Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13959

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
14-9658 en 14-9660
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegen eiseres, van Surinaamse nationaliteit, is, onder opheffing van de ongewenstverklaring, een inreisverbod uitgevaardigd van tien jaar, omdat eiseres als ernstig gevaar voor de openbare orde wordt beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat met de door verweerder verrichte belangenafweging geen fair balance is gevonden tussen het belang ter voorkoming van strafbare feiten en de belangen van eiseres en haar Nederlandse minderjarige kinderen. Weliswaar mogen de door eiseres gepleegde delicten zwaar wegen, maar het patroon van de gepleegde delicten is na het besluit tot ongewenstverklaring gewijzigd. De kinderen zijn woonachtig bij hun vader, maar eiseres heeft, ondanks haar verslavingsproblematiek, regelmatig contact met hen. Van zwaar gewicht is dat in Suriname geen behandelmogelijkheden bestaan voor de medische klachten aan het rechteroog van eiseres, terwijl zij blind is aan het linkeroog en dat de klachten van eiseres zonder behandeling kunnen leiden tot volledige blindheid. Dit vormt niet alleen een obstakel voor terugkeer naar Suriname maar zal ook een grote impact hebben op het leven van de kinderen.Tevens is van belang, zoals uit het arrest van het EHRM in de zaak Jeunesse vs Nederland blijkt, dat eiseres toen zij werd geboren de Nederlandse nationaliteit had. Zij is op haar 14de Surinaamse geworden, maar verblijft vanaf haar 18de -thans 35 jaar- in Nederland. Voorts heeft eiseres legaal verblijf in Nederland gehad en heeft zij getracht haar verdere verblijf te legaliseren. Verweerder is bovendien ondanks rechtmatig bevonden bewaringen nimmer tot uitzetting overgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/22

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/9658 (beroep)

AWB 14/9660 (voorlopige voorziening)

[V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 18 november 2014 in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Surinaamse nationaliteit, eiseres en verzoekster (hierna te noemen eiseres)
(gemachtigde: mr. J.M. Niemer),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).

Procesverloop

Bij brief van 3 december 2013 heeft eiseres een aanvraag ingediend om opheffing van de aan haar opgelegde ongewenstverklaring en verzocht om verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 voor een medische behandeling, althans om verlening van uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000.

Bij besluit van 16 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om opheffing van haar ongewenstverklaring ingewilligd en tevens een inreisverbod van tien jaar tegen eiseres uitgevaardigd.

Op 22 april 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. In dezelfde brief is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het inreisverbod te schorsen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank betrekt de volgende feiten en omstandigheden bij de beoordeling.

1.1

Eiseres is geboren in 1961 en had toen de Nederlandse nationaliteit. Toen Suriname in 1975 onafhankelijk werd en eiseres veertien jaar oud was, is zij Surinaamse geworden. Vier jaar later, in 1979, is eiseres Nederland ingereisd. In de vijfendertig jaar die daar tot op heden op zijn gevolgd, heeft eiseres in Nederland verbleven.

1.2

Eiseres heeft op 2 december 1998 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner, [naam]. Op [datum]1999 is eiseres met de [partner] gehuwd. De [partner] heeft de Nederlandse nationaliteit. Op 8 juni 1999 is aan eiseres een vergunning tot verblijf onder de beperking “verblijf bij Nederlandse echtgenoot [naam]” verleend, met als ingangsdatum 23 februari 1999. Eiseres en de [partner] hebben samen twee kinderen, te weten [kind 1] geboren op [geboortedag] 1997 en [kind 2], geboren op [geboortedag]2000. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit. Op 29 april 2003 is de echtscheiding tussen de [partner] en eiseres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Eiseres heeft vervolgens een aanvraag ingediend tot verlenging of wijziging van de aan haar verleende verblijfsvergunning. Bij brief van 2 augustus 2004 heeft verweerder de ontvangst daarvan bevestigd, meegedeeld dat zo spoedig mogelijk op de aanvraag zal worden beslist en gewezen op de wettelijke beslistermijn van zes maanden.
Bij besluit van 18 april 2005 is de eerder aan eiseres verleende verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf bij echtgenoot [naam]” ingetrokken. Aan dit besluit heeft verweerder uitdrukkelijk geen terugwerkende kracht verbonden tot het moment van beëindiging van de relatie met [partner] in verband met het tussen eiseres en haar kinderen bestaande familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij besluit van 10 juni 2005, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 10 maart 2008, heeft verweerder eiseres ongewenst verklaard. Eiseres heeft tegen voormelde beslissing op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 19 december 2008 (AWB 08/17988) is dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is overschreden. Tegen deze uitspraak heeft eiseres verzet ingesteld, dat ongegrond is verklaard. Ten gevolge daarvan is de ongewenstverklaring in rechte vast komen te staan.

