Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13727

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
AMS 13/30849 en AMS 13/31008
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2100, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om internationale bescherming

Eiser, die is veroordeeld door het Speciale Hof voor Sierra Leone (het Hof), heeft bij zijn overdracht aan de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk op Rotterdam Airport, aangegeven dat hij een asielaanvraag wil indienen. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek kan worden aangemerkt als een verzoek om bescherming zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder g, van de Definitierichtlijn. De vraag die vervolgens voorligt, is of het aan verweerder was om het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen of dat dit gezien de regelgeving aan het Hof was. Nu het Hof is opgericht door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en het een internationale organisatie betreft die is gebaseerd op de bescherming van fundamentele mensenrechten, kan de Nederlandse overheid er in beginsel vanuit gaan dat het Hof een aan het EVRM equivalente mensenrechtenbescherming biedt. De presumptie van equivalente mensenrechtenbescherming kan echter worden weerlegd. Nederland was dan ook, zelfs indien zou worden aangenomen dat Nederland op grond van de regelgeving met betrekking tot het Hof alle rechtsmacht met betrekking tot eiser aan het Hof zou hebben overgedragen, dus inclusief de beoordeling van het 3 EVRM-risico bij overdracht van eiser aan enig ander land, nog immer gehouden eisers verzoek om internationale bescherming te onderzoeken. Nederland, in dit geval verweerder, had eiser dan ook in de gelegenheid moeten stellen zijn verzoek nader te motiveren en te onderbouwen en daarover een beslissing dienen te nemen, voordat medewerking werd verleend aan de overdracht van eiser aan de autoriteiten van het VK. In het kader van de finaliteit inhoudelijk toetsend, is de rechtbank van oordeel dat eiser met zijn betoog niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Hof duidelijk tekort is geschoten in de bescherming van eisers mensenrechten en dus ook niet dat artikel 3 aan zijn overdracht aan het VK in de weg stond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

zaaknummers: AWB 13/30849, AWB 13/31008

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 november 2014 in de zaken tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum], van Liberiaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. N.C. Blomjous),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. M.M. van Asperen).

Procesverloop

Eiser heeft op 15 oktober 2013 bezwaar gemaakt tegen ‘iedere handeling die er niet op is gericht betrokkene op te nemen in de asielprocedure’.

Bij besluit van 8 november 2013 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (AWB 13/30849).

Namens eiser is op 15 oktober 2013 eveneens een tweetal formulieren ten behoeve van het doen van een asielaanvraag aan verweerder gestuurd.

Bij brief van 8 november 2013 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat het niet mogelijk is een asielaanvraag in te dienen, omdat eiser zich tot aan zijn overdracht aan het Verenigd Koninkrijk in de rechtsmacht van het Speciale Hof voor Sierra Leone (het Hof) bevond. Verdere inhoudelijke behandeling van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel blijft daarom achterwege. Eiser heeft daartegen ook beroep ingesteld (AWB 13/31008).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft een aanvang genomen op 9 mei 2014. Bij beslissing van 20 juni 2014 heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek wordt heropend en dat de behandeling zal worden voortgezet door de meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 23 oktober 2014. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

Ten aanzien van beide beroepen

Feiten en omstandigheden

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende - niet in geschil zijnde - feiten en omstandigheden.

1.2

Het Hof heeft bij vonnis van 26 september 2013 in beroep de veroordeling van eiser tot een gevangenisstraf van 50 jaar bevestigd. Door of namens eiser is in verband met de vaststelling in welk land hij zijn straf moet uitzitten op 26 september 2013 een brief ingediend bij de President van het Hof. Op 4 oktober 2013 heeft de President van het Hof door middel van een sentencing order bepaald dat eiser zijn straf in het Verenigd Koninkrijk (VK) moet uitzitten. Blijkens de sentencing order heeft de President de brief van eiser bij zijn beoordeling betrokken. De sentencing order vermeldt onder meer:

"CONSIDERING the confidential internal memorandum of 3 October 2013, submitted to me by the Registrar within the terms of paragraph four of the Practice Direction and listing the States in which [naam] may serve his sentence, and the Annexes A to M thereto, including the letter of 26 September 2013 from Mr. Morris Anyah, Lead Appeals Counsel for [naam], and information provided by the relevant authorities of the United Kingdom;

[..]

