Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14165

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
797193-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een gewapende winkeloverval. De verdachte heeft de winkel verkend en doorgegeven dat er camera’s in de winkel waren door aan één van de daders te pingen “er is cam”. Vijf minuten hierna heeft de ontvanger van dat bericht, tezamen met een andere persoon, deze winkel overvallen.

De medewerkster van de winkel moest onder dreiging van een vuurwapen geld geven.

Dat de overval niet heeft geleid tot enige buit speelt in de strafwaardigheid nauwelijks een rol. Het is algemeen bekend dat strafbare feiten als deze kunnen leiden tot langdurige gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer. Dat het voorval nog altijd zeer ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer heeft, blijkt ook uit de door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij zich bij het plegen van dit misdrijf geen rekenschap heeft gegeven van de ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank acht het gedrag van de verdachte extra verwerpelijk nu hij van tevoren een praatje met het slachtoffer heeft gemaakt en haar in de ogen heeft gekeken wetende dat zij zou worden overvallen.

Behalve voor de directe slachtoffers leiden dit soort delicten ook tot het toenemen van de gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/797193-14

Datum uitspraak: 20 november 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte][verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag]1994,

adres: [woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 6 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. I. Doves en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. Y. Özdemir, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]op of omstreeks 12 januari 2012 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer]te dwingen tot de

afgifte van geld en/of goederen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan[bedrijf] in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met zijn/hun mededader(s), althans alleen

- ( hard) op de kassa/toonbank is/zijn afgerend en/of

- een vuurwapen/pistool op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of

- ( meermalen) heeft/hebben geroepen "kassa leeg", althans woorden van gelijke aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 12 januari 2012 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemde sigarenwinkel binnen te lopen en/of (vervolgens) om zich heen te kijken en/of (vervolgens) die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een pingbericht te sturen met daarin de tekst "er is cam".

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De volgende feiten kunnen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 12 januari 2012, omstreeks 17.44 uur, heeft een gewapende overval plaatsgevonden in sigarenwinkel [bedrijf] te Den Haag. Mevrouw [slachtoffer]stond op dat moment in de winkel. De daders, althans één van hen, zijn op de kassa afgerend, hebben een vuurwapen op haar gericht en hebben geroepen “kassa leeg”. Uiteindelijk zijn de daders zonder buit vertrokken. [medeverdachte 1]en [medeverdachte 2]zijn respectievelijk op 7 juni 2012 en

9 augustus 2012 veroordeeld voor het plegen van deze poging tot afpersing.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of de verdachte een rol heeft gespeeld bij voornoemde poging tot afpersing, in die zin, dat hij hieraan medeplichtig is geweest door het verschaffen van inlichtingen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit, nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Hij heeft daartoe onder meer gesteld dat bij de verdachte het opzet op de overval alsook op de medeplichtigheid hieraan ontbrak. In het oorspronkelijke onderzoek door de politie komt de verdachte niet naar voren. De medeverdachten hebben vanaf de eerste dag uitgebreid over de overval verklaard, maar zij hebben niet verklaard dat de verdachte daarbij een rol heeft gespeeld. De verdachte komt pas in beeld na heropening van het onderzoek door de politie.

De politie meent dat de verdachte op de camerabeelden staat. De broer van de verdachte, [broer medeverdachte 1], zou echter ook op de beelden kunnen staan. Dit heeft gemaakt dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept. De politie heeft niet verder gerechercheerd. Op basis van de stukken in het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de jongen op de camerabeelden is.

De raadsman heeft voorts gesteld dat ook niet vaststaat dat de verdachte degene is geweest die het pingbericht heeft gestuurd, omdat de verdachte steeds heeft ontkend het bericht te hebben gestuurd en de feitelijke gebruiker van de telefoon ook niet de verdachte, maar zijn broer was, terwijl de telefoon ook vaak werd uitgeleend.

Er valt dus niet uit te sluiten dat de telefoon bij een ander in gebruik was. Dat er eerst een bericht “ping” is verstuurd en vervolgens pas het daadwerkelijke bericht is gebruikelijk onder jongeren.

