Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13665

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
AWB 14/22484
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

verschil interim measure CAT en EHRM; strijd met artikel 14 EVRM; artikel 3, derde lid, aanhef en onder l, Rva.

De mededeling van verweerder vervat in de brief van 29 september 2014 kan niet anders worden geduid als een (impliciete) weigering om een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 VW 2000 te verstrekken, nu verweerder uitdrukkelijk heeft aangegeven dat verzoeker ten gevolge van het in behandeling nemen van een klacht door het CAT geen rechtmatig verblijf heeft gekregen. Gelet hierop is sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, inhoudende de weigering tot afgifte van het gevraagde document.

Verzoeker voert in bezwaar aan dat hij rechtmatig verblijf heeft als gevolg van de interim measure van het Committee against torture (CAT). Ter ondersteuning hiervan verwijst hij naar, onder meer, artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens verzoeker moet de interim measure van het CAT gelijkgesteld worden met een door het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) getroffen interim measure. Doordat op grond van artikel 8, aanhef en onder h, Vw uitsluitend vreemdelingen ten aanzien van wie een interim measure is getroffen door het EHRM rechtmatig verblijf hebben en ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder l, Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) recht hebben op opvang, is sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid ten opzichte van vreemdelingen ten aanzien van wie een interim measure is getroffen door het CAT.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of de toepassing van artikel 8, aanhef en onder h, Vw - zoals opgevat in de jurisprudentie van de Afdeling (zie de uitspraak van 25 mei 2004, JV 2004/277) - in strijd is met artikel 14 EVRM, van principiële aard is en dat een voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor beantwoording daarvan. De voorzieningenrechter acht het aangewezen dat die vraag in een bodemprocedure ten gronde wordt beoordeeld en beantwoord. De voorzieningenrechter zal zich beperken tot een belangenafweging, waarbij het enerzijds gaat om het belang van verzoeker om hangende de bezwaarprocedure te worden behandeld als ware hij een vreemdeling met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, Vw zodat hij ook voor opvang in aanmerking kan komen, en het belang van verweerder anderzijds om geen rechtmatig verblijf toe te staan.

Het is op voorhand niet uitgesloten dat in het onderhavige geval het in artikel 8 EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven - dat mede de fysieke en psychische integriteit van een persoon omvat - in het geding is, zodat ook artikel 14 van het EVRM van toepassing is.

Het is op voorhand niet uitgesloten dat de twee gronden, die volgens verweerder de objectieve en redelijke rechtvaardiging vormen voor het verschil in behandeling als hiervoor vermeld, bij een beoordeling ten gronde als onvoldoende zullen worden beoordeeld.

Het belang van verzoeker om hangende de bezwaarprocedure te worden behandeld als ware hij een vreemdeling met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, Vw, weegt daarom zwaarder. Het verzoek wordt toegewezen in die zin, dat verweerder wordt opgedragen om verzoeker te behandelen als ware hij een vreemdeling met rechtmatig verblijf tot vier weken nadat op het bezwaar van 1 oktober 2014 is beslist. Dit heeft, gelet op artikel 3, derde lid, aanhef en onder l, Rva 2005, ook gevolgen voor de opvang verleend door het COA.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/22484

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 oktober 2014 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Sri Lankaanse nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. R.S. Nandoe, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. T. Nauta, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat het in behandeling nemen van een klacht bij het Committee Against Torture (CAT) geen rechtmatig verblijf genereert. Dit maakt dat verzoeker ook geen recht heeft op opvang.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder op te dragen hem tot vier weken na beslissing op het bezwaar te behandelen als ware artikel 8, aanhef en onder h, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) op hem van toepassing en hem als zodanig op grond van artikel 3, tweede lid, Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) te melden bij het COA voor het verlenen van opvang.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.A. Leijen, die waarnam voor zijn kantoorgenote mr. Nandoe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 78 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) beslist de voorzieningenrechter van de rechtbank zoveel mogelijk tevens over het bezwaar, indien het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan ten einde uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het bezwaar, dat is gericht tegen een beschikking tot afwijzing van een aanvraag of intrekking van een verblijfsvergunning. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening niet is gedaan om uitzetting te voorkomen, zal de voorzieningenrechter geen toepassing geven aan artikel 78 Vw.

3. Verzoeker geeft in het bezwaarschrift van 1 oktober 2014 aan dat het bezwaar is gericht tegen een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw, namelijk de weigering van verweerder om hem een bewijs van rechtmatig verblijf te verstrekken en hem voor te dragen bij het COA voor opvang.