HAVING CONSIDERED all of the factors enumerated in the Statute, Rules and Practice Direction, including the family situation of[naam], and the conditions of imprisonment in the States concerned, including measures to ensure[naam]'s physical safety, the availability of vocational and educational programs, the availability of religious accommodations and the availability of medical services;

FOR THE FOREGOING REASONS

DECIDES that [naam] shall serve his sentence in the United Kingdom;

[…]

ORDERS that [naam] remains in the custody of the Special Court, pending his transfer to the appropriate authorities of the United Kingdom;"

1.3

Op 15 oktober 2013 is eiser vervoerd van de detentiefaciliteit van het Hof naar Rotterdam Airport, teneinde aan de autoriteiten van het VK te worden overgedragen en vervolgens per vliegtuig naar het VK te worden overgebracht. De Dienst Vervoer en Ondersteuning (DVO) van de Dienst Justitiële Inrichtingen heeft dit transport naar Rotterdam Airport feitelijk uitgevoerd. De gemachtigde van eiser was van de datum van deze overdracht niet op de hoogte.

Tussen partijen is niet in geschil dat er bij de overdracht van eiser aan de autoriteiten van het VK op Rotterdam Airport Nederlandse ambtenaren aanwezig waren, alsmede vertegenwoordigers van de autoriteiten van het VK en vertegenwoordigers van het Hof. Van de gang van zaken na aankomst op Rotterdam Airport hebben de Nederlandse ambtenaren geen proces-verbaal opgemaakt. Wel bevindt zich in het dossier een tweetal op schrift gestelde verklaringen van eiser zelf, gedateerd 7 maart 2014 en 25 april 2014. Eiser vermeldt in zijn verklaring van 7 maart 2014 over de gebeurtenissen op Rotterdam Airport onder meer:

“I was held by two Dutch police officers, one on my left and the other to my right. While standing and still being held by them, as everyone else looked on, I then specifically asked the following question: "Who amongst you all represent the Dutch Government? A gentleman stepped forward and said: "I do". I then said: I declare my asylum request here and now.” I further said: “I have obtained a Dutch lawyer to represent me; here is the legal agreement along with his name and telephone number.” Painfully and without care, the official said: “I cannot accept the document and get involved here, as this is a Sierra Leonean Court issue” (or words to that effect).”

1.4

Eiser is op 15 oktober 2013 om ongeveer 12 uur in het VK gearriveerd. Op diezelfde dag om 13.37 uur ontving verweerder zowel per fax als per email van de gemachtigde van eiser het door eiser ondertekende formulier voor een asielaanvraag met het verzoek deze in behandeling te nemen en alle uitzettingshandelingen te staken. Om 14.14 uur ontving verweerder een fax van de gemachtigde van eiser met een bezwaarschrift tegen “iedere handeling die er niet op is gericht betrokkene op te nemen in een asielprocedure”.

Wettelijk kader

2.1

Op grond van artikel 1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) verzekeren de Verdragsluitende Partijen een ieder die ressorteert onder hun rechtsmacht de rechten en vrijheden die zijn vastgesteld in de Eerste Titel van het EVRM.

2.2

Op grond van artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.3

In artikel 13 van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale rechter.

2.4

Op grond van artikel 2, aanhef en onder g, van Richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn) wordt onder verzoek om internationale bescherming verstaan: een verzoek van een onderdaan van een derde land of staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus wenst en uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder deze richtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden gevraagd.

2.5

In Resolutie 1688 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 16 juni 2006, S/RES/1688 (2006), die ziet op de berechting van eiser door het Hof, (de Resolutie), is in paragraaf 7. – voor zover van belang – het volgende bepaald:

“The Security Council […] decides that the Special Court shall retain exclusive jurisdiction over former [naam] during his transfer to and presence in the Netherlands in respect of matters within the Statute of the Special Court, and that the Netherlands shall not exercise its jursisdiction over former [naam] except by express agreement with the Special Court.”

