Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14105

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
VK-14_24641
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

- Palestijnen uit Libië

- Discriminatie kwalificeert niet voor vergunning

- Ernstige incidenten indicatie voor reëel risico ernstige schade

- Artikel 3.35, tweede lid, van het VV 2000

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/24640, 14/24644, 14/24642, 14/24646 (beroepen) en 14/24641, 14/24645, 14/24643 en 14/24647 (voorlopige voorzieningen)

V-nummers: [nummer][nummer][nummer][nummer][nummer][nummer][nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 20 november 2014 in de zaak tussen

[naam ], eiseres,

[naam 1], eiser 1,

[naam 2], eiser 2,

[naam 3], eiser 3,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. R. Bom,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij vier afzonderlijke besluiten van 29 oktober 2014 (hierna: de bestreden besluiten), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), zijn de asielaanvragen van eisers afgewezen.

Op 30 oktober 2014 hebben eisers ieder voor zich tegen het hem/haar betreffende bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op hun beroepen is beslist.

De gezamenlijke behandeling van de verzoeken ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2014. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde alsmede door mr. N. Vollebergh, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig Z. Hanina, tolk in de Arabische (Palestijns/Jordaans dialect) taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op de beroepen worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2. Eisers behoren tot één gezin, het betreft de moeder (eiseres) met haar drie minderjarige dochters en drie zoons (eisers 1, 2 en 3). Eiseres is geboren op [geboortedatum], eiser 1 is geboren op [geboortedatum], eiser 2 op [geboortedatum] en eiser 3 op [geboortedatum]. Eisers zijn geboren in Libië, zijn staatloos en behoren tot de Palestijnse bevolkingsgroep. Zij hebben in Libië gewoond in de plaats [woonplaats], regio[naam regio]. Op 17 juli 2014 hebben zij ieder een asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft de aanvraag mede namens haar drie minderjarige dochters gedaan: [naam 4], geboren op [geboortedatum], [naam 5], geboren op [geboortedatum] en [naam 6], geboren op [geboortedatum], eveneens van Palestijnse afkomst en staatloos.

3. Eisers hebben allen aan hun asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij uit Libië zijn vertrokken omdat zij daar wegens hun Palestijnse afkomst worden gediscrimineerd. Eiseres heeft daarnaast aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat haar minderjarige dochters in verband met die discriminatie en de vrees dat zij ontvoerd worden, niet naar school kunnen gaan. Voorts is zij uit Libië vertrokken vanwege de geweldsincidenten waarbij haar zoons [naam 1] (eiser 1),[naam 2] (eiser 2) en [naam 3] (eiser 3) in Libië betrokken waren. Bij terugkeer vrezen eisers voor fanatieke moslims vanwege hun vlucht over zee.

4. Eiser 1 heeft daarnaast aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij op 13 februari 2013 wegens zijn Palestijnse afkomst is aangevallen door een groep van zeven jongeren, waarvan drie jongens bekenden van hem waren van school. Zij hebben hem in een auto gevolgd toen hij lopend op weg was van de sportschool naar huis. Zij hebben hem uitgescholden voor Palestijn, hebben hem beledigd en overvallen. Tijdens de vechtpartij die is ontstaan is eiser met een steen achter zijn oor geslagen, ten gevolge waarvan hij zes dagen in coma heeft gelegen en 21 dagen in het ziekenhuis heeft verbleven. Hij heeft schade aan zijn trommelvlies opgelopen, waardoor hij zijn gehoor aan zijn rechteroor heeft verloren en oorsuizingen en duizelingen ondervindt.

5. Eiser 2 heeft daarnaast aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in mei 2013, toen hij op weg was van school naar huis, het slachtoffer is geweest van een poging tot ontvoering door vijf personen in een auto, die wapens - zowel messen als geweren - bij zich hadden. Zij hebben hem gevolgd, hem vastgepakt en getracht hem in de auto te trekken. Volgens eiser gebeurde dat omdat zij wisten dat hij Palestijn was. Ze hebben hem daarbij geslagen met een geweer, bij de keel gepakt en hem op armen, nek en borst tot bloedens toe verwond met een scheermes, waardoor hij veel bloed heeft verloren. Uiteindelijk zijn zij weggegaan omdat eiser 2 zich bleef verzetten en er veel omstanders waren.

