Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13743

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2014
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 10326
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit tot boventalligverklaring. Het ontbreken van een artikel 25 WOR-besluit ontzegd aan verweerder niet de bevoegdheid om op grond van artikel 10D:11 van de CAR/UWO een rechtspositioneel besluit te nemen ten aanzien van een individuele ambtenaar.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden 25, geldigheid: 2014-11-13
Wet op de ondernemingsraden 25, geldigheid: 2014-11-13
Wet op de ondernemingsraden 25, geldigheid: 2014-11-13
Wet op de ondernemingsraden 25, geldigheid: 2014-11-13
CAR/UWO 10d:11, geldigheid: 2014-11-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/10326 AW

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2014 in de zaak tussen

[eiser], [X], eiser

(gemachtigde: mr. I.O.D.V. Wetzels),

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. J.H.M. Wesseling).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2013, verzonden op 22 april 2013 (primair besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 22 april 2013 boventallig verklaard omdat de functie van strategisch beleidsadviseur bij Erfgoed Delft door een bezuiniging die bij Erfgoed Delft moet worden gerealiseerd is komen te vervallen.

Eiser heeft bij brief van 24 mei 2013 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 6 november 2013, verzonden op 14 november 2013 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 19 december 2013, aangevuld bij brief van 20 februari 2014, beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2014.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G.E.A. Frederix-Gianotten, kantoorgenoot van de gemachtigde van verweerder. Van de zijde van verweerder is voorts verschenen [Y], specialist Advies en Expertise HRM.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser is sinds 1 september 1993 werkzaam bij de gemeente Delft; ten tijde van

het bestreden besluit in de functie van strategisch beleidsadviseur bij de afdeling stafbureau van Erfgoed Delft.

1.2

In 2010 is de gemeente Delft geconfronteerd met de noodzaak van

ingrijpende bezuinigingen. In het daarop volgende veranderproces is het Coalitieakkoord 2010-2014, met daarin vervat bezuinigingen ter hoogte van 30 miljoen euro, en het Plan van aanpak “Koers voor Delft”, inhoudende een transformatie van de gemeentelijke organisatie naar een regie-organisatie tot stand gekomen. Bij notitie van de toenmalig directeur van Erfgoed Delft van 12 januari 2012 is de manier waarop het structurele begrotingstekort van Erfgoed Delft zou kunnen worden aangepakt uiteengezet. Voorgesteld is om vijf functies bij Erfgoed Delft, waaronder de functie van eiser, op te heffen. Over deze functie is opgemerkt: “Voor de staffunctionaris geldt, dat de taken herverdeeld kunnen worden binnen het MT en dat de werkzaamheden daarmee zijn komen te vervallen”.

1.3

Eiser is op 20 september 2011 mondeling medegedeeld dat hij niet langer wordt belast met management-, project- en beleidstaken, omdat er geen plaats meer voor hem was binnen de nieuwe structuur van Erfgoed Delft. Medio 2012 is eiser voor 16 uur per week als curator extern werkzaamheden gaan verrichten. Voor de overige uren van zijn dienstverband was eiser actief als lid van de Ondernemingsraad (OR).

1.4

Bij memo van 27 september 2012 is de Herplaatsingscommissie (HPC)

verzocht om advies uit te brengen over de herplaatsing c.q. het ontslag van - onder meer - eiser.

Bij brief van de HPC van 12 november 2013 is eiser medegedeeld dat het

advies over het aan hem te verlenen ontslag zou worden aangehouden tot het moment dat de OR advies uitbrengt aan verweerder inzake de bezuinigingen bij Erfgoed Delft.

Bij brief van 20 december 2012 heeft de OR positief geadviseerd op de adviesaanvraag “Bezuinigingen Erfgoed Delft 2012”, waarin begrepen was de opheffing van de functie van strategisch beleidsadviseur.

Eiser is op 28 januari 2013 gehoord door de HPC.

De HPC heeft eiser bij brief van 11 februari 2013 medegedeeld verweerder positief te zullen adviseren betreffende het verlenen van ontslag aan eiser.

1.5

Bij brief van 13 februari 2013 heeft verweerder eiser het voornemen kenbaar gemaakt om hem, met ingang van een nader te bepalen datum in augustus 2014 eervol ontslag te verlenen uit de functie van strategisch beleidsadviseur.

Eiser heeft bij brief van 22 februari 2013 zijn zienswijze kenbaar gemaakt en heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn zienswijze op 27 maart 2013 mondeling toe te lichten.

