Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13812

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
14_5420 WSFBSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aannemelijk gemaakt, maar niet aangetoond, dat het centrum van het maatschappelijk leven van eiseres zich niet bevond op het adres waarop zij in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) sotnd ingeschreven. De studiefinanciering naar de norm van een uitwonende is terecht omgezet in studiefinanciering naar de norm van een thuiswonende. De opgelegde boete is vernietigd.

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering 1.5, geldigheid: 2014-11-07
Wet op de studiefinanciering 1.1, geldigheid: 2014-11-07
Wet op de studiefinanciering 7.1, geldigheid: 2014-11-07
Wet op de studiefinanciering 9.9, geldigheid: 2014-11-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/5420

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2014 in de zaak tussen

[eiseres] wonende te[X], eiseres

(gemachtigde mr. P.C. Kaiser)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder 3 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 5 juni 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2014.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar moeder. Namens verweerder is verschenen [A].

Overwegingen

1. Eiseres stond sinds 4 april 2012 in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA, vanaf 2014: basisregistratie persoonsgegevens) ingeschreven op het adres[B] te [X] (het GBA-adres). Op het GBA-adres staan tevens de halfbroer van haar moeder (de hoofdbewoner), zijn echtgenote en hun twee kinderen ingeschreven. Aan eiseres is met ingang van 1 april 2012 studiefinanciering toegekend naar de norm van uitwonende studerende.

2. Op 29 januari 2014 heeft namens verweerder een huisbezoek op het GBA-adres van eiseres plaatsgevonden. De conclusie van het rapport dat naar aanleiding van het huisbezoek is opgesteld luidt dat het door eiseres opgegeven uitwonende adres [B] te [X] niet in overeenstemming is met het feitelijke woon- en verblijfadres van eiseres.

3. Verweerder heeft bij besluit van 21 februari 2014 de aan eiseres toegekende studiefinanciering naar de norm van een uitwonende studerende met ingang van
1 april 2012 omgezet in studiefinanciering naar de norm van een thuiswonende studerende. Bij besluit van 10 juni 2014 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 1.904,85.

4. In geschil is of verweerder terecht per 1 april 2012 de studiefinanciering van eiseres heeft aangepast naar de norm van een thuiswonende studerende, omdat eiseres niet woont op het GBA-adres. Het geschil spitst zich toe op de vraag waar het centrum van het maatschappelijk leven van eiseres zich bevond.

5. Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres niet woonachtig was op het GBA-adres. Eiseres voldoet daarmee niet aan het bepaalde in artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf). Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

Verweerder heeft zijn beslissing gebaseerd op de in een rapport van een huisbezoek op 29 januari 2014 neergelegde bevindingen, op 30 januari 2014 opgemaakt door [D] en [E], als controleurs namens de Dienst Uitvoering Onderwijs werkzaam bij[C]. Als conclusie is in dit rapport opgenomen dat het door eiseres opgegeven uitwonende adres [B] te [X] niet in overeenstemming is met het feitelijke woon- en verblijfadres omdat:

- er op het adres geen dagelijkse kleding van eiseres is aangetroffen;

- op het adres geen post van eiseres is aangetroffen die niet van overheidsinstanties afkomstig is;

- op het adres geen studiematerialen van eiseres zijn aangetroffen;

- op het adres geen aantoonbare slaapplaats van eiseres is aangetroffen.

6. Eiseres heeft aangevoerd dat al haar studiemateriaal digitaal is of zich in een kluisje op school bevindt. Voorts heeft eiseres gesteld dat zij regelmatig in haar ouderlijk huis verbleef om haar moeder te helpen bij de verzorging van de jongere kinderen van het gezin en dat zij in het ouderlijk huis haar kleding waste, zoals studenten wel vaker doen. In het ouderlijk huis kon zij echter niet beschikken over een eigen kamer en was er onvoldoende rust om te kunnen studeren. Op het GBA-adres beschikte eiseres over een eigen kamer, waar verder niemand kwam en waarin eiseres kon slapen. Eiseres behoefde geen huur te betalen, maar verrichtte wel diensten voor haar oom en tante. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de beslissing op bezwaar en toekenning van een uitwonende beurs.