2.6

In artikel 7, tweede lid, van het Zetelverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Speciale Hof voor Sierra Leone van 19 juni 2006 (het Zetelverdrag) is het volgende bepaald:
“Where the accused will be released from the custody of the Special Court for any reason, the Special Court shall, as soon as possible, make such arrangements as it considers appropriate for his transfer, taking into account his views, to a State which is obliged to receive him, to another State which agrees to receive him, or to a State which has requested his extradition with the consent of the original surrendering State. In this case, the Kingdom of the Netherlands shall facilitate the transfer in accordance with this Agreement and the related arrangements.”

2.7

Artikel 2 van de Wet Speciaal Hof voor Sierra Leone luidt als volgt:
1.Doorvoer van de verdachte en van andere personen die door het Speciaal Hof voor Sierra Leone naar Nederland zijn overgebracht of op verzoek van het Speciaal Hof voor Sierra Leone naar Nederland zijn overgebracht of gekomen, geschiedt in opdracht van het Speciaal Hof voor Sierra Leone door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren.
2.Doorvoer van de verdachte en van andere personen die door het Speciaal Hof voor Sierra Leone naar Sierra Leone worden overgebracht of door het Speciaal Hof voor Sierra Leone vanuit Nederland aan de autoriteiten van een vreemde staat worden overgedragen, geschiedt in opdracht van het Speciaal Hof voor Sierra Leone door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren.
3.Het transport in Nederland buiten de onder het gezag van het Speciaal Hof voor Sierra Leone staande ruimten van de verdachte of van andere personen aan wie op last van het Speciaal Hof voor Sierra Leone hun vrijheid is ontnomen, geschiedt in opdracht van het Speciaal Hof voor Sierra Leone door en onder de bewaking van door Onze Minister aangewezen Nederlandse ambtenaren.
4.De in dit artikel bedoelde ambtenaren zijn bevoegd alle dienstige maatregelen te nemen ter beveiliging van de betrokken personen en ter voorkoming van hun ontvluchting.

2.8

In Artikel 22, tweede lid, van het Statute of the Special Court for Sierra Leone is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“Conditions of imprisonment, whether in Sierra Leone or in a third State, shall be governed by the law of the State of enforcement subject tot the supervision of the Special Court”.


Procesbelang

3.1

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiser zich gedurende zijn gehele verblijf in Nederland, dus ook op Rotterdam Airport voorafgaand aan de overdracht aan de autoriteiten van het VK, in de exclusieve rechtsmacht van het Hof bevond en dat er daarom geen enkele betrokkenheid is geweest van verweerder als verantwoordelijke voor de uitvoering van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Thans bevindt eiser zich in het VK en nog altijd niet in de rechtsmacht van Nederland. Dat zal binnen afzienbare tijd ook niet het geval zijn. Eiser kan volgens verweerder met de onderhavige beroepen daarom niet bereiken wat hij wenst, zodat eiser bij de beoordeling daarvan geen belang heeft.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat gezien de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ten aanzien van de overdracht van rechtsmacht, niet op voorhand kan worden uitgesloten dat verweerder enige verantwoordelijkheid had ten aanzien van de door eiser geuite wens tot bescherming voorafgaand aan de overdracht aan het VK. Van een situatie waarin geheel buiten twijfel is dat eiser geen procesbelang heeft is dan ook geen sprake. Gelet hierop neemt de rechtbank procesbelang aan.

Ten aanzien van het beroep met nummer AWB 13/30849

4.1

Verweerder stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat eiser op geen enkel moment in de macht en onder het gezag van de Nederlandse overheid is geweest. De tenuitvoerlegging van de op 26 september 2013 door het Hof opgelegde straf ging onmiddellijk in en eiser bleef ook op Rotterdam Airport tot het moment van overdracht aan de autoriteiten van het VK ‘in the custody’ van het Hof. De bij de overdracht aanwezige Nederlandse ambtenaren waren daar in opdracht van het Hof en waren niet bevoegd om verzoeken van eiser op te nemen of in ontvangst te nemen, dan wel beslissingen te nemen, anders dan ter beveiliging en bewaking van betrokken personen tijdens het vervoer. Eiser kende de aanwezige ambtenaren van DVO ook, omdat deze hem ook gedurende het proces voor het Hof regelmatig hadden vervoerd. Hij wist dus dat zij in opdracht van het Hof werkten. Dat betekent dat eiser niet ten overstaan van Nederlandse autoriteiten kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming van hen wenste en dat van een asielverzoek geen sprake is geweest.

