Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:14045

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5351
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de termijn die ingevolge artikel 21 van de Awir geldt voor herziening van toegekende tegemoetkomingen, moet volgens de rechtbank uiterlijk binnen vijf jaar na afloop van het berekeningsjaar zekerheid zijn gegeven. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval, waarin verweerder na het opvragen van de nodige informatie van eiseres in juni 2009 zonder enige aanwijsbare reden ruim vier jaar heeft laten verstrijken alvorens in december 2013 om aanvulling van de gegevens te vragen en vervolgens na het verstrijken van voornoemde vijfjaarstermijn het voorschot te herzien naar nihil en de definitieve toeslag op nihil te stellen, heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Onder deze omstandigheden stond het niet langer vrij om in 2014 het voorschot te herzien naar nihil en de definitieve toekenning op nihil vast te stellen en het gehele over 2008 uitgekeerde bedrag terug te vorderen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 21, geldigheid: 2015-02-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0393
V-N Vandaag 2015/293

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/5351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2014 in de zaak tussen

[X], wonende te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. C.M. Mostert),

en

Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 16 april 2014 het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 herzien en vastgesteld op nihil.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 20 mei 2014 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2014 te Den Haag.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar echtgenoot [Y]. Namens verweerder is verschenen [A].

Overwegingen

Feiten

1. Op 10 mei 2007 heeft eiser voor het jaar 2007 een aanvraag kinderopvangtoeslag ingediend. Op grond van artikel 15, vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) wordt deze aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de daaropvolgende berekeningsjaren.

2. Verweerder heeft bij beschikking van 4 december 2007 aan eiser een voorschot kinderopvangtoeslag 2008 van € 4.197 toegekend.

3. Verweerder heeft bij beschikking van 28 oktober 2008 en bij beschikking van 18 november 2008 het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 herzien en vastgesteld op € 3.053. Het voorschot is toegekend over de maanden januari tot en met augustus 2008.

4. Verweerder heeft bij brief van 30 juni 2009 eiseres verzocht om een jaaroverzicht kinderopvang 2008. Eiseres heeft als reactie hierop bij brief van 9 juli 2009 een jaaroverzicht en urenregistratieformulieren van het gastouderbureau [B] en van het gastouderbureau [C] toegezonden.

5, Verweerder heeft bij brief van 23 december 2013 eiseres verzocht om aanvullende informatie. Hierbij is eiseres gevraagd naar een overzicht van alle financiële transacties met betrekking tot de kinderopvang via het gastouderbureau [C] en [B], schriftelijke overeenkomsten en een jaaroverzicht voor de periode januari tot en met augustus 2008.

6. Eiseres heeft bij brief van 24 december 2013 jaaropgaven van [B] en [C] ingezonden.

7. Verweerder heeft bij brief van 10 maart 2014 eiseres nogmaals verzocht om aanvullende informatie. Er is wederom verzocht om een overzicht van alle financiële transacties met betrekking tot de kinderopvang bij gastouderbureau [B] en [C], zoals bank- en giroafschriften waarin alle bij- en afschrijvingen met betrekking tot bovenstaande worden vermeld en er wordt nogmaals verzocht om schriftelijke overeenkomsten.

8. Eiseres heeft bij brief van 12 maart 2014 aangegeven niet meer te beschikken over financiële transacties. Zij heeft bij voormelde brief een overeenkomst tussen haar en het gastouderbureau [C] toegestuurd.

9. Verweerder heeft bij beschikking van 16 april 2014 het voorschot kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op € 0.

10. Bij brief van 14 april 2014 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de herziene voorschotbeschikking van 16 april 2014.

11. Bij brief van 21 april 2014 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij geen volledige reactie heeft gegeven op het verzoek om informatie en dat dit reden is om vast te stellen dat er geen recht is op kinderopvangtoeslag over 2008. Tevens is de definitieve berekening aangekondigd in de brief.

12. Bij beslissing op bezwaar van 20 mei 2014 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

13. Verweerder heeft bij beschikking van 20 mei 2014 de kinderopvangtoeslag 2008 definitief berekend en vastgesteld op nihil.

Geschil

14. In geschil is of verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 terecht heeft herzien en vastgesteld op nihil.

15. Eiseres neemt het standpunt in dat zij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en alle gegevens tijdig aan verweerder heeft overgelegd. Nu verweerder pas in 2014 met een herziene berekening komt, waaruit volgt dat eiseres geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, handelt verweerder volgens eiseres in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

16. Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres geen overeenkomst met het gastouderbureau [B] heeft overgelegd. De door eiseres met het gastouderbureau [C] overgelegde overeenkomst voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden. Eiseres heeft voorts niet aangetoond dat zij kosten heeft gemaakt voor de kinderopvang in 2008. Het tijdsverloop is geen reden herziening van het voorschot achterwege te laten.