1.3

In december 2008 is het linkeroog van eiseres verwijderd. Eiseres heeft medische klachten aan haar rechteroog. Zoals blijkt uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 7 november 2013, dat in het kader van de onderhavige procedure is uitgebracht, bestaat een reëele kans op toename van de klachten indien de medische behandeling wordt gestaakt, ontbreekt of onvoldoende is, en kunnen deze klachten leiden tot volledige blindheid van eiseres. In beroep is komen vast te staan dat anders dan in het BMA-advies is geconcludeerd in Suriname geen behandelmogelijkheden voor de medische klachten aan het rechteroog van eiseres beschikbaar zijn.

1.4

De kinderen van eiseres wonen bij hun vader, de [partner], en zijn nieuwe partner. Bij brief van 10 juni 2014 heeft de [partner] verklaard dat eiseres regelmatig contact heeft met hun kinderen.
1.5 Eiseres is langdurig drugsverslaafd geweest en in het verleden veelvuldig veroordeeld wegens het plegen van winkeldiefstallen, laatstelijk gepleegd op 3 mei 2013. Voorts is eiseres vóór 2005 meermaals veroordeeld wegens het niet opvolgen van ambtelijke bevelen.

Daarnaast is eiseres op 15 februari 2005 één maal veroordeeld wegens een poging tot zware mishandeling (gepleegd op 28 september 2003) en op 20 juni 2007 één maal voor diefstal met geweld tegen personen met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren (gepleegd op 6 juni 2007).

Wettelijk kader

3.1

In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald, voor zover thans van belang, dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven en privéleven.

Op grond van het tweede lid van dat artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

3.2

Op grond van artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.

3.3

Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt onze minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid.

3.4

Volgens A4/2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 wordt geen inreisverbod uitgevaardigd, indien het uitvaardigen van een inreisverbod een schending van artikel 8 van het EVRM betekent. Dit betekent dat bij het uitvaardigen van een inreisverbod rekening gehouden moet worden met artikel 8 EVRM-aspecten.

3.5

Volgens paragraaf B7/3.8.2 van de Vc 2000 is sprake van inmenging in het familie- en gezinsleven indien de vreemdeling met toepassing van artikel 66a, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, een inreisverbod krijgt uitgevaardigd.

Standpunten partijen

4.1

Verweerder heeft in het bestreden besluit de ongewenstverklaring van eiseres opgeheven en met ingang van diezelfde datum tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.
Verweerder heeft aan het inreisverbod ten grondslag gelegd dat eiseres meermalen is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet verweerder geen redenen om af te zien van het opleggen van een inreisverbod. Verweerder acht het inreisverbod niet in strijd met artikel 3 van het EVRM, omdat er geen sprake is van een levensbedreigend stadium van een ziekte.

Verweerder acht het inreisverbod evenmin in strijd met artikel 8 van het EVRM. In zijn belangenafweging heeft verweerder de guiding principles betrokken als geformuleerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de arresten Boultif tegen Zwitserland van 2 augustus 2001, nr. 54273/00 (www.echr.coe.int), en Üner tegen Nederland van 18 oktober 2006, nr. 46410/99 (www.echr.coe.int). Van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen is niet gebleken. De overige belangen van eiseres zijn van onvoldoende gewicht ten opzichte van het algemeen belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten.

