De gemelde fase 1, van de grootschalige renovatie en deels nieuwbouw van het hotel, zou als losstaand gebouw bezien moeten worden. Op de meegeleverde tekeningen is duidelijk te zien dat restaurant, toiletten en aangrenzende hotelruimten één geïntegreerd geheel betreffen. De fasen betreffen wel verschillende functies binnen het hotel. De fasen worden ook in de bouwtekeningen en de bestekken benoemd als zijnde bouwfasen van het hotel. Voor ons is er daarom geen reden om de fasen 1 en 2 als afzonderlijke gebouwen te bezien.”

6. Eiseres heeft voor het jaar 2011 aangifte gedaan naar een verlies van € 2.885.651. Daarbij heeft zij een investeringsaftrek in aanmerking genomen van in totaal € 1.148.021, waarin is begrepen een MIA van € 600.000 voor de investering van Melding II.

7. Bij de aanslagregeling heeft verweerder de adviezen van het agentschap gevolgd en de gevraagde investeringsaftrek als volgt gecorrigeerd:

Aangegeven saldo investeringsregelingen € 1.148.021

Correctie investeringsregeling (weigering MIA) € 604.898

Vastgesteld saldo investeringsregeling € 543.123

Daarvan uitgaande heeft verweerder het verlies voor 2011 vastgesteld op € 2.280.753 (€ 2.885.651, aangegeven verlies, -/- € 604.898, correctie investeringsregeling).

Geschil

8. In geschil is of eiseres recht heeft op de volledige MIA voor de investering waar Melding II betrekking op heeft. Zo dit het geval is, is in geschil of voor de investering waar Melding I betrekking op heeft, te veel aan MIA in aanmerking is genomen.

9. Eiseres neemt het nadere standpunt in dat haar in verband met Melding II voor een bedrag van € 350.000 te weinig MIA is verleend. Eiseres voert daartoe – kort gezegd – aan dat er weliswaar niet-gecertificeerd hout is gebruikt, maar dat het daarbij gaat om een bedrag van slechts € 700, namelijk € 100 aan latjes op branddeuren en ongeveer € 600 aan zogenoemde kop- en neuslatten, waarbij geldt dat die kop- en neuslatten niet zijn gebruikt in het project waarvoor de investering waar Melding II betrekking op heeft is gedaan. Eiseres neemt voorts het standpunt in dat het niet redelijk is en in strijd met de bedoeling van de wetgever om wegens een dergelijk gering bedrag aan niet-gecertificeerd hout de MIA-aanvraag voor een investering van € 1.000.000 geheel af te wijzen. Voorts bepleit eiseres dat in verband met Melding I terecht een MIA van € 418.788 is verleend naar het voor het jaar 2010 van toepassing zijnde tarief van 60%.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vaststelling van het verlies op € 2.630.753 (€ 2.280.753 + € 350.000).

10. Verweerder heeft de standpunten van eiseres gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

12. Eiseres heeft ter zake de onder 4 genoemde investeringsverplichting een melding gedaan om in aanmerking te komen voor MIA onder vermelding van de code B 1004. Op de Milieulijst 2010 is met betrekking tot deze code het volgende opgenomen.

“B 1004

Nieuw gebouw of (mobiel) verblijf voor gecertificeerde dienstverlening of productie

a. bestemd voor: het verlenen van milieuvriendelijke diensten of het produceren van milieuvriendelijke producten, niet zijnde glastuinbouwproducten, met of in een nieuw gebouw of (mobiel) verblijf,

– voor bedrijven waarbij de dienstverlening of productie voldoet aan de eisen van Blauwe Vlag, Europees Ecolabel, Milieukeur, Skal of Green Key, niveau goud,

– waarbij het aangeschafte hout dat verwerkt wordt in het gebouw duurzaam is, wat blijkt uit certificering van de gehele keten van houtproductie tot en met het eindproduct, waarbij gebruik gemaakt is van goedgekeurde houtsoorten die staan op de positieve lijst van TPAS (Timber Procedure Assessment System) [vetgedrukt rechtbank],

13. Uit de milieulijst 2010 onder 12 volgt derhalve dat om voor MIA in aanmerking te komen het aangeschafte hout dat verwerkt wordt in het gebouw duurzaam moet zijn, hetgeen dient te blijken uit de certificering van het hout.