Beoordeling van het geschil

17. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft overwogen (onder meer uitspraak van 12 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7381), bestaat geen aanspraak op voorschot kinderopvangtoeslag indien geen overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko de basis voor de kinderopvang vormt. Dit betekent, mede gelet op artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), dat degene die aanspraak op het voorschot maakt een schriftelijke overeenkomst met het gastouderbureau dient te overleggen. Eiseres heeft voor het berekeningsjaar 2008 geen overeenkomst met [B] overgelegd. Nu eiseres geen overeenkomst heeft overgelegd, is niet aangetoond dat de kinderopvang via [B] op basis van een overeenkomst heeft plaatsgevonden. De door eiseres overgelegde overeenkomst met [C] vermeldt niet de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur, de bemiddelingskosten en het aantal uren gastouderopvang per jaar. De overeenkomst met [C] voldoet dus niet aan de eisen die op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet Kinderopvang aan een dergelijke overeenkomst worden gesteld. Verweerder heeft dan ook in beginsel reeds op die grond het voorschot kunnen herzien naar nihil.

18. Aangaande het tijdsverloop tussen de toekenning van het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 op 18 november 2008 en de herziening naar nihil op 16 april 2014 oordeelt de rechtbank als volgt.

19. Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Awir (tekst tot 1 januari 2013) kent de Belastingdienst/Toeslagen indien ten name van de belanghebbende over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld, de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe binnen 13 weken nadat de laatste in dit kader van belang zijnde aangifte inkomstenbelasting is ingediend, of, indien dat eerder is, binnen acht weken na de vaststelling van de laatste in dit kader van belang zijnde aanslag. Indien geen aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld, wordt ingevolge het tweede lid de tegemoetkoming vóór 1 december van het jaar volgend op het berekeningsjaar toegekend. Indien de tegemoetkoming niet binnen de in de vorige leden genoemde termijn kan worden toegekend, stelt de Belastingdienst/Toeslagen volgens het derde lid de belanghebbende hiervan schriftelijk in kennis onder het noemen van een redelijke termijn waarbinnen toekenning zal plaatsvinden.

20. Verweerder heeft de definitieve tegemoetkoming niet vastgesteld binnen de in artikel 19 van de Awir genoemde termijn en hij heeft ook niet schriftelijk een redelijke termijn genoemd.

21. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (zie ABRvS 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3620 en 3 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3296) mag verweerder de hoogte van het voorschot herzien zolang hij de tegemoetkoming nog niet heeft vastgesteld. Het verstrijken van de in artikel 19 van de Awir genoemde termijn tot definitieve vaststelling leidt er volgens voornoemde jurisprudentie niet toe dat de hoogte van het voorschot niet meer mag worden herzien. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel was naar het oordeel van de ABRvS in de aan haar voorgelegde zaken geen sprake.

22. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak wel sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

23. Artikel 21 van de Awir, luidt, voor zover hier van belang:

‘1. De Belastingdienst/Toeslagen kan een toegekende tegemoetkoming herzien:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend, of

b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.

2. Een tegemoetkoming kan met toepassing van dit artikel niet meer worden herzien indien vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.

(…)’

24. De termijn van vijf jaar, als bedoeld in het tweede lid van artikel 21 van de Awir, om een toegekende tegemoetkoming kinderopvangtoeslag voor het jaar 2008 (met in achtneming van de onder het eerste lid genoemde voorwaarden) te herzien, is in dit geval geëindigd op 31 december 2013.

25. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever met de bepalingen van artikel 19, 20 en 21 van de Awir, in onderlinge samenhang bezien, heeft beoogd de aanvrager van een toeslag zekerheid te bieden binnen welk tijdsbeslag voorschotten, dan wel reeds toegekende toeslagbedragen kunnen worden herzien. Die zekerheid moet naar het oordeel van de rechtbank in gevallen waarin artikel 20 van de Awir geen rol speelt, gelet op de termijn die ingevolge artikel 21 van de Awir geldt voor herziening van toegekende tegemoetkomingen, uiterlijk binnen vijf jaar na afloop van het berekeningsjaar zijn gegeven. Aansluiting bij de termijn van artikel 21 van de Awir ligt naar het oordeel van de rechtbank wetssystematisch in de rede en die termijn sluit ook aan bij andere herzienings-en verjaringstermijnen in het belastingrecht en algemeen bestuursrecht. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval, waarin verweerder na het opvragen van de nodige informatie van eiseres in juni 2009, welke informatie eiseres binnen tien dagen heeft verstrekt, zonder enige aanwijsbare reden ruim vier jaar heeft laten verstrijken alvorens in december 2013 om aanvulling van de gegevens te vragen en vervolgens na het verstrijken van voornoemde vijfjaarstermijn het voorschot te herzien naar nihil en de definitieve toeslag op nihil te stellen, heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verweerder onder deze omstandigheden niet langer vrijstond om in 2014 het voorschot te herzien naar nihil en de definitieve toekenning op nihil vast te stellen en het gehele over 2008 uitgekeerde bedrag terug te vorderen.


De rechtbank zal gelet op het voorgaande de beschikkingen van 16 april 2014 en 20 mei 2014 vernietigen.

Proceskosten

27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar;

- herroept de beschikkingen van 16 april 2014 en 20 mei 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2014.