Aangezien eiseres op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenbesluit 2000 vanwege haar strafrechtelijke veroordelingen voor geweldsmisdrijven een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid, is de duur van het inreisverbod gesteld op tien jaar.

4.2

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder van het opleggen van een inreisverbod af had moeten zien op grond van humanitaire redenen en de artikelen 3 en 8 van het EVRM. Zij beroept zich op haar recht op respect voor haar privéleven, haar familieleven en haar gezinsleven. Eiseres zal bij terugkeer blind worden en heeft niemand om op terug te vallen of die voor haar zorgt. Ook zal zij geen contact meer kunnen onderhouden met haar kinderen. Eiseres is geboren als Nederlandse, maar toen omstreeks 1975 haar moeder overleed en Suriname onafhankelijk werd, is haar geadviseerd om Surinaamse te worden. Dit advies heeft eiseres opgevolgd, zonder de consequenties daarvan te bevatten. Toen eiseres Nederland inreisde, waren haar twee broers, haar zus, haar ooms en haar tantes in Nederland woonachtig. Eiseres heeft twee tot drie keer per week contact met haar kinderen. Zij woont bij haar zus in [woonplaats], verblijft inmiddels vijfendertig jaar in Nederland en heeft geen contact meer met personen in Suriname. Eiseres erkent dat zij meerdere diefstallen heeft gepleegd en draagt aan dat de oorzaak van deze gepleegde delicten de onmogelijkheid is om zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien. De winkeldiefstallen zijn van relatief geringe ernst en de gevolgen van het uitgevaardigde inreisverbod ernstig, zodat de belangenafweging die verweerder heeft verricht tot een andere uitkomst had moeten leiden. Eiseres heeft in beroep diverse verklaringen overgelegd met betrekking tot haar medische problematiek en het contact met haar kinderen, waarnaar zij verwijst.

Beoordeling


5.1 De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en niet heeft voorzien van een deugdelijke motivering, nu verweerder ten aanzien van het verzoek tot toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, dat tegelijkertijd met het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring is gedaan, geen advies heeft gevraagd aan het BMA en dus niet heeft onderzocht of artikel 64 van de Vw 2000 analoog zou moeten worden toegepast. Dit is ook niet in geschil. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is reeds om deze reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


5.2 De rechtbank ziet geen aanleiding het aanhoudingsverzoek van verweerder te honoreren om verweerder in de gelegenheid te stellen in deze beroepsprocedure alsnog aan het BMA voor te leggen of analoge toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 aan de uitzetting van eiseres in de weg staat nu het besluit ook op andere gronden niet in stand kan blijven. In het kader daarvan overweegt de rechtbank als volgt.

5.3

De rechtbank is allereerst van oordeel dat in het licht van de vaste jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verweerder zich onder verwijzing naar het BMA-advies op het standpunt heeft kunnen stellen dat de medische klachten van eiseres onvoldoende zijn om te concluderen dat artikel 3 van het EVRM aan het uitvaardigen van het inreisverbod in de weg staat.

5.4

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder op grond van artikel 8 van het EVRM van het opleggen van het inreisverbod af had moeten zien, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM, onder meer de arresten van 25 april 2007, Konstatinov tegen Nederland van 26 april 2007, nr. 16351/03 en het arrest Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09 (www.echr.coe.int), dient bij een inmenging op het recht op respect voor het privé- en familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting om dat privé-, familie- en gezinsleven mogelijk te maken, een fair balance te worden gevonden tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van zijn privé- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het Nederlands algemeen belang bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De gehanteerde maatstaf van de fair balance impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

