Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13878

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
14-11-2014
Zaaknummer
UTL-I-2013023761 advies
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2015:1497
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De uitleveringskamer van de rechtbank Den Haag heeft de uitlevering van een Georgische man aan Georgië toelaatbaar verklaard. De opgeëiste persoon wordt in Georgië verdacht van wederrechtelijke vrijheidsberoving, foltering en moord. Zij adviseert de minister van Veiligheid en Justitie in zijn overwegingen omtrent de beslissing of de uitlevering ook daadwerkelijk kan worden toegestaan het navolgende te betrekken: de uitleveringsdetentie, het specialiteitsbeginsel, artikel 10 Uitleveringswet en de artikelen 3 en 6 EVRM. De verdediging heeft niet aannemelijk kunnen maken dat het uitleveringsverzoek om politieke redenen is gevraagd, maar de rechtbank vraagt niettemin de bijzondere aandacht van de minister voor deze kwestie omdat zij zorgen heeft over enkele problemen, alsmede omtrent de algemene instabiele politieke situatie in Georgië. De rechtbank adviseert de minister aan de verzoekende staat concrete garanties te vragen zodat de veiligheid van de opgeëiste persoon afdoende gewaarborgd is. Daarnaast dient verzekerd te worden dat de opgeëiste persoon toegang zal hebben tot volledige medische behandeling van zijn aandoening. De rechtbank acht het, gelet op het feit dat Nederland en Georgië geen langdurige of intensieve uitleveringsrelatie hebben en Georgië een relatief jonge verdragspartner is, verder aangewezen de minister te attenderen - naar zij aanneemt: ten overvloede - op hetgeen het EHRM in de zaak Othman (Abu Qatada) tegen het Verenigd Koninkrijk heeft overwogen over de aan garanties te stellen eisen en het aan gegeven garanties al dan niet te hechten vertrouwen. Voorts acht de rechtbank het gewenst dat de minister de Georgische autoriteiten op het belang van de onschuldpresumptie, onafhankelijke rechtspraak en jurisprudentie van het EHRM dienaangaande wijst maar begrijpt dat het niet doenlijk is op dit punt garanties te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2013023761

Raadkamernummer: UTL-14/2851

Advies d.d. 14 november 2014

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in uitleveringszaken, heeft bij de uitspraak van heden,

14 november 2014, de verzochte uitlevering aan Georgië van:

[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats],

en wonende te [adres],

thans gedetineerd in de [p.i.],

toelaatbaar verklaard. Een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak wordt u hierbij toegezonden.

De rechtbank heeft gelet op artikel 4, eerste lid van de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven juncto artikel 30, tweede lid van de Uitleveringswet.

Zij adviseert u in uw overwegingen omtrent de beslissing of de uitlevering ook daadwerkelijk kan worden toegestaan het navolgende te betrekken.

1 Uitleveringsdetentie.

De rechtbank geeft u in overweging bij de autoriteiten van Georgië te bedingen dat de tijd die de opgeëiste persoon in Nederland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht, zal worden afgetrokken in geval hij voor een of meer van de feiten waarop het verzoek betrekking heeft tot een tijdelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld.

2 Specialiteitsbeginsel.

De autoriteiten van Georgië hebben in het uitleveringsverzoek reeds aangegeven toepassing te zullen geven aan het in artikel 12 van de Uitleveringswet vervatte specialiteitsbeginsel en het beginsel van niet verderlevering.

3 Artikel 10 Uitleveringswet.

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat er sprake is van discriminatoire vervolging wegens zijn politieke overtuiging, omdat hij een hoge functie vervulde onder voormalig president Saakashvili. De opgeëiste persoon heeft in dit verband gewezen op rapporten van gezaghebbende NGO’s en op krantenberichten, waaruit valt op te maken dat veel leden van het oude regime strafrechtelijk worden vervolgd. Volgens de opgeëiste persoon zou in feite sprake zijn van politieke retributie.