4.2

Eiser voert aan dat het Nederlandse recht en de Vw 2000 wel op hem van toepassing waren, omdat eiser op het moment van zijn asielaanvraag in handen was van de Nederlandse autoriteiten. Uit artikel 2 van de Wet Speciaal Hof voor Sierra Leone volgt volgens eiser niet dat die Nederlandse ambtenaren niet aan de Nederlandse wet, en dus de Vw 2000, gebonden zouden zijn. Het is ius cogens dat de asielaanvraag eerst goed had moeten worden onderzocht, onder andere door eiser te horen (en overleg te plegen met het Hof), alvorens eiser uit te zetten. Eiser verwijst ook naar het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel en de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT7118). Eiser verwijst voorts naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 december 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9492). Eiser stelt dat de Wet Speciaal Hof voor Sierra Leone en het Zetelverdrag ruimte laten om toepassing te geven aan de Vw 2000. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt voorts dat de staten die partij zijn bij het EVRM altijd de plicht hebben om maatregelen te nemen ter voorkoming of beëindiging van mensenrechtenschendingen op hun grondgebied. Nederland is gehouden om eiser hierin een effectief rechtsmiddel te bieden.

4.3.1

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van eiser op Rotterdam Airport om hem bescherming te verlenen kan worden aangemerkt als een verzoek om bescherming zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder g, van de Definitierichtlijn. Uit de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011 volgt dat een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen, als zodanig moet worden aangemerkt, omdat een beroep op het verbod van non-refoulement vormvrij is. In de regelgeving is onderkend dat het verzoek niet onmiddellijk ten overstaan van de bevoegde autoriteiten zal worden gedaan omdat het aan asielzoekers veelal onbekend zal zijn wie de bevoegde autoriteiten zijn, maar wordt er wel van uitgegaan dat zij zich zullen wenden tot autoriteiten waarvan op het eerste gezicht aannemelijk is te achten dat zij ter zake bevoegd zijn, althans ten minste nader advies kunnen geven omtrent de wijze waarop naar het ter plaatse geldende nationale recht een asielaanvraag moet worden ingediend. Gedoeld wordt op autoriteiten waarvan wordt aangenomen dat zij door asielzoekers als bevoegde autoriteiten worden gezien en die kennis hebben van de nationale regelgeving over immigratie en asiel, zodat zij in staat zijn bedoeld advies te verlenen.
De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval vaststaat dat bij de overdracht van eiser op Rotterdam Airport Nederlandse ambtenaren aanwezig waren. Daargelaten of dit louter ambtenaren van DVO waren, zoals door verweerder gesteld, kon de Nederlandse ambtenaar die naar voren stapte toen eiser vroeg: “Who amongst you all represent the Dutch Government?” door eiser worden gezien als de op dat moment bevoegde Nederlandse autoriteit. Uit eisers verklaring blijkt niet dat dit een van de eiser reeds bekende ambtenaren van DVO was. Voor de vraag of eiser een verzoek om internationale bescherming heeft geuit bij een bevoegde autoriteit, doet naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet ter zake of de aanwezige Nederlandse ambtenaren formeel slechts in opdracht van het Hof aanwezig waren. Doorslaggevend is immers of het voor eiser op het eerste gezicht aannemelijk was te achten dat de betreffende ambtenaar ter zake bevoegd was, althans ten minste nader advies had kunnen geven omtrent de wijze waarop zijn verzoek moest worden ingediend.

4.3.2

De vraag die vervolgens voorligt, is of verweerder het verzoek van eiser om internationale bescherming op enigerlei wijze in behandeling had moeten nemen.

4.3.3

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer de arresten van 30 juni 2005, Bosphorus tegen Ierland, nr. 45036/98, par. 152-153 en van 9 oktober 2012, Longa tegen Nederland, nr. 33917/12, par 152-155) is de in artikel 1 van het EVRM bedoelde rechtsmacht primair territoriaal bepaald en strekt deze zich in beginsel uit tot al het handelen van een staat. Dat kan echter uitzondering lijden waar het handelingen betreft ter uitvoering van verplichtingen jegens een internationale organisatie waaraan de desbetreffende staat een deel van zijn rechtsmacht heeft overgedragen, voor zover deze organisatie aan het EVRM gelijkwaardige waarborgen biedt.