1.6

Bij besluit van 16 april 2013, verzonden op 22 april 2013, heeft verweerder eiser te kennen gegeven het voornemen tot ontslag niet uit te voeren. Eiser wordt met ingang van

22 april 2013 boventallig verklaard omdat de functie van strategisch beleidsadviseur bij de afdeling Erfgoed Delft door een bezuiniging die bij die afdeling moet worden gerealiseerd is komen te vervallen. Daarbij is medegedeeld dat eiser recht heeft op een van werk naar werk-traject dat maximaal twee jaar duurt en start op de datum van zijn boventallig verklaring.

Eiser heeft bij brief van 24 mei 2013 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Eiser is op 27 augustus 2013 gehoord in het kader van zijn bezwaar door de Adviescommissie voor bezwaarschriften, Kamer IV (de Adviescommissie).

De Adviescommissie heeft op 25 oktober 2013 advies uitgebracht aan verweerder, inhoudende gegrondverklaring van het bezwaar van eiser, intrekking van het besluit van

16 april 2013 en het nemen van een nieuw primair besluit met inachtneming van hetgeen in dit advies wordt overwogen.

2 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit primair op het standpunt dat een besluit als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) geen dwingende voorwaarde is voor het (kunnen) nemen van een rechtspositionele beslissing jegens een individuele ambtenaar.

Verder stelt verweerder dat een besluit tot opheffing van de functie geen dwingende voorwaarde is voor het kunnen nemen van een besluit als het onderhavige dat is gegrond op een dergelijke opheffing. Verweerder wijst op vaste jurisprudentie van de CRvB
(21 februari 2013, LJN BZ2586). Vast staat volgens verweerder dat eiser sinds eind 2011 geen management-, project- en beleidstaken meer uitvoert, dat eiser sedert medio 2012 voor 16 uur per week extern werkzaamheden is gaan verrichten en voor de overige uren als OR-lid actief is gebleven. Eiser heeft zelf te kennen gegeven dat bedoelde taken zijn gecontinueerd door anderen, bijvoorbeeld door de programmeur bij Samenleving. Op
22 april 2013 bestond het samenstel van werkzaamheden van de onderhavige functie bij Erfgoed Delft feitelijk gedurende langere tijd al niet meer, zodat eiser op goede gronden boventallig is verklaard, aldus verweerder.

3 Eiser heeft allereerst een viertal formele punten aangevoerd.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder prematuur heeft gehandeld door taken en werkzaamheden bij hem weg te halen, terwijl de notitie Korte Termijn Visie Erfgoed Delft en de OR-adviesaanvraag nog niet waren geschreven respectievelijk gedaan. De OR heeft pas op 6 december 2013 positief geadviseerd ter zake van het voornemen van verweerder om een vijftal functies te laten vervallen wegens bezuinigingen, derhalve 15 maanden nadat hem zijn taken en werkzaamheden waren ontnomen.

Verder stelt eiser dat de OR in zijn advies ter zake de overgang van de taken van strategisch adviseur naar het cluster Samenleving heeft opgemerkt dat het principe ‘Mens volgt taak’ van toepassing is en dat verweerder dit naast zich neer heeft gelegd. Nu een vereiste van het positieve advies van de OR niet wordt uitgevoerd, heeft verweerder het positieve advies van de OR niet aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.

Ten derde stelt eiser dat zich op het standpunt dat een besluit als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de WOR een dwingende voorwaarde is voor het (kunnen) nemen van een rechtspositioneel besluit jegens een individuele ambtenaar. Verweerder had haar voorgenomen besluit in een definitief besluit moeten omzetten en de OR zo spoedig mogelijk moeten informeren. Nu geen formeel reorganisatiebesluit voorhanden is, ontbeert de boventallig verklaring van eiser een juridische grondslag.

Tot slot stelt eiser dat de OR zijn positieve advies, met kritische kanttekeningen, heeft gebaseerd op – onder meer – het bedrijfsplan. Nu dit bedrijfsplan nadien, zonder enige beperking of voorbehoud, is ingetrokken, is het positieve advies van de OR volgens eiser komen te vervallen en moet de gehele procedure opnieuw worden gevolgd, beginnend bij een nieuw bedrijfsplan.

Verder heeft eiser nog een aantal materiële gronden aangevoerd.

Eiser betwist dat zijn taken en werkzaamheden zijn vervallen; zij zijn voortgezet door extern ingehuurde krachten en meerdere medewerkers op andere afdelingen (internationaal beleid, economie). De werkzaamheden bestaan nog binnen de gemeente Delft.

Tot slot stelt hij dat zijn leidinggevende hem bewust heeft weggewerkt en maakt hij bezwaar tegen de onverschillige manier waarop met hem wordt omgegaan na een trouw dienstverband van ongeveer 20 jaar.

4 Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WOR wordt de ondernemingsraad door de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit inzage de onderwerpen genoemd onder a tot en met n.

