Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14071

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 15650vk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 64
Vreemdelingencirculaire 2000 (A) par A/7.1
Algemene wet bestuursrecht 4:82
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/15650

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2014 in de zaak tussen

[eiser] eiser, [X]

(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.V. van Vegten)

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser van 2 december 2013 om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 5 juni 2014 gegrond verklaard (het bestreden besluit) en aan eiser op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek verleend van 5 juni 2014 tot en met 5 december 2014.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014.

Eiser is niet ter zitting verschenen en werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [Y] en de [Z] nationaliteit te hebben.

Verweerder heeft bij besluit van 27 augustus 2012 eiser op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek verleend voor de duur van een jaar, met ingang van 27 augustus 2012 tot en met 26 augustus 2013.

Op 29 augustus 2013 heeft eiser een aanvraag tot verlenging van het uitstel van vertrek ingediend. Naar aanleiding van dit verzoek heeft Bureau Medische Advisering (BMA) op 22 mei 2014 een advies uitgebracht. Uit het BMA-advies blijkt dat eiser bekend is met een aandoening van het hart en dat hij hiervoor onder behandeling staat en dat die behandeling blijvend van aard is. BMA concludeert dat een medische noodsituatie op de korte termijn bij uitblijven van behandeling niet uit te sluiten is. Verder blijkt uit het BMA-advies dat bij eiser sprake is van PTSS en depressie. In 2010 is eiser opgenomen geweest wegens risico op zelfmoord. Eiser staat thans onder behandeling. De duur van de behandeling van de psychiatrische klachten is onbekend, doch wordt verwacht dat deze langdurig zal zijn (meer dan een jaar). BMA concludeert dat bij uitblijven van behandeling een medische noodsituatie op de korte termijn niet uit te sluiten is.

BMA acht eiser onder bepaalde strikte voorwaarden in staat te reizen, doch raad een reis naar [A] af, vanwege de mogelijkheid dat een medische noodsituatie op de korte termijn ontstaat bij uitblijven van medische behandeling, en vanwege de ongewisse situatie ten aanzien van de behandelmogelijkheden in [A]. BMA heeft aangegeven geen informatie te hebben of behandeling voor eiser in [A] mogelijk is. Na verscheiden pogingen in december 2013, januari en februari 2014 is er geen contact meer mogelijk met instellingen ter plekke. Het medisch personeel in Freetown dat aan BMA eerder informatie verschafte is niet meer beschikbaar.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit, onder verwijzing naar zijn beleid in paragraaf A3/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), toepassing gegeven aan artikel 64 van de Vw 2000 voor de periode van 5 juni 2014 tot 5 december 2014.

3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld omdat hij het niet eens is met de ingangsdatum en de duur van het aan hem verleende uitstel van vertrek. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:453) en stelt dat verweerder had moeten motiveren waarom ook in dit concrete geval gekozen is vast te houden aan het beleid en eiser niet met ingang van de datum van de aanvraag 29 augustus 2013 uitstel van vertrek te verlenen. Volgens eiser was reeds op die datum duidelijk dat hij voor het uitstel in aanmerking zou komen, nu hij reeds uitstel van vertrek had gehad tot 26 augustus 2013 op basis van zijn medische klachten en niets aan zijn medische situatie was veranderd. Bovendien was het niet aan eiser te wijten dat verweerder en BMA zo lang over zijn aanvraag hebben gedaan. Het gebrek aan contact met het medisch personeel in Freetown is al langer aan de gang en vormt een zelfstandige reden om uitstel van vertrek te verlenen. Bevreemdend is dan ook dat het uitstel van vertrek maar voor zes maanden is verleend.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Bij Besluit van 18 maart 2014, nummer WBV 2014/8, heeft verweerder zijn schriftelijke beleid in de Vc 2000 omtrent de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 gewijzigd. Dit beleid is gepubliceerd op 31 maart 2014 en in werking getreden op 1 april 2014 (Stcrt 2014, 8487). Sindsdien luidt paragraaf A3/7.1.3 (‘inwilliging’), van de Vc 2000, voor zover hier relevant, als volgt:

“De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies van BMA, schriftelijk alle volgende mededelingen aan de vreemdeling:

- dat uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw;

- de duur van de opschorting van het vertrek. Deze periode vangt aan op de datum van de beschikking waarbij de IND artikel 64 Vw toepast en is gelijk aan de periode die in het medisch advies van BMA is genoemd, waarvoor de vreemdeling naar verwachting onder behandeling zal staan, met een maximum van een jaar.”

5. De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde uitspraak van 6 februari 2014 van de Afdeling volgt dat verweerders beleid om het verzoek niet eerder in te willigen dan met ingang van de datum van het inwilligende besluit niet onredelijk is. Nu verweerder dit beleid met ingang van 1 april 2014 schriftelijk heeft vastgelegd in paragraaf A3/7.1.3 van de Vc 2000, was verweerder niet gehouden om zijn besluit van een op het concrete geval toegespitste motivering te voorzien. Deze beroepsgrond met betrekking tot de ingangsdatum van het verleende uitstel van vertrek faalt.

6. Het bestreden besluit kan evenwel geen stand houden op de navolgende gronden. In het hiervoor weergegeven beleid van verweerder staat dat uitstel van vertrek wordt verleend voor een periode gelijk aan de periode waarvoor de vreemdeling naar verwachting onder behandeling zal staan, met een maximum van een jaar. Omdat in het BMA-advies is aangegeven dat eiser voor zijn hartaandoening blijvend onder behandeling zal staan, en voor zijn psychiatrische klachten langer dan een jaar, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank gehouden om conform zijn beleid uitstel van vertrek voor de duur van een jaar te verlenen. Dat verweerder zoals zij ter zitting heeft gesteld, als vaste gedragslijn een termijn van zes maanden aanhoudt indien de (medische) situatie in een land onduidelijk is voor wat betreft de behandelmogelijkheden, leidt niet tot een ander oordeel. Reeds nu deze gedragslijn niet is neergelegd in een beleidsregel kon verweerder ingevolge artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hiermee niet volstaan. Dit klemt te meer nu aan eiser in 2012 uitstel van vertrek is verleend voor de termijn van een jaar.

7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

Vervolgens dient de rechtbank de mogelijkheid van finale geschilbeslechting te onderzoeken.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder terecht als ingangsdatum 5 juni 2014 heeft gehanteerd, maar ten onrechte de duur van het uitstel van vertrek heeft vastgesteld op zes maanden in plaats van een jaar. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiser met ingang van 5 juni 2014 tot 5 juni 2015 op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek wordt verleend, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener van eiser.

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat eiser met ingang van 5 juni 2014 tot 5 juni 2015 uitstel van vertrek

wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde betreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.