6. Eiser 3 heeft daarnaast aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij op 23 januari 2014 door drie personen is aangehouden toen hij in de auto van zijn vader zat en op weg was naar zijn oom. Hij was in die auto als Palestijn herkenbaar omdat Palestijnen een afwijkend kentekenbord met nummer 10 en de kleur blauw hebben. Toen eiser weigerde uit te stappen is hij geslagen, in zijn been geschoten en uit de auto gehaald. Daarna zijn deze drie personen met de auto weggereden en hebben eiser op straat achtergelaten. Eiser is vervolgens door omstanders naar het ziekenhuis gebracht.

7. Verweerder heeft in de bestreden besluiten geconcludeerd dat eisers niet voor toelating in aanmerking komen en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven. Ten aanzien van alle eisers, met uitzondering van eiser 3, stelt verweerder zich op het standpunt dat zij onvoldoende documenten hebben overgelegd om hun reisroute te kunnen vaststellen.

Verweerder hecht geloof aan de verklaringen van eisers 1, 2 en 3 over de hen op respectievelijk op 13 februari 2013, in mei 2013 en op 23 januari 2014 overkomen incidenten, alsmede aan de gestelde discriminatie van alle eisers in Libië vanwege hun Palestijnse afkomst. Verweerder meent echter dat deze omstandigheden onvoldoende zwaarwegend zijn om eisers in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning. Daarnaast is de situatie in Libië in zijn algemeenheid niet zodanig dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ten aanzien van eiseres is het standpunt van verweerder dat haar relaas voor wat betreft de haar zoons overkomen geweldsincidenten niet kan leiden tot vergunningverlening, omdat die incidenten niet zijn aan te merken als persoonlijke problemen van eiseres. Ook heeft eiseres de vrees voor ontvoering van haar dochters en de vrees voor represailles van fanatieke moslims niet onderbouwd, aldus verweerder.

8. Eisers hebben aangevoerd dat ten onrechte is tegengeworpen dat zij toerekenbaar ongedocumenteerd zijn. Eisers stellen verder dat hun relazen voldoende grond bieden voor de conclusie dat zij in Libië vanwege discriminatie zodanig in hun bestaansmogelijkheden werden beperkt dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied konden functioneren. Eisers werden wegens hun Palestijnse komaf in Libië ernstig gediscrimineerd. Dit gebeurde onder meer op school, zowel door docenten als leerlingen, als bij eiser 1 in het ziekenhuis, waar hem gedeeltelijk medische zorg werd ontzegd. Eiseres verbleef hele dagen binnen om geen onderwerp van discriminatie te worden; haar minderjarige dochters konden niet naar school vanwege de discriminatie. Voorts zijn eisers 1, 2 en 3 ieder afzonderlijk slachtoffer geworden van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Zij stellen dat aan hen ernstig letsel is toegebracht omdat zij van Palestijnse komaf zijn. Verweerder heeft de asielrelazen van deze eisers ten aanzien van de gestelde discriminatie en de hun overkomen mishandelingen geloofwaardig geacht. Het is dan ook op voorhand aannemelijk dat eisers een reëel risico lopen dat zij bij terugkeer naar Libië wederom slachtoffer worden van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. In dit verband beroepen eisers zich op artikel 3.35, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000).

9. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de bestreden besluiten rechtens juist zijn. Ter toelichting heeft verweerder benadrukt dat niet is gebleken dat de geweldsincidenten alle gerelateerd zijn aan de Palestijnse afkomst van eisers, maar dat ook de verslechterde algemene veiligheidssituatie een rol speelt. Daarnaast is geen sprake van zodanig ernstige incidenten dat daarvoor asiel moet worden verleend.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de asielrelazen van eisers geloofwaardig zijn bevonden. Gelet hierop, alsmede op het verhandelde ter zitting, concludeert de voorzieningenrechter dat het geven van een oordeel over de vraag of eisers toerekenbaar niet gedocumenteerd zijn, achterwege kan blijven.

11. De beoordeling spitst zich toe op de vraag of de geloofwaardig geachte asielrelazen voldoende zwaarwegend zijn om eisers in aanmerking te brengen voor een asielvergunning. De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat de verklaringen van eisers in onderlinge samenhang moeten worden bezien, nu zij deel uitmaken van één gezin.