4.3.4

De rechtbank is van oordeel dat, nu het Hof is opgericht door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en het een internationale organisatie betreft die is gebaseerd op de bescherming van fundamentele mensenrechten, de Nederlandse overheid er in beginsel van uit kan gaan dat het Hof een aan het EVRM equivalente mensenrechtenbescherming biedt.

4.3.5

Uit de jurisprudentie van het EVRM volgt eveneens dat staten die partij zijn bij het EVRM niet volledig kunnen worden ontslagen van hun verplichtingen onder het EVRM, ook al hebben zij hun soevereiniteit (deels) overgedragen aan een internationale organisatie, en dat er uitzonderingen op deze presumptie van equivalente mensenrechtenbescherming mogelijk zijn. In de aangehaalde arresten overweegt het EHRM dat een dergelijke presumptie kan worden weerlegd, indien in het concrete geval sprake is van een duidelijk tekortschieten van de bescherming van de mensenrechten door de internationale organisatie.

4.3.6

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat Nederland op grond van de regelgeving met betrekking tot het Hof alle rechtsmacht met betrekking tot eiser aan het Hof zou hebben overgedragen, dus inclusief de beoordeling van het risico van schending van artikel 3 van het EVRM bij overdracht van eiser aan enig ander land, Nederland nog immer gehouden was eisers verzoek om internationale bescherming te onderzoeken, omdat dit verzoek in zou kunnen houden dat het Hof tekort is geschoten in de bescherming van eisers mensenrechten. Nederland had eiser dan ook in de gelegenheid moeten stellen zijn verzoek nader te motiveren en te onderbouwen en daarover een beslissing dienen te nemen, voordat medewerking werd verleend aan de overdracht van eiser aan de autoriteiten van het VK. Nu de Vw 2000 voor die beoordeling de basis biedt, lag de bevoegdheid – en de verplichting – voor dat onderzoek en die besluitvorming bij verweerder. Dat eiser in de visie van verweerder nimmer voor een asielvergunning in aanmerking zou kunnen komen, doet daar, wat daar verder ook van zij, niet aan af. Een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM zou immers aan eisers overdracht aan het VK in de weg kunnen staan en in die zin een beletsel voor de overdracht op kunnen leveren. Door de feitelijke weigering eisers verzoek om internationale bescherming te onderzoeken en daarover een besluit te nemen, heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.

4.3.7

De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat door deze handelwijze van verweerder tevens sprake is van schending van artikel 13 van het EVRM, nu hem door de weigering het beschermingsverzoek in behandeling te nemen en daaromtrent een besluit te nemen de mogelijkheid is ontnomen om voorafgaand aan de overdracht een effectief rechtsmiddel daartegen in te stellen.

4.3.8

Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

5.1

De rechtbank ziet aanleiding om in het kader van de finaliteit te onderzoeken of hetgeen in beroep is aangevoerd al dan niet zou kunnen leiden tot de conclusie dat verweerder door mee te werken aan de overdracht van eiser aan het VK heeft gehandeld in strijd met artikel 3 van het EVRM en of in samenhang daarmee sprake is van strijd met artikel 13 van het EVRM met betrekking tot de procedure bij het Hof, zoals in beroep aangevoerd.

5.2

In beroep is komen vast te staan dat eisers verzoek om internationale bescherming van meet af aan zag en nog steeds ziet op zijn vrees in het VK te worden blootgesteld aan een onmenselijke behandeling in verband met wat hem in een gevangenis aldaar mogelijkerwijs staat te gebeuren. Hij wijst erop dat eerder een veroordeelde door een internationaal tribunaal (International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia) in een gevangenis in het VK is aangevallen en (zwaar) gewond is geraakt. De autoriteiten bleken niet in staat te zijn voor een veilige omgeving zorg te kunnen dragen. De veroordeelde is uiteindelijk overgeplaatst naar een ander land.