Bovendien heeft de raadsman betoogd dat niet duidelijk is wat er met “er is cam” wordt bedoeld. Het wordt geïnterpreteerd alsof er ‘er is een camera’ mee wordt bedoeld, maar dit wordt niet onderbouwd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.1

Op de camerabeelden van de sigarenwinkel van 12 januari 2012 is te zien dat er om 17.38 uur, derhalve vlak voor de overval, een man de winkel binnenkwam, rondkeek en vervolgens om 17.39 uur zijn telefoon gebruikte.2

Verdachte [medeverdachte 1] heeft die dag om 17.39 uur op zijn telefoon een tweetal pingberichten van [verdachte] (PIN [verdachte] ontvangen, te weten: “Ping” en “er is cam”.3

Onderzoek naar de profielnaam [verdachte] met PIN [verdachte] leverde op dat deze PIN is geregistreerd met het Imeinummer [verdachte]en is gekoppeld aan een Black Berry met prepaid (internet)service en emailadres [verdachte].4

Het Imeinummer [verdachte] is in de periode van 10 januari 2012 tot en met

27 maart 2012 in gebruik geweest in combinatie met telefoonnummer [verdachte]

Dit is een prepaidnummer van T-Mobile en staat op naam van[broer verdachte] wonend aan de [adres] te Den Haag. Op genoemd adres bleken twee broers te wonen, die gezien hun leeftijd in aanmerking zouden kunnen komen om de jongen te zijn op de camerabeelden van de sigarenwinkel, te weten [broer verdachte] en de verdachte.5

Een verbalisant heeft gerelateerd dat hij bij vergelijking van een foto van de verdachte uit 2008 en de foto’s van de beelden een gelijkenis in de haargrens, haarkleur, gezichtsvorm en wangen ziet. Verder heeft deze verbalisant gerelateerd dat de jas en de jongen op de profielfoto van de Facebookpagina van [verdachte]een grote gelijkenis vertonen met de jas en de man op de camerabeelden.6 Op dit account is op 30 oktober 2011 een foto geplaatst die volgens deze verbalisant gelijkenis vertoont met de profielfoto van het pingaccount [verdachte], met name de manier waarop de bakkenbaarden zijn geschoren.7

Op 28 november 2012 wordt de verdachte bij een bezoek aan het politiebureau Hoefkade te Den Haag door deze verbalisant herkend als zijnde de jongen op de foto’s van het Facebookaccount van [verdachte].8

De verdachte zat in 2012 op het [school verdachte] te Den Haag en maakte daar gebruik van het emailaccount [verdachte].9

De verdachte heeft op 11 december 2012 bij de politie verklaard dat zijn bijnaam [verdachte] is, dat deze is afgeleid van [verdachte] en dat hij een Blackberry Torch heeft met telefoonnummer [verdachte].10 Ook heeft de verdachte verklaard dat hij het emailadres [verdachte]in gebruik heeft gehad11.

Toen aan de verdachte op 12 december 2012 de printjes van de camerabeelden, zoals weergegeven op pagina 651 van het dossier, werden getoond, verklaarde hij dat het kan zijn dat hij het is.12

De rechtbank is, gelet op voornoemde, met voetnoten aangehaalde bewijsmiddelen, allen in samenhang bezien, van oordeel dat de verdachte degene is geweest die op 12 januari 2012, vijf minuten voor de gepleegde overval, een pingbericht heeft gestuurd naar [medeverdachte 1] met de tekst “er is cam”.

Het betoog van de verdediging, erop neerkomend dat het ook de broer van de verdachte kan zijn geweest die op de camerabeelden te zien is, is niet genoegzaam onderbouwd. De rechtbank acht dit geschetste scenario overigens ook niet aannemelijk, temeer niet nu de verdachte zelf heeft verklaard dat zijn broer niet op hem lijkt.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

[medeverdachte 1]en [medeverdachte 2] op 12 januari 2012 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer]te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan Sigarenwinkel [bedrijf], met zijn mededader