3.1 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van verweerder van 29 september 2014 niet is aan te merken als een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, Vw. Zoals de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft overwogen in de uitspraak van 23 september 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:9341) beoogde verzoeker met zijn aanvraag van 27 augustus 2014 immers dat verweerder aan hem een document of een schriftelijke verklaring af zou geven als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw, waaruit rechtmatig verblijf blijkt als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, Vw en dat verweerder zou oordelen dat verzoeker op grond daarvan (ook) recht heeft op opvang. Hoewel verweerder ter zitting heeft betoogd dat met de brief van 29 september 2014 niet is beoogd een beslissing te nemen op de aanvraag om een schriftelijke verklaring als hiervoor bedoeld, kan de mededeling van verweerder vervat in die brief niet anders worden geduid als een (impliciete) weigering om de gevraagde schriftelijke verklaring te verstrekken, nu verweerder uitdrukkelijk heeft aangegeven dat verzoeker ten gevolge van het in behandeling nemen van een klacht door het CAT geen rechtmatig verblijf heeft gekregen. Gelet hierop is sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, inhoudende de weigering tot afgifte van het gevraagde document.

3.2

Nu sprake is van een besluit waartegen verzoeker bij schrijven van 1 oktober 2014 bij verweerder een bezwaarschrift ingevolge artikel 8:1 in verbinding met artikel 7:1 Awb heeft ingediend, heeft verweerder dit bezwaar op 10 oktober 2014 ten onrechte doorgezonden naar het COA. Verweerder is - gelijk hij heeft erkend in het verweerschrift en ter zitting - gehouden een beslissing te nemen op het bezwaarschrift.

4. Verzoeker voert in bezwaar aan dat hij rechtmatig verblijf heeft als gevolg van de interim measure van het CAT. Ter ondersteuning hiervan verwijst verzoeker naar de Terugkeerrichtlijn, de nationale beginselen voortvloeiend uit de wet, jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens verzoeker moet de interim measure van het CAT gelijkgesteld worden met een door het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) getroffen interim measure. Doordat op grond van artikel 8, aanhef en onder h, Vw uitsluitend vreemdelingen ten aanzien van wie een interim measure is getroffen door het EHRM rechtmatig verblijf hebben en ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder l, Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) recht hebben op opvang, is sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid ten opzichte van vreemdelingen ten aanzien van wie een interim measure is getroffen door het CAT. De rechtvaardiging kan immers niet zijn dat ten aanzien van een interim measure van het CAT enkel sprake is van een “afspraak” om de betrokken vreemdeling niet uit te zetten en bij een interim measure door het EHRM van een verplichting om zulks niet te doen. Er zijn geen objectieve en redelijke gronden om onderscheid te maken tussen beide categorieën vreemdelingen. Daardoor zijn artikel 8, voornoemd, en artikel 3, derde lid, onder l, Rva in strijd met de in verdragen neergelegde anti-discriminatie bepalingen zoals artikel 14 EVRM. Het recht op opvang is een recht dat gerangschikt kan worden onder artikel 8 EVRM (privéleven) en ook onder artikel 3 EVRM (het recht om gevrijwaard te worden van een vernederende behandeling zoals het gedwongen moeten zijn zonder enige hulp in een lidstaat te moeten overleven).

4.1.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat een door het CAT getroffen interim measure - anders dan een interim measure die wordt getroffen door het EHRM - geen rechtmatig verblijf oplevert voor de betrokken vreemdeling. Een interim measure van het EHRM is immers bindend en daarmee gelijk te stellen met een door de nationale rechter getroffen voorziening. Voor het CAT geldt echter dat sprake is van een juridisch niet bindend verzoek. Er is daarom geen sprake van een uitspraak die onder het bereik van artikel 8, aanhef en onder h, Vw valt. Dit is niet anders wanneer de Nederlandse staat besluit gevolg te geven aan een dergelijk verzoek, zij is daartoe immers niet gehouden. Daarnaast geldt dat artikel 8, aanhef en onder h, Vw spreekt van rechterlijke instanties. In tegenstelling tot het EHRM is een comité van de Verenigde Naties, zoals het CAT, geen rechterlijke instantie. Om dezelfde redenen is volgens verweerder in dit geval geen sprake van een door artikel 14 EVRM verboden discriminatoire behandeling. De twee genoemde verschillen tussen het CAT en het EHRM vormen de objectieve rechtvaardiging voor het verschil in behandeling tussen een vreemdeling ten aanzien van wie een interim measure is getroffen door het EHRM en een vreemdeling die een interim measure van het CAT heeft gekregen. Aangezien verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft, kan hij zich ook niet wenden tot het COA voor het verkrijgen van opvang. De stelling van verzoeker ter zitting dat verweerder gehouden is opvang te verlenen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2014 (nr. 201204913/1/V1), gaat niet op omdat thans voorligt een verzoek om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 Vw en niet een aanvraag om verlenen van opvang op grond van een op de staat rustende verdragsrechtelijke verplichting.