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van het World Report 2014 van Human Rights Watch,1 het rapport van het United States State Department,2 de voorlopige tekst van de resolutie

“The functioning of democratic institutions in Georgia” van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa3 alsmede van het daarbij gevoegde Explanatory Memorandum van Jensen en Cilevičs.4 In al deze rapporten worden zorgen geuit over mogelijk politiek getinte vervolgingen van voormalige bewindslieden en hoge ambtsdragers. Daar staat tegenover dat burgers na de machtswisseling veelvuldig aangifte hebben gedaan van concrete strafbare feiten door voormalige bewindslieden en ambtsdragers en dat inmiddels in gang gezette processen kritisch worden gevolgd.5

In de monitoring rapporten van Transparency International valt te lezen dat er problemen zijn met onder andere de betrouwbaarheid van getuigen, ongerechtvaardigde uitlatingen van de verdediging over de onafhankelijkheid van rechters en aanklagers, uitlatingen van politici over de schuld van verdachten en het vertragen van processen door aanklagers en (eenmaal) door de verdediging. In verband met een incident met Ivane Merabishvili, premier onder voormalig president Saakashvili, waarbij hij onder druk zou zijn gezet, wordt er gewaarschuwd dat “the state has a very special obligation to pay attention to ensuring the objectivity of the investigation, without influence being exerted on the investigation by ongoing political processes”.6

Tegelijkertijd worden er echter geen significante schendingen van de rechten van de verdachten waargenomen. Over de zaak tegen David Akhalaia, een medeverdachte van de opgeëiste persoon, wordt geschreven “as a result of our monitoring we have not identified a significant

violation, which encroached on the competition. Consequently it is possible to say that in the trial it has been possible for both sides to equally present their arguments, evidence, implement procedural actions, and to present their own interests.”7Daarbij zijn enkele verdachten vrijgesproken.8

De verdediging heeft niet aannemelijk kunnen maken dat het uitleveringsverzoek om politieke redenen is gevraagd. Indien de rechtbank daarvan overtuigd was geraakt, had zij u moeten adviseren om de uitlevering op die grond niet toe te staan. Niettemin vraagt de rechtbank uw bijzondere aandacht voor deze kwestie omdat zij zorgen heeft over bovengenoemde problemen, alsmede omtrent de algemene instabiele politieke situatie in Georgië, zoals recent (wederom) tot uitdrukking is gekomen door het aftreden van twee ministers.9

4 Dreigende schending artikel 3 EVRM.

De ombudsman van Georgië constateert in zijn jaarrapport 2013 veranderingen ten goede in het penitentiaire systeem.10 Over de hele onderzoeksperiode werd niet een geval van foltering gemeld. Niettemin zijn wel gevallen van mishandeling (ill-treatment) gemeld. Effectief onderzoek naar beweerde gevallen van mishandeling van gedetineerden in huizen van bewaring en gevangenissen blijft volgens de ombudsman evenzeer een probleem.11

Wat betreft de geboden medische zorg in detentie acht de ombudsman het hoopvol dat die zorg verbeterd is, dat de budgetten voor medische zorg zijn verhoogd en dat er een preventie-, diagnose- en behandelprogramma voor [aandoening] patiënten is opgezet.12

De rechtbank vindt het verontrustend dat de ombudsman een aanklacht van ill-treatment van Ivane Merabishvili beschrijft betreffende een incident dat zich medio december 2013 zou hebben voorgedaan in gevangenis nr. 9 en dat hij vraagtekens plaatst bij de onpartijdigheid van het onderzoek naar dit incident.13 Gevangenis nr. 9 is de gevangenis waar de opgeëiste persoon volgens de verklaring van de Georgische autoriteiten d.d. 25 september 2014 geplaatst zou kunnen worden, aangezien dit gelet op zijn vroegere positie voor hem (de rechtbank neemt aan: gelijk voor Ivane Merabishvili) een veilige gevangenis zou zijn.

De rechtbank adviseert u daarom aan de verzoekende staat concrete garanties te vragen dat de veiligheid van de opgeëiste persoon, of hij nu in gevangenis nr. 9 of elders zal worden geplaatst, afdoende gewaarborgd is. Zij geeft u in overweging om regelmatige (zij het onaangekondigde) bezoeken aan de detentie-inrichting te doen brengen en het proces in de onderhavige zaak te doen waarnemen en de waarnemingsrapporten publiek toegankelijk te doen maken.