- op de kassa/toonbank is afgerend en

- een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht en

- heeft geroepen "kassa leeg",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 12 januari 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door voornoemde sigarenwinkel binnen te lopen en vervolgens om zich heen te kijken en vervolgens die [medeverdachte 1] een pingbericht te sturen met daarin de tekst "er is cam".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank wel tot bewezenverklaring komt, geconcludeerd tot het opleggen van een deels voorwaardelijke taakstraf, teneinde hulpverlening voor de verdachte te realiseren.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een gewapende winkeloverval. De verdachte heeft de winkel verkend en doorgegeven dat er camera’s in de winkel waren door aan één van de daders te pingen “er is cam”. Vijf minuten hierna heeft de ontvanger van dat bericht, tezamen met een andere persoon, deze winkel overvallen.

De medewerkster van de winkel moest onder dreiging van een vuurwapen geld geven.

Dat de overval niet heeft geleid tot enige buit speelt in de strafwaardigheid nauwelijks een rol. Het is algemeen bekend dat strafbare feiten als deze kunnen leiden tot langdurige gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer. Dat het voorval nog altijd zeer ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer heeft, blijkt ook uit de door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij zich bij het plegen van dit misdrijf geen rekenschap heeft gegeven van de ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank acht het gedrag van de verdachte extra verwerpelijk nu hij van tevoren een praatje met het slachtoffer heeft gemaakt en haar in de ogen heeft gekeken wetende dat zij zou worden overvallen.

Behalve voor de directe slachtoffers leiden dit soort delicten ook tot het toenemen van de gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen.

De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij nog niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 8 mei 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet op de gesprekken is verschenen en waarin wordt geadviseerd, bij bewezenverklaring, aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen als duidelijk signaal dat dit gedrag niet toelaatbaar is.

De rechtbank onderschrijft voornoemd strafadvies.

Tijdens de behandeling ter zitting is door de deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming meegedeeld dat de enige vraag, die bij de Raad rees, was of de verdachte een hulpvraag heeft en zo ja, of hij dit zelf oppakt. Aangegeven is voorts dat begeleiding van Reclassering Nederland in principe niet aan de orde is, omdat er geen sprake is geweest van recidive.

De verdachte heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard zich bij een sociaal hulpverlener te hebben aangemeld, alsmede bij De Waag en het JIT.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats zou zijn. Gelet echter op het tijdsverloop tussen het bewezenverklaarde feit en de behandeling ter zitting (waarbij de rechtbank vaststelt dat de redelijk termijn is overschreden), alsook gelet op de omstandigheid dat er in de tussenliggende periode geen sprake is geweest van recidive, ziet de rechtbank aanleiding om geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, maar de verdachte te veroordelen tot een forse onvoorwaardelijke taakstraf. Deze taakstraf zal lager uitvallen dan de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank meer rekening zal houden met het vermelde tijdsverloop.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer]heeft zich ten als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.650,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft matiging van de vordering bepleit gelet op het verminderde aandeel van de verdachte.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht deze vordering naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering derhalve ten laste van de verdachte hoofdelijk toewijzen

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 12 januari 2012 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 1.650,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 januari 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer]

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 45, 48, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

MEDEPLICHTIGHEID AAN POGING TOT AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 60 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;


wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 1.650,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 januari 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 1.650,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 januari 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. P. de Haan, kinderrechter,

en mr. S.M. Krans, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 november 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Haaglanden, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1524 2012011913, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 660.

2 Proces-verbaal van bevindingen pagina 461, met bijlagen, 463 tot en met 473.

3 Proces-verbaal van bevindingen pagina 459 en 460.

4 Proces-verbaal van bevindingen pagina 479.

5 Proces-verbaal van bevindingen pagina 555 en 556.

6 Proces-verbaal van bevindingen pagina 568, met bijlagen 570 tot en met 577.

7 Proces-verbaal van bevindingen pagina 578, met bijlagen 579 tot en met 586.

8 Proces-verbaal van bevindingen pagina 599, onderaan.

9 Proces-verbaal van bevindingen pagina 597.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] pagina 625.

11 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] pagina 628, bijna onderaan.

12 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] pagina 645, onderaan.