Voor de volledige weergave van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan, verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

7. In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf is, voor zover van belang, bepaald dat onder thuiswonende studerende wordt verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5, van de Wsf.

8. Artikel 1.5, eerste lid van de Wsf, bepaalt dat voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking komt de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.

9. Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

10. In het eerste lid van artikel 9.9 van de Wsf is bepaald dat indien een studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen, maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf, de Minister hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste vijftig procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

11. Artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf, bepaalt dat de herziening plaatsvindt met ingang van de dag waarop de studerende zijn laatste adreswijziging heeft doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

12. Voor herziening van studiefinanciering is voldoende dat verweerder aannemelijk maakt dat betrokkene niet voldoet aan de onder artikel 1.5, eerste lid van de Wsf gestelde voorwaarden. Op grond van de bevindingen ten tijde van het huisbezoek van 29 januari 2014, bezien in samenhang met hetgeen eiseres heeft verklaard over haar dagelijks leven, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerders standpunt, dat ten tijde van het huisbezoek het centrum van het maatschappelijk leven van eiseres zich niet bevond op het GBA-adres, voldoende aannemelijk is. De rechtbank acht wel aannemelijk dat eiseres de haar ter beschikking staande kamer op het GBA-adres heeft gebruikt voor studie, op dezelfde voet als zij ten tijde van de zitting op school of in de bibliotheek studeerde. Voorts duidt het feit dat slaapkleding van eiseres is aangetroffen op het GBA-adres erop dat zij in voorkomende gevallen ook op het GBA-adres heeft geslapen. Daar staat tegenover dat eiseres, ook volgens haar eigen verklaring, vrijwel dagelijks haar ouderlijk huis bezocht, soms twee maal per dag, voor en na haar schooltijd, daar hielp in de huishouding en bij de verzorging van haar jongere broers en zussen en, naar de rechtbank aanneemt, ook regelmatig de maaltijd gebruikte, waar de oom, hoofdbewoner van het GBA-adres, heeft verklaard dat eiseres alleen in de weekeinden met hem en zijn gezin at. Eiseres heeft geen informatie gegeven over overige (sociale) activiteiten zoals bijvoorbeeld het ontvangen van bezoek, het lezen van andere dan studieboeken, het kijken naar televisieprogramma’s of films, maar op het GBA-adres is niets aangetroffen, op grond waarvan kan worden aangenomen dat eiseres daar nog andere activiteiten ontplooide dan studeren en slapen.

13. Gelet op het bovenstaande dient het beroep voor zover het is gericht tegen de herziening ongegrond te worden verklaard.

14. Ten aanzien van de aan eiseres opgelegde boete overweegt de rechtbank het volgende. Het opleggen van een bestuurlijke boete is een voor de belanghebbende belastend besluit. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 7 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1819, en 9 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4627, is het dan aan het bestuursorgaan om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat betrokkene niet heeft voldaan aan de in artikel 1.5 van de Wsf neergelegde voorwaarden voor toekenning van een uitwonendenbeurs rust daarom op verweerder. Bij een boeteoplegging houdt dit concreet in dat verweerder moet aantonen dat betrokkene niet woont op zijn GBA-adres. Niet voldoende is dat slechts aannemelijk is gemaakt dat betrokkene niet op zijn GBA-adres woonde. Weliswaar is in artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf de hoogte van de (maximaal) op te leggen boete gekoppeld aan (het bedrag van) de herziening, waarvoor een minder zware bewijslast geldt, maar deze bepaling doet geen afbreuk aan de bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde.

15. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er niet in geslaagd zonder enige twijfel aan te tonen dat eiseres niet op het betreffende GBA-adres woonachtig was. De rechtbank acht de opmerkingen van de controleurs zonder nader onderzoek te summier om enkel op basis daarvan, gegeven de betwisting ervan door eiseres en het gebrek aan informatie over het dagelijks leven van eiseres buiten haar studie, aangetoond te achten dat eiseres niet op het GBA-adres woonachtig was. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder geen boete aan eiseres mocht opleggen wegens overtreding van artikel 1.5 van de Wsf.

16. Gelet op het bovenstaande dient het beroep voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de herzieningsbeschikking ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen de boetebeschikking gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boete;

- vernietigt de boete;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974, te betalen aan eiseres:

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2014.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.