Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14191

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
C-09-473842 KG ZA 14-1124
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vrouw zit in huwelijkse gevangenschap doordat de man weigert naar Libanees recht medewerking te verlenen tot echtscheiding. De man handelt derhalve onrechtmatig jegens de vrouw. Hij wordt gelast medewerking te verlenen tot ontbinding van dat huwelijk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/25 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/473842 / KG ZA 14-1124

Vonnis in kort geding van 21 oktober 2014

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. V.K.S. Budhu Lall te Den Haag,

tegen:

[de man],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. L.E.M. Elbertse te Alphen aan den Rijn.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 10 oktober 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 1 augustus 1989 te Beiroet, Libanon. Tijdens dit huwelijk hebben partijen drie kinderen gekregen, die thans nog minderjarig zijn.

1.2.

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 16 september 2013 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, naar aanleiding van een gemeenschappelijk verzoek van partijen hiertoe. De door partijen in onderling overleg getroffen regelingen, zoals vastgelegd in een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, zijn opgenomen in deze beschikking.

1.3.

Op 10 oktober 2013 is de beslissing tot echtscheiding ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, waarmee de echtscheiding tot stand is gekomen.

1.4.

Partijen hebben zowel de Nederlandse als de Libanese nationaliteit. De vrouw is Soennitisch en de man Sjiitisch, hetgeen met zich brengt dat het Sjiitische religieuze recht van toepassing is op partijen. Naar dit recht zijn partijen nog immer gehuwd, omdat het religieuze huwelijk van partijen niet is ontbonden door de echtscheiding naar Nederlands recht.

2 Het geschil

2.1.

De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad de man te gelasten om binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de ontbinding van het huwelijk van partijen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man verzuimt hieraan te voldoen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

2.2.

Daartoe voert de vrouw het volgende aan. Omdat de echtscheiding van partijen naar Nederlands recht in Libanon niet wordt erkend, wordt de vrouw door haar religieuze gemeenschap nog immer als gehuwd aangemerkt. De vrouw wenst van dit nog tussen partijen bestaande religieuze huwelijk te worden ontslagen door naar Sjiitisch recht van de man te scheiden. Dit kan enkel bij de religieuze autoriteiten van Libanon gerealiseerd worden. De man weigert echter zijn medewerking te verlenen aan een echtscheiding aldaar, zodat het huwelijk van partijen voortduurt en de vrouw daardoor tegen haar wil met de man gehuwd blijft. De man houdt de vrouw, door zijn weigering om mee te werken aan de ontbinding van het huwelijk in huwelijkse gevangenschap, waardoor de vrouw wordt beperkt in haar privéleven. Deze weigering door de man is te duiden als een onrechtmatige daad jegens de vrouw en is voorts een schending van het recht van de vrouw op privéleven en van het recht om opnieuw te trouwen.

2.3.

De man voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

De vrouw stelt dat de man onrechtmatig jegens haar handelt door zijn medewerking aan het ontbinden van het religieuze huwelijk te weigeren.

3.2.

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man naar Sjiitisch recht van de vrouw kan scheiden maar dat het tussen partijen gesloten religieuze huwelijk niet op verzoek van de vrouw kan worden ontbonden. Volgens de vrouw kan de man de echtscheiding effectueren door een volmacht tot echtscheiding af te geven. Partijen zijn gezamenlijk bij de Libanese ambassade in Nederland geweest, alwaar de vrouw - voor zover nodig - haar broer heeft gemachtigd om de echtscheiding te doen realiseren. De man heeft tot op heden nagelaten om een volmacht te tekenen en instructies aan een door hem te volmachtigen derde te geven om de echtscheiding in Libanon te kunnen effectueren.

3.3.

Het grootste bezwaar van de man tegen een echtscheiding naar Sjiitisch recht is dat hij niet van de vrouw wenst te scheiden. Hoewel partijen feitelijk al twee jaar uit elkaar zijn en inmiddels één jaar officieel zijn gescheiden naar Nederlands recht, verzet de man zich tegen de door de vrouw gewenste echtscheiding naar Sjiitisch recht.

3.4.

Nu voldoende is komen vast te staan dat de medewerking van de man is vereist voor de ontbinding van het Sjiitische huwelijk, dient de vraag te worden beantwoord of de man onrechtmatig handelt jegens de vrouw door zijn medewerking aan de ontbinding te onthouden. Of sprake is van een dergelijke onrechtmatigheid, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate waarin de vrouw bij uitblijven van een dergelijke echtscheiding in haar verdere levensmogelijkheden wordt beperkt, de aard en het gewicht van de bezwaren van de man tegen de medewerking en de kosten die aan de medewerking zijn verbonden, zulks mede in verband met de vermogenspositie van partijen en de eventuele bereidheid van de vrouw deze kosten ten dele of geheel voor haar rekening te nemen (Hoge Raad 22 januari 1982, NJ 1982, 489).

3.5.

Onweersproken is gebleven dat de vrouw door het uitblijven van de echtscheiding naar Sjiitisch recht in haar levensmogelijkheden wordt beperkt, doordat zij geen nieuwe relatie kan aangaan, niet opnieuw in het huwelijk kan treden naar het religieuze recht en doordat zij strafrechtelijke vervolging riskeert in het geval zij met een toekomstige partner naar een Islamitisch land reist. Ook loopt de vrouw een reëel risico dat, wanneer zij thans naar Libanon zou reizen om haar familie te bezoeken, zij het land niet zonder toestemming van de man mag verlaten. In het licht van deze aanzienlijke beperking van de verdere levensmogelijkheden van de vrouw acht de voorzieningenrechter de door de man geuite bezwaren tegen de medewerking onvoldoende zwaarwegend, mede nu de vrouw onweersproken heeft aangevoerd dat de procedure in Libanon minimale kosten heeft en de vrouw bereid is de helft van deze kosten te voldoen. Dit leidt ertoe dat de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat de man onrechtmatig handelt jegens de vrouw. Nu de weigering van de man in het licht van het voorgaande onrechtmatig is, is de man gehouden mee te werken aan de ontbinding van het huwelijk tussen partijen. Dit betekent dat de vordering van de vrouw kan worden toegewezen als na te melden.

3.6.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

3.7.

In de omstandigheid dat partijen naar Nederlands recht gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- gelast de man om binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de ontbinding van het huwelijk met de vrouw, gesloten op 1 augustus 1989 te Beiroet, Libanon, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat de man hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-;

- bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.3 is vermeld;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2014.

imt