Daarnaast dient verzekerd te worden dat de opgeëiste persoon toegang zal hebben tot het volledige [aandoening] programma, nu de ombudsman opmerkt dat alleen veroordeelde personen toegang hebben tot het diagnose- en behandelprogramma maar personen die nog in voorlopige hechtenis zitten slechts van het preventieprogramma gebruik kunnen maken.14

De rechtbank acht het, gelet op het feit dat Nederland en Georgië geen langdurige of intensieve uitleveringsrelatie hebben en Georgië een relatief jonge verdragspartner is, verder aangewezen u te attenderen - naar zij aanneemt: ten overvloede - op hetgeen het EHRM in de zaak Othman (Abu Qatada) tegen het Verenigd Koninkrijk heeft overwogen over de aan garanties te stellen eisen en het aan gegeven garanties al dan niet te hechten vertrouwen.15

5 Dreigende schending artikel 6 EVRM.

De rechtbank neemt met bezorgdheid kennis van berichten dat politici en ambtsdragers zich bij herhaling en ondanks eerdere waarschuwingen schuldig maken aan uitlatingen die neerkomen op een schending van de onschuldpresumptie en van het beginsel van onafhankelijke rechtspraak, zoals tevens neergelegd in het Georgische Wetboek van Strafrecht.16 Indien dat ook in de zaak van deze opgeëiste persoon zou gebeuren, dreigt een schending van diens recht op een eerlijk proces.

De rechtbank acht het gewenst dat u de Georgische autoriteiten op het belang van de onschuldpresumptie, onafhankelijke rechtspraak en jurisprudentie van het EHRM dienaangaande wijst maar begrijpt dat het niet doenlijk is op dit punt garanties te vragen.

Dit advies is gegeven op 14 november 2014 door mrs. M.T. Renckens, voorzitter, E.J. van As en

M.M. Meessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeeland, griffier.

1 Human Rights Watch, ‘World Report 2014’, p. 455-456.

2 United States Department of State, ‘2013 Country Reports on Human Rights Practices – Georgia’, p. 15.

3 Parliamentary Assembly of the Council of Europe, Resolution 2015 (2014): ‘The functioning of democratic institutions in Georgia’ (provisional version), 1 oktober 2014.

4 Michael Aastrup Jensen and Boriss Cilevičs, Explanatory Memorandum, paras. 90-105.

5 Brief ministerie van Veiligheid en Justitie d.d. 16 juli 2014, waarin opgenomen het advies van de minister van Buitenlandse Zaken, alsmede het rapport Thomas Hammarberg, ‘Georgia in transition’, september 2013.

6 Transparency International Georgia, ‘The Second Trial Monitoring Report of High-Profile Criminal Cases: Monitoring Period: July 2013- April 2014’, p. 17.

7 Transparency International Georgia, ‘The Second Trial Monitoring Report of High-Profile Criminal Cases: Monitoring Period: July 2013- April 2014’, p. 21.

8 Transparency International Georgia, ‘The Second Trial Monitoring Report of High-Profile Criminal Cases: Monitoring Period: July 2013- April 2014’, pp. 44, 53.

9 NRC Handelsblad, ‘Pro-Europese ministers van Defensie en Buitenlandse zaken treden af’, 5 november 2014.

10 The Public Defender of Georgia, ‘Annual Report: The Situation of Human Rights and Freedoms in Georgia 2013’.

11 Idem, o.a. pp. 11, 12 en 17.

12 Idem, [paginanummer].

13 Idem, p.109 e.v.

14 Idem, [paginanummer].

15 EHRM, 17 januari 2012, nr. 8139/09, paras. 185-189; Johannes Silvis, ‘Extradition and Human Rights: Diplomatic Assurances and Human Rights in the Extradition Context’, 20 mei 2014.

16 The Public Defender of Georgia, ‘Annual Report: The Situation of Human Rights and Freedoms in Georgia 2013’, p. 144 e.v.; The Public Defender of Georgia, ‘Annual Report: The Situation of Human Rights and Freedoms in Georgia 2012’, p. 247.