12. Eisers hebben gesteld dat zij in Libië gediscrimineerd worden omdat zij van Palestijnse afkomst zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de door eisers ondervonden discriminatie zodanig ernstig was dat deze zou moeten leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarvoor is slechts plaats indien de discriminatie een dusdanige beperking van de bestaansmogelijkheden betekent dat het voor de vreemdeling onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Niet is gebleken dat van een dergelijke situatie voor eisers in Libië sprake was. Immers, eisers hebben allen sinds hun geboorte in Libië gewoond. Eisers 1, 2 en 3 hebben allen een (voortgezette) schoolopleiding gevolgd en zij konden bijvoorbeeld ook, zoals blijkt uit het relaas van eiser 1, de sportschool bezoeken. Ook na de geweldsincidenten die eisers 1, 2 en 3 zijn overkomen hebben eisers hun leven in Libië voortgezet. Ondanks een mogelijke achterstelling als Palestijn, is eiser 1 in het ziekenhuis verpleegd en voor zijn letsel behandeld. Dat de dochters van eiseres niet naar school konden gaan omdat zij dan ontvoerd zouden worden, is niet onderbouwd.

13. Vervolgens staat, gelet op artikel 3.35, tweede lid, van het VV 2000, ter beoordeling of de vrees gerechtvaardigd is dat eisers bij terugkeer naar Libië het risico lopen aan ernstige schade te worden onderworpen. Ingevolge dit artikellid is het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan ernstige schade, of dat hij hiermee is bedreigd, een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor het risico om te worden onderworpen aan ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.

14. Blijkens hun verklaringen zijn eisers 1, 2 en 3 ieder met geweld geconfronteerd.

Naar Nederlandse strafrechtelijke normen zijn deze gebeurtenissen, zoals beschreven in de geloofwaardig geachte verklaringen van eisers, aan te merken als zware mishandeling. Eisers 1 en 3 zijn immers zodanig mishandeld dat zij ernstig letsel in de vorm van schade aan het trommelvlies en een schot in het been hebben opgelopen. Bij de poging tot ontvoering van eiser 2 is door een overmacht van vijf personen geweld op hem uitgeoefend, is hij met een geweer geslagen en tot bloedens toe met een scheermes gesneden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is bij eisers 1, 2 en 3 dan ook sprake van ernstige schade.

15. Deze ondervonden ernstige schade in Libië is, gelet op artikel 3.35, tweede lid, van het VV 2000, reeds een duidelijke aanwijzing dat voor eisers 1, 2 en 3 het risico reëel is dat zij bij terugkeer worden onderworpen aan ernstige schade. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet hierbij tevens in aanmerking worden genomen dat het hier drie leden uit één gezin van Palestijnse afkomst betreft, die binnen een periode van één jaar ieder aan fors geweld hebben blootgestaan. Voorts is niet in geschil dat eisers in Libië wegens hun Palestijnse afkomst worden gediscrimineerd. Daarnaast is van belang dat, zoals verweerder heeft erkend, de algemene veiligheidssituatie in Libië zorgelijk is en recentelijk is verslechterd. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van een reëel risico dat eisers 1, 2 en 3 bij terugkeer naar Libië opnieuw zullen worden onderworpen aan ernstige schade. Dat leidt tot de conclusie dat de beroepen van deze eisers gegrond zijn en dat de hen betreffende bestreden besluiten wegens onvoldoende motivering, en dus wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb, moeten worden vernietigd.

16. In aanmerking genomen de hiervoor al genoemde samenhang tussen het asielrelaas van eiseres en de relazen van eisers 1, 2, en 3 is er eveneens aanleiding om het ten aanzien van eiseres genomen bestreden besluit wegens onvoldoende motivering daarvan te vernietigen.

17. Gegeven de beslissing in de hoofdzaken is er geen aanleiding voor het treffen van voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

18. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2191,50 in verband met de per zaak gelijkluidende verzoeken om een voorlopige voorziening en beroepen (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,-, en wegingsfactor 1,5 wegens 4 samenhangende zaken).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 2191,50 (eenentwintighonderdeenennegentig euro en vijftig cent), te betalen aan eisers;

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bins-Scheffer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2014.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: