Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13885

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
C-09-458185 - FA RK 14-236
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, stiefkind behoort niet tot het gezin in de zin van het bepaalde in artikel 1:395a BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 14-236

Zaaknummer: C/09/458185

Datum beschikking: 12 november 2014

Alimentatie

Beschikking op het op 10 januari 2014 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat: mr. M. Haasjes te Waddinxveen

en

[jongmeerderjarige],

de jong-meerderjarige,

vertegenwoordigd door de vrouw,

[thans jongmeerderjarige],

thans jong-meerderjarig,

vertegenwoordigd door de vrouw,

[thans jongmeerderjarige],

thans jong-meerderjarig,

vertegenwoordigd door de vrouw.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats 2],

advocaat: mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn.

Procedure

Bij beschikking van 27 augustus 2014 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –de man opgedragen te bewijzen dat [stiefkind]tot zijn gezin behoort in de zin van het bepaalde in artikel 1:395a BW en is iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie en de proceskosten aangehouden.

De rechtbank heeft nadien kennis genomen van de volgende processtukken:

- het bericht d.d. 15 september 2014, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het faxbericht d.d. 8 oktober 2014 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 7 november 2014, met machtigingen van de thans jong-meerderjarigen, van de zijde van de vrouw.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen dat bij genoemde beschikking d.d. 27 augustus 2014 is overwogen en beslist, voor zover in onderhavige beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Het verzoek tot verbetering ten aanzien van de behoefte van [jongmeerderjarige]

De man heeft bij brief d.d. 15 september 2014 verzocht – voor zover hier van belang – over te gaan tot verbetering van de beschikking van deze rechtbank d.d. 27 augustus 2014, in dier voege dat [jongmeerderjarige] geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de man met ingang van september 2014.

De vrouw heeft bij faxbericht d.d. 8 oktober 2014 verweer gevoerd tegen dit verzoek. Zij is van mening dat er geen sprake is van een kennelijke verschrijving. Bovendien is de vrouw het inhoudelijk niet eens met het door de man gestelde over de behoefte van [jongmeerderjarige]. Derhalve heeft de vrouw verzocht het verzoek van de man tot verbetering van de beschikking af te wijzen.

Uit de in het dossier aanwezige zittingsaantekeningen blijkt dat door de advocaat van de vrouw te kennen is gegeven dat [jongmeerderjarige] sinds september vorig jaar een inkomen heeft en dat zij sindsdien geen aanspraak maakt op een bijdrage van de man. De rechtbank is van oordeel dat zij bij beschikking d.d. 27 augustus 2014 abusievelijk heeft overwogen dat partijen het er met elkaar over eens zijn dat [jongmeerderjarige] vanaf november 2013 geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de man, terwijl dit had moeten zijn "september 2013". De beschikking d.d. 27 augustus 2014 dient dan ook op de grond dat deze een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare fout bevat, die op grond van artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient te worden verbeterd, zoals hierna onder het kopje "Beslissing" weergegeven.

De kinderalimentatie

De onderhoudsplicht van de man jegens [stiefkind]

Bij beschikking van 27 augustus 2014 van deze rechtbank is de man opgedragen te bewijzen dat zijn stiefkind[stiefkind] tot zijn gezin behoort als bedoeld in artikel 1:395a BW.

Uit de verklaring van de man, de echtgenote van de man en de vader van [stiefkind] blijkt dat [stiefkind] zowel tijdens als buiten de schoolvakanties van vrijdag in de even weken tot en met dinsdagavond in de oneven weken in het gezin van de man en zijn moeder verblijft en dat hij met enige regelmaat al op donderdagavond naar zijn moeder gaat. Hieruit kan geconcludeerd worden dat [stiefkind] vijf van de veertien dagen in het gezin van de man en zijn moeder verblijft. Er is derhalve geen sprake van co-ouderschap zoals de man stelt. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat [stiefkind] zijn hoofdverblijfplaats bij zijn vader heeft.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [stiefkind] niet tot het gezin van de man behoort als bedoeld in artikel 1:395a BW en dat de man dus niet onderhoudsplichtig is jegens [stiefkind].

De draagkracht van de vrouw en haar echtgenoot

Bij beschikking d.d. 27 augustus 2014 heeft de rechtbank reeds overwogen dat de vrouw en haar echtgenoot geen draagkracht hebben om in een deel van de kosten voor [thans jongmeerderjarige] en [thans jongmeerderjarige] te voorzien.