5.5

De vraag of sprake is van een objectieve belemmering is één van de aspecten die bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM een rol (kunnen) spelen. Ook als er geen sprake is van een objectieve belemmering, kan het belang van de vreemdeling zwaarder wegen en is verweerder gehouden een belangenafweging te maken. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat ook rekening gehouden moet worden met andere (niet objectieve) beletselen die zich voordoen als van het hele gezin gevraagd wordt zich elders te vestigen. Zo spreekt het EHRM in haar rechtspraak ook niet noodzakelijkerwijs enkel van een “objectieve belemmering” om het gezinsleven elders uit te oefenen, maar hanteert het verschillende termen. In bijvoorbeeld het arrest Narenji Haghighi tegen Nederland van 14 april 2009, nr. 38165/07 (www.echr.coe.int), stelt het EHRM de vraag of sprake is van “insurmountable obstacles” voor het gezinslid, wanneer deze zich in het land van de vreemdeling zal moeten vestigen, terwijl het EHRM in andere arresten overweegt dat beantwoord moet worden wat “the seriousness of the difficulties” zal zijn, dan wel of sprake zal zijn van “significant difficulties”, voor de gezinsleden als zij de vreemdeling moeten volgen naar zijn land van herkomst (zie bijvoorbeeld de arresten Boultif tegen Zwitserland van 2 augustus 2001, nr. 54273/00 (www.echr.coe.int), Maslov tegen Oostenrijk van 23 juni 2008, nr. 1638/03 (www.echr.coe.int) en Omojudi tegen het Verenigd Koninkrijk van 24 november 2009, nr. 1820/08 (www.echr.coe.int). In het recente arrest Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, nr. 12738/10 (www.echr.coe.int) stelt het EHRM, onder meer, de vraag of “it is likely that the applicant and her family would experience a degree of hardship”.

5.6

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat, doordat behandelmogelijkheden voor de medische klachten aan het rechteroog van eiseres in Suriname ontbreken, bij terugkeer een reële kans bestaat dat eiseres volledig blind wordt. Weliswaar betekent dit niet dat eiseres daardoor bij terugkeer naar Suriname het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Dat neemt echter niet weg dat de medische klachten wel een rol kunnen spelen bij de beoordeling of sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. Uit het arrest van het EHRM van 10 november 2005 in de zaak Paramsothy vs. Nederland (nr. 14492/03) volgt dat ook als de ernst van de te verwachten gezondheidsproblemen niet voldoet aan de maatstaf van artikel 3 van het EVRM, de nadelige gevolgen van terugkeer wel dienen te worden betrokken bij de afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM, indien de te verwachten medische problemen dermate ernstig zijn dat deze in de weg staan aan het in stand houden en ontwikkelen van privéleven in de zin van die bepaling. Dat van zodanig ernstige problemen in dit geval sprake is, kan zonder meer uit het BMA-advies van 7 november 2013 worden afgeleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich hiervan in het bestreden besluit onvoldoende rekenschap gegeven.

Dat geldt eveneens voor de hevige impact van de gevolgen van terugkeer op de belangen van de (Nederlandse) minderjarige kinderen van eiseres, [kind 1] en [kind 2]. Eiseres zal hen indien zij blind is immers nooit meer kunnen zien, in de letterlijke zin des woords. Uit de verklaring van de [partner] blijkt dat eiseres, ondanks haar medische en verslavingsproblematiek, nog steeds regelmatig contact heeft met haar kinderen. Zelfs als de rechtbank voorbij zou moeten gaan aan de verklaring van de heer [naam], zoals verweerder heeft aangegeven, hebben kinderen er volgens vaste jurisprudentie van het EHRM belang bij op te groeien in de aanwezigheid van hun beide ouders. Verweerder heeft zich ook daarvan in het bestreden besluit onvoldoende rekenschap gegeven. Dat aan de belangen van kinderen groot gewicht moet worden toegekend volgt uit de arresten van het EHRM in de zaken van Neulinger en Shuruk tegen Zwitserland van 6 juli 2010, nr. 41615/07 (www.echr.coe.int) en in de zaak van X tegen Letland van 26 november 2013, nr. 27853/09 (www.echr.coe.int). Deze jurisprudentie is wederom bevestigd in het reeds genoemde arrest Jeunesse.