14. Ten behoeve van de beoordeling of de bewuste investering in aanmerking komt voor MIA heeft eiseres diverse facturen verstrekt aan het agentschap. Naar aanleiding van de controle van deze facturen heeft het agentschap geconcludeerd dat de investering niet voldoet aan de eisen van de Milieulijst 2010, omdat uit die facturen blijkt dat in het ontwerp van eiseres niet uitsluitend duurzaam geproduceerd hout was verwerkt. Het agentschap is bij de herbeoordeling van deze aanvraag tot dezelfde conclusie gekomen.

15. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat uit door eiseres overgelegde facturen volgt dat de totale kosten van niet-gecertificeerd hout dat is verwerkt in het gebouw in ieder geval € 7.938,99 bedraagt, te weten een bedrag van € 3.386,74 aan door leverancier Jongeneel geleverd niet-gecertificeerd hout en een bedrag van € 4.552,25 aan door leverancier Berkvens geleverd niet-gecertificeerd hout.

16. De rechtbank stelt voorop dat verweerder er van uit heeft mogen gaan dat al de door eiseres in dit verband aangeleverde facturen betrekking hebben op de investering waar Melding II betrekking op heeft. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres deze facturen zelf heeft aangeleverd in verband met de beoordeling van Melding II. Vaststaat dat al deze facturen betrekking hebben op de verbouwing van het hotel-restaurant. Verweerder heeft daarom terecht al de door eiseres overgelegde facturen in aanmerking genomen bij de beoordeling of en in welke mate niet-gecertificeerd hout is verwerkt in het gebouw. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat een aantal van de facturen waaruit het gebruik van niet-gecertificeerd hout blijkt, buiten beschouwing moet blijven omdat deze betrekking hebben op een ander project in het hotel-restaurant dan het project van Melding II. De rechtbank is namelijk van oordeel dat verweerder de projecten in dit verband terecht heeft aangemerkt als betrekking hebbend op één gebouw, namelijk het hotel-restaurant, zodat verweerder ook in zoverre die facturen terecht in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling of ter zake van Melding II sprake is van niet-gecertificeerd hout.

17. Verweerder mocht uitgaan van de bedragen aan niet-gecertificeerd hout zoals die blijken uit de door eiseres overgelegde facturen (zie onder 15). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres deze bedragen niet, althans onvoldoende, heeft weersproken. Haar stelling dat in werkelijkheid minder niet-gecertificeerd hout is gebruikt dan uit de facturen blijkt, heeft eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft onvoldoende bewijsmateriaal overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid. De enkele verklaring en cijfermatige uitwerking die eiseres in dit verband heeft gegeven, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.

18. Gegeven de oordelen onder 16 en 17 heeft verweerder terecht geen MIA verleend voor de investering van Melding II. De rechtbank acht het niet onredelijk of in strijd met de bedoeling van de wetgever om wegens een dergelijk bedrag aan niet-gecertificeerd hout de MIA-aanvraag geheel af te wijzen.

19. Het standpunt van eiseres dat het gebruik van niet-gecertificeerd hout haar niet kan worden aangerekend, omdat het agentschap respectievelijk verweerder haar eerder, in ieder geval vóór de ingebruikname van het bedrijfsmiddel, had moeten informeren over het feit dat er (teveel) niet gecertificeerd hout werd gebruikt, zodat zij dat vóór de ingebruikname had kunnen herstellen, faalt. Het ligt immers op de weg van eiseres om zelf in de gaten te (laten) houden of zij volledig voldoet aan de eisen die gelden voor de door haar gevraagde MIA.

20. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt het beroep ongegrond verklaard. Hetgeen partijen overigens (subsidiair) verdeeld houdt behoeft daarom geen behandeling.

Proceskosten

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2014.