De draagkracht van de man

Bij beschikking d.d. 27 augustus 2014 is de draagkracht van de man berekent op € 498,-- per maand en is reeds geoordeeld dat de man onderhoudsplichtig is jegens [thans jongmeerderjarige], [thans jongmeerderjarige] en [stiefkind]

Nu niet is gebleken dat [stiefkind] in de zin van het bepaalde in artikel 1:395a BW tot het gezin van de man behoort, dient de draagkracht van de man gedeeld te worden over drie kinderen naar rato van hun behoefte.

De totale kosten van de kinderen

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bedraagt het aandeel van de man in de kosten van alle (stief)kinderen € 1.335-- per maand ([thans jongmeerderjarige] € 675,--, [thans jongmeerderjarige] € 500,-- en [stiefkind] € 160,--). De draagkracht van de man bedraagt echter € 498,-- per maand. Rekening houdend met het fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen voor [thans jongmeerderjarige] en [thans jongmeerderjarige] van € 116,-- per maand bedraagt de totale draagkracht van de man € 614,-- per maand. Aangezien [thans jongmeerderjarige] en [thans jongmeerderjarige] beiden studeren (zie hierover beschikking d.d. 27 augustus 2014 onder het kopje "Behoefte van [thans jongmeerderjarige] en [thans jongmeerderjarige]") en derhalve recht hebben op studiefinanciering, kan de man vanaf hun achttiende jaar niet langer aanspraak maken op bovengenoemd fiscaal voordeel, zodat zijn draagkracht met ingang van 12 september 2014 € 498,-- per maand bedraagt.

Tot 12 september 2014 (draagkracht man € 614,--)

Het tekort aan draagkracht dient gelijkelijk over alle (stief)kinderen te worden verdeeld:

[thans jongmeerderjarige]: 675 / 1335 x 614 = 310

[thans jongmeerderjarige]: 500 / 1335 x 614 = 230

[stiefkind]: 160 / 1335 x 614 = 74

Met ingang van 12 september 2014 (draagkracht man € 498,--)

Het tekort aan draagkracht dient gelijkelijk over alle (stief)kinderen te worden verdeeld:

[thans jongmeerderjarige]: 675 / 1335 x 498 = 252

[thans jongmeerderjarige]: 500 / 1335 x 498 = 187

[stiefkind]: 160 / 1335 x 498 = 60

Nu er geen sprake is van een omgangsregeling tussen de man en [thans jongmeerderjarige] en [thans jongmeerderjarige], zal de rechtbank geen rekening houden met een zorgkorting.

De man verzoekt rekening te houden met zijn betalingsverplichting uit hoofde van een doorlopend krediet van € 50,-- per maand en de aflossing van zijn advocaatkosten, daartoe stellende dat het gaat om lasten/verplichtingen die noodzakelijk waren en waarvan hij zich niet kan bevrijden.

Nu noch gesteld noch gebleken is dat de bijdrage die is vastgesteld op basis van de draagkrachttabel – vanwege deze lasten – voor de man tot een onaanvaardbaar resultaat leidt, omdat hij bij deze bijdrage met zijn inkomen niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien, zal het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets worden afgewezen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van 10 januari 2014 tot 12 september 2014 ten behoeve van [thans jongmeerderjarige] worden vastgesteld op € 310,-- per maand en ten behoeve van[thans jongmeerderjarige] op € 230,-- per maand, en met ingang van 12 september 2014 ten behoeve van [thans jongmeerderjarige] op € 252,-- per maand en ten behoeve van [thans jongmeerderjarige] op € 187,-- per maand.

De proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

verbetert de beschikking van deze rechtbank d.d. 27 augustus 2014 in die zin dat het kopje "De bijdrage ten behoeve van [jongmeerderjarige]" komt te luiden:

"Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de man ten behoeve van [jongmeerderjarige] tot januari 2014 de kinderalimentatie heeft voldaan. Partijen zijn het er met elkaar over eens dat [jongmeerderjarige] vanaf september 2013 geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de man.";

handhaaft de beschikking d.d. 27 augustus 2014 voor het overige;

met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank d.d. 22 april 1999 – :

bepaalt de door de man met ingang van 10 januari 2014 tot 12 september 2014 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige [thans jongmeerderjarige], geboren op[geboortedatum] te [geboorteplaats], op € 310,-- per maand, en met ingang van 12 september 2014 op € 252,-- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt de door de man met ingang van 10 januari 2014 tot 12 september 2014 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige [thans jongmeerderjarige][thans jongmeerderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], op € 230,-- per maand, en met ingang van 12 september 2014 op € 187,-- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Vink, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Kalicharan als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2014.