5.7

Voorts volgt uit het arrest Jeunesse dat in de belangenafweging zwaar gewicht dient te worden toegekend aan het feit dat niet alleen de kinderen (en de ex-echtgenoot van eiseres) de Nederlandse nationaliteit bezitten, maar dat ook eiseres toen zij werd geboren de Nederlandse nationaliteit had. Eiseres verkreeg als minderjarig kind (14 jaar oud) bij de onafhankelijkheid van Suriname, in 1975, de Surinaamse nationaliteit, maar is amper vier jaar later Nederland ingereisd. Het bestreden besluit getuigt er niet van dat aan het voormalig Nederlanderschap van eiseres een zodanig gewicht is toegekend.

5.8

Voorts heeft eiseres enige tijd rechtmatig verblijf gehad en gepoogd om haar legale verblijf te continueren, maar is, voor zover de rechtbank bekend, nimmer beslist op haar aanvraag tot verlenging of wijziging van de aan haar verleende verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf bij Nederlandse echtgenoot[naam]”. Dat eiseres ook in die periode reeds misdrijven had gepleegd, maakt nog niet dat er op dat moment geen enkel vooruitzicht bestond op legalisering van haar verblijf nu verweerder in het besluit van
18 april 2005 tot de slotsom is gekomen dat de tot dan toe door eiseres gepleegde strafbare feiten van onvoldoende gewicht zijn om de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres uit te laten vallen.

5.9

Verder acht de rechtbank, wederom onder verwijzing naar het arrest Jeunesse, van belang dat eiseres in de vijfendertig jaar dat zij in Nederland verblijft, nimmer door verweerder is uitgezet, terwijl zij wel diverse malen in bewaring heeft gezeten en in de beoordeling van de rechtmatigheid van deze bewaring diverse malen door de rechtbank is vastgesteld dat er zicht op uitzetting bestond.

5.10

Tot slot kan een zwaar gewicht worden toegekend aan het feit dat, nu eiseres thans vijfendertig jaar in Nederland verblijft, zij aanzienlijke banden heeft met Nederland en navenant minder banden met Suriname.

5.11

Tegenover deze belangen van eiseres en haar kinderen staat het algemeen belang van de Nederlandse staat ter bescherming van de openbare orde en ter voorkoming van strafbare feiten. De rechtbank acht in dit kader van belang dat verweerder in het besluit van 18 april 2005 tot de slotsom is gekomen dat de door eiseres gepleegde strafbare feiten van onvoldoende gewicht zijn om de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres uit te laten vallen. Verweerder heeft om die reden de verblijfsvergunning van eiseres niet met terugwerkende kracht ingetrokken. Op het moment van die besluitvorming was eiseres niet alleen reeds meermalen veroordeeld voor winkeldiefstallen, maar eveneens wegens het plegen van een poging tot zware mishandeling op 28 september 2003. Ook deze veroordeling moet geacht worden in die besluitvorming te zijn betrokken.

De rechtbank benadrukt dat het eiseres valt aan te rekenen dat eerdere strafrechtelijke veroordelingen en de ongewenstverklaring haar niet hebben weerhouden van het wederom plegen van strafbare feiten. Verweerder heeft aan deze omstandigheid dan ook zwaar gewicht mogen toekennen. Uit het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister blijkt echter dat het patroon van de gepleegde delicten na het besluit tot ongewenstverklaring is veranderd. Weliswaar is eiseres nog één maal veroordeeld wegens het op 6 juni 2007 plegen van een diefstal gevolgd van geweld tegen personen met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren, maar voor het overige is eiseres voornamelijk veroordeeld wegens het plegen van winkeldiefstallen en voor overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

5.12

De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden in samenhang bezien en enigszins terughoudend toetsend met de door verweerder gemaakte afweging geen fair balance is gevonden tussen enerzijds het belang van eiseres bij uitoefening van haar privéleven en de belangen van zowel eiseres als haar kinderen bij uitoefening van het familieleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving.

Daaruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 8 van het EVRM en 3:46 van de Awb.

6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

7. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/9658:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/9660:

wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in alle zaken:

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 330,- (zegge: driehonderddertig euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,- (zegge: veertienhonderdéénenzestig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Duren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MvD

Coll.: LFF

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.