Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13891

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
C-09-465845 - FA RK 14-3576
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging gezag. Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis. Kind heeft gewone verblijfplaats in Frankrijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/34 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 14-3576

Zaaknummer: C/09/465845

Datum beschikking: 14 november 2014

Gezag

Beschikking op het op 14 mei 2014 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. J.R. Juriaans te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende te Frankrijk,

advocaat: mr. T.Y. Tsang te 's-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.

Op 4 september 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader vergezeld van zijn advocaat en de moeder vergezeld van haar advocaat en een tolk.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:

- de brief d.d. 3 oktober 2014, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- het bericht d.d. 14 oktober 2014 van de zijde van de vader.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht te bepalen dat hij samen met de moeder met het ouderlijk gezag over de na te noemen minderjarige wordt belast, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De moeder stelt zich primair op het standpunt dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de vader en subsidiair dat het verzoek van de vader dient te worden afgewezen.

Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht - indien de rechtbank de vader mede met het ouderlijk gezag belast - de verblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, welke is geëindigd.

- Uit de moeder is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- -[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats], die door de vader is erkend.

- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

- De minderjarige verblijft thans bij de moeder.

- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Franse nationaliteit. De minderjarige heeft de Nederlandse en de Franse nationaliteit.

Beoordeling

Tussen partijen is in geschil of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de vader.

De vader stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevoegd is, nu de onderhavige zaak zodanig is verbonden met de rechtssfeer van Nederland. De vader voert hiertoe aan dat de minderjarige in Nederland is geboren en het merendeel van zijn leven in Nederland heeft doorgebracht. Voor zover de rechtbank zich onbevoegd acht, beroept de vader zich op artikel 9 van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Verordening Brussel II-bis).

De moeder stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse onbevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, nu de minderjarige sinds 29 maart 2014 zijn gewone verblijfplaats heeft in Frankrijk samen met de moeder. De moeder heeft bij het verlaten van Nederland altijd de intentie gehad om zich definitief in Frankrijk te vestigen. De moeder betwist voorts dat artikel 9 Verordening Brussel II-bis op de onderhavige kwestie van toepassing is.

Voor het beoordelen van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, is – in tegenstelling tot het door de vader gestelde artikel 5 Rv – van belang wat ingevolge artikel 8 Verordening Brussel II-bis de gewone verblijfplaats van de minderjarige was ten tijde van het indienen van het verzoek, dus op 14 mei 2014. Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 9 van de Verordening Brussel II-bis, nu de vader geen verzoek tot wijziging van een eerdere beslissing betreffende het omgangsrecht heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor het bepaalde in de artikelen 10 en 12 van voormelde Verordening.

Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis is volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Hoge Raad de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet worden vastgesteld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de omstandigheden en de redenen van het verblijf van de minderjarige op het grondgebied van een staat alsmede de nationaliteit van het kind. De bedoeling van de met het gezag belaste persoon om zich met het kind in een andere staat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door bepaalde tastbare handelingen, kan een aanwijzing zijn dat de gewone verblijfplaats is gewijzigd. Voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats geldt vooral de wens van de betrokkene om het permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen in de staat van ontvangst, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen. Vergelijk bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2211:BQ4833. De rechter kan bij het bepalen c.q. het invullen van het begrip “gewone verblijfplaats” derhalve rekening houden met alle feitelijke omstandigheden van de concrete situatie.

De moeder is, mede gelet op de jonge leeftijd van de minderjarige, de ouder die centraal staat in het leven van de minderjarige. Zij is belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige en was bevoegd hem mee te nemen naar Frankrijk. De moeder heeft sinds haar vertrek op 29 maart 2014 feitelijk invulling gegeven aan haar intentie om een nieuw leven op te bouwen in Frankrijk, in de nabijheid van haar familie.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de moeder op 29 maart 2014 – volgens haar na onenigheid met de vader hetgeen door de vader is erkend – met de minderjarige naar Frankrijk is vertrokken. Dat de moeder op 29 maart 2014 samen met de minderjarige naar Frankrijk is vertrokken en dat zij sindsdien daar wonen is door de vader niet bestreden. Bovendien is uit de door de moeder overgelegde stukken gebleken dat aan de moeder reeds in april 2014 een uitkering in Frankrijk is toegekend en uitbetaald welke uitkering is bedoeld voor ingezetenen. Voorts is uit de door de moeder overgelegde stukken gebleken dat de door de moeder gevoerde procedure omtrent de aanvraag van het familieboekje bij het Franse consulaat te Amsterdam is gedateerd op 10 april 2014, dus vóór de datum van indiening van het verzoekschrift. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit de gedragen van moeder blijkt dat zij in ieder geval in april 2014 de intentie had om zich samen met de minderjarige definitief te vestigen in Frankrijk.

Voornoemd feitencomplex leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat de minderjarige op 14 mei 2014, de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, de gewone verblijfplaats niet (meer) in Nederland had, maar in Frankrijk. Het feit dat de moeder zich op een later tijdstip uit de Basisregistratie Personen uit Nederland heeft uitgeschreven maakt dit oordeel niet anders, nu de moeder onweersproken te kennen heeft gegeven dat zij niet op de hoogte was dat dit verplicht was aangezien een dergelijke uitschrijving niet in Frankrijk gebruikelijk is.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige op 14 mei 2014 buiten Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe.

Nu de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van het verzoek van de vader komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk zelfstandig verzoek van de moeder.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de vader.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Vink, kinderrechter, bijgestaan door

mr. A. Kalicharan als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2014.