Artikel 25, vijfde lid, van de WOR bepaalt, dat indien na het advies van de ondernemingsraad een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt genomen, de ondernemingsraad door de ondernemer zo spoedig mogelijke van het besluit in kennis wordt gesteld. Indien het advies van de ondernemingsraad niet of niet geheel is gevolgd, wordt aan de ondernemingsraad tevens meegedeeld waarom van dat advies wordt afgeweken (…).

Ingevolge artikel 25, zesde lid, van de WOR is de ondernemer verplicht de uitvoering van zijn besluit op te schorten tot een maand na de dag waarop de ondernemingsraad van het besluit in kennis is gesteld, tenzij het besluit van de ondernemer overeenstemt met het advies van de ondernemingsraad. De verplichting vervalt wanneer de ondernemingsraad zulks te kennen geeft.

5 De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank staat allereerst voor de vraag of het ontbreken van een besluit als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WOR, na het positief advies van de ondernemingsraad van

20 december 2012, in de weg staat aan het nemen van het onderhavige besluit tot boventalligverklaring van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van het artikel 25 WOR-besluit aan verweerder niet de bevoegdheid ontzegt om op grond van artikel 10d:11 van de CAR/UWO een rechtspositioneel besluit te nemen ten aanzien van een individuele ambtenaar. Uit de tekst van artikel 25, vijfde lid van de WOR, gelezen in samenhang met het zesde lid, maakt de rechtbank op dat dit voorschrift is gegeven in het belang van het functioneren van de ondernemingsraad als orgaan in een onderneming, en niet ter bescherming van individuele werknemersbelangen. De rechtbank volgt verweerder dan ook in haar oordeel dat deze grond van eiser niet kan slagen in verband met het relativiteitsvereiste.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het samenstel van taken en werkzaamheden van eiser niet meer aanwezig waren ten tijde van het primaire besluit, zodat eisers betrekking toen als (feitelijk) opgeheven mocht worden beschouwd en de bevoegdheid tot zodanig ontslag in beginsel aanwezig was. Eiser is ook zelf vanaf medio 2012 extern werkzaamheden gaan verrichten en voor de overige uren gaan deelnemen in de ondernemingsraad. De rechtbank stelt vast dat eiser tegen de handelingen van verweerder waarbij hij van zijn taken is ontheven geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Aldus moet worden vastgesteld dat de taken en werkzaamheden van eiser als strategisch beleidsadviseur gaandeweg zijn weggelekt en vervallen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer ECLI:NL:CRVB:1987:AM9383) is ook sprake van het vervallen van een functie indien de taken binnen de organisatie blijven, maar over meerdere personen zijn verdeeld. Het argument van eiser dat zijn taken en werkzaamheden bij meerdere medewerkers op andere afdelingen zijn belegd slaagt derhalve niet.

Dit oordeel brengt mee dat er van toepassing van het principe mens volgt werk geen sprake kan zijn, omdat binnen de gemeentelijke organisatie geen samenstel van werkzaamheden valt aan te wijzen dat overeenkomt met de voormalige functie van eiser. Om diezelfde reden kan bezwaarlijk worden gesproken van prematuur handelen van verweerder.

Reeds omdat de OR zijn positief advies niet heeft ingetrokken na intrekking van het bedrijfsplan kan niet met recht worden gesteld dat dit advies geen rechtskracht of gelding meer heeft. Verweerder heeft zich op goede gronden beroepen op genoemd advies. Er is geen grond voor het oordeel dat bij intrekking van het bedrijfsplan de hele reorganisatieprocedure weer opnieuw gevolgd moet worden, beginnend met een nieuw bedrijfsplan.

Tot slot overweegt de rechtbank overeenkomstig vaste jurisprudentie van de CRvB (onder meer ECLI:NL:CRVB:2005:AT5547) dat het een bestuursorgaan in beginsel vrij staat om zelf de inrichting van zijn organisatie te bepalen. In het verlengde daarvan moet aan dit orgaan ook een ruime mate van vrijheid worden gelaten bij het splitsen of samenvoegen van bedrijfsonderdelen tot eenheden die als zelfstandig geheel in een reorganisatie worden betrokken. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat verweerder de grenzen van zijn zojuist bedoelde vrijheid heeft overschreden door het reorganisatieplan vast te stellen zoals hiervoor omschreven. Dit onderdeel van het besluit kan de terughoudende toets van de bestuursrechter doorstaan.

Eisers stelling dat verkeerde keuzes zijn gemaakt door een slechte manager die op die manier een goede ambtenaar opzij zet, wat daar verder ook van zij, kan hem dan ook niet baten.

6 Nu eisers grieven niet kunnen slagen is het beroep ongegrond.

7 Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Lagas, voorzitter, en mrs. M.T. Paulides en F. Arichi, rechters, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.