5.3

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, nu eisers vrees betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de door het Hof opgelegde straf en eiser nog niet was overgedragen aan het voor de tenuitvoerlegging van die straf aangewezen derde land, dit een ‘matter within the Statute of the Special Court’ als bedoeld in paragraaf 7 van de Resolutie betreft. Daaruit volgt dat de rechtsmacht te dien aanzien bij het Hof ligt. Zoals reeds overwogen, mag verweerder er in beginsel van uit gaan dat het Hof eisers fundamentele rechten in acht neemt. De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn betoog niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Hof daarin duidelijk tekort is geschoten. Wat eiser over een mogelijk risico in de gevangenis van het VK heeft aangevoerd is daartoe onvoldoende. In dat kader acht de rechtbank van belang dat ook het VK is aangesloten bij het EVRM, zodat het Hof er in beginsel van uit mag gaan dat het VK eiser bescherming biedt tegen handelingen als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft niet voldoende concreet onderbouwd dat dat in zijn specifieke geval niet zo is. Voorts neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat eiser op grond van artikel 7, tweede lid, van het Zetelverdrag de mogelijkheid heeft om zijn zienswijze over de overdracht naar het VK bij het Hof in te dienen en dat eiser daar ook gebruik van heeft gemaakt door op 26 september 2013 een brief aan de President van het Hof te doen toekomen. Zoals de gemachtigde van eiser ter zitting heeft toegelicht heeft eiser daarin gewezen op de risico’s verbonden aan een detentie in het VK. Uit de sentencing order van de President van 4 oktober 2013 blijkt dat is meegewogen wat eiser in voormelde brief naar voren heeft gebracht en dat ook de detentieomstandigheden in alle landen waar de straf mogelijk ten uitvoer zou worden gelegd (waaronder het VK) bij de beoordeling zijn betrokken, inclusief maatregelen om eisers fysieke veiligheid te garanderen. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat op grond van artikel 3 van het EVRM sprake was of is van een beletsel voor de overdracht aan het VK, en evenmin dat hem in strijd met artikel 13 van het EVRM daaromtrent bij het Hof geen effectief rechtsmiddel is geboden.

5.4

De rechtbank overweegt voorts dat vanaf het moment dat eiser is overgedragen aan het VK op grond van artikel 22, tweede lid, van het Statute of the Special Court for Sierra Leone de detentieomstandigheden worden beheerst door het recht van het VK en dat daarbij eveneens een toezichthoudende rol voor het Hof is weggelegd. Daaruit is af te leiden dat eiser ook nu een rechtsmiddel heeft waarin hij de detentieomstandigheden aan de orde kan stellen.

6. De eindconclusie is dat verweerder ten onrechte het verzoek van eiser om internationale bescherming ten aanzien van de overdracht aan het VK niet heeft onderzocht en daarover ten onrechte geen besluit heeft genomen, maar dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM aan zijn overdracht aan het VK in de weg stond. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door het bezwaar gegrond te verklaren en het verzoek om bescherming af te wijzen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding het verzoek van eiser om verweerder op te dragen hem terug te halen naar Nederland te honoreren. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Ten aanzien van het beroep met nummer 13/31008

7. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat verweerders brief van 8 november 2013 in reactie op eisers schriftelijke verzoeken om internationale bescherming van 15 oktober 2013 als een besluit moet worden aangemerkt. Nu verweerder in dat besluit een inhoudelijke beoordeling van eisers verzoek achterwege heeft gelaten en de rechtbank hiervoor in overwegingen 4.3.3 tot en met 4.3.6 al heeft overwogen dat verweerder gehouden was eisers verzoek om internationale bescherming te onderzoeken en daarop een inhoudelijk besluit te nemen, is ook het beroep tegen dit besluit wegens een motiveringsgebrek gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar ziet geen aanleiding verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen, gelet op het feit dat de rechtbank in de procedure met nummer 13/30849 zelf reeds in de zaak heeft voorzien, zoals weergegeven in overwegingen 5.1 tot en met 6.

Ten aanzien van beide beroepen

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank zal deze kosten voor de beroepen gezamenlijk bepalen op 1 punt, nu het samenhangende zaken betreft. De kosten stelt de rechtbank daarom op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.826,25 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1,5).

Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 13/30849,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond en wijst het verzoek om bescherming af;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 13/31008,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit

in beide zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.826,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, voorzitter, en mrs. H.J. Schaberg en D. Bode, rechters, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.