4.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of de toepassing van artikel 8, aanhef en onder h, Vw - zoals opgevat in de jurisprudentie van de Afdeling (zie de uitspraak van 25 mei 2004, JV 2004/277) - in strijd is met artikel 14 EVRM, van principiële aard is en dat een voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor beantwoording daarvan. De voorzieningenrechter acht het aangewezen dat die vraag in een bodemprocedure ten gronde wordt beoordeeld en beantwoord. Bovendien stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder, die ter zitting in beknopte zin mondeling heeft gereageerd op het beroep van eiser op artikel 14 EVRM, in de nog te nemen beslissing op het bezwaarschrift van 1 oktober 2014 een beslissing over dat beroep dient te nemen, na een zorgvuldige beoordeling van de door verzoeker aangedragen en ter zitting toegelichte argumenten.

5. De voorzieningenrechter zal zich gezien het voorgaande beperken tot een belangenafweging, waarbij het enerzijds gaat om het belang van verzoeker om hangende de bezwaarprocedure te worden behandeld als ware hij een vreemdeling met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, Vw zodat hij ook voor opvang in aanmerking kan komen, en het belang van verweerder anderzijds om geen rechtmatig verblijf toe te staan.

5.1

De voorzieningenrechter acht het op voorhand niet uitgesloten dat in het onderhavige geval het in artikel 8 EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven - dat mede de fysieke en psychische integriteit van een persoon omvat - in het geding is, zodat ook artikel 14 van het EVRM van toepassing is. Voorts moet worden vast gesteld dat verzoeker, ten aanzien van wie een interim measure is getroffen door het CAT, anders wordt behandeld dan een vreemdeling ten aanzien van wie een interim measure is getroffen door het EHRM, nu alleen de laatstgenoemde op grond van artikel 8, aanhef en onder h, Vw daardoor (tijdelijk) rechtmatig verblijf verkrijgt en daarmee ook aanspraak heeft op opvang op grond van artikel 3, aanhef en onder l, Rva 2005. De strekking van de interim measure is echter in beide gevallen dezelfde, namelijk voorkomen dat de betrokken vreemdeling wordt uitgezet naar een land waar een mogelijke schending van het verbod op foltering of een andere onmenselijke behandeling dreigt.

5.2

De voorzieningenrechter acht het op voorhand ook niet uitgesloten dat de ter zitting genoemde twee gronden, die volgens verweerder de objectieve en redelijke rechtvaardiging vormen voor het verschil in behandeling als hiervoor vermeld, bij een beoordeling ten gronde als onvoldoende zullen worden beoordeeld. Met betrekking tot het door verweerder genoemde verschil in juridische bindingskracht tussen een interim measure uitgesproken door het EHRM en een zodanige maatregel van het CAT, kan worden opgemerkt dat uit de artikelen 3 en 22 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (Anti-Folterverdrag) redelijkerwijs volgt dat een lidstaat die verklaard heeft de bevoegdheid van het CAT te erkennen om klachten van een persoon over een schending van het verdrag te beoordelen, daarmee ook gehouden is zijn verplichting onder artikel 3 (niet refouleren) na te leven. Verzoeker heeft in verband hiermee terecht gewezen op noot 11 in het Annual Report van het CAT van 1 december 2007 (A/62/44), waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“In this case, rule 108 of the rules of procedure is specifically intended to give meaning and scope to articles 3 and 22 of the Convention, which otherwise would only offer asylum-seekers invoking a serious risk of torture a merely theoretical protection. By failing to respect the request for interim measures made to it, and to inform the Committee of the deportation of the complainant, the State party committed a breach of its obligations of cooperating in good faith with the Committee, under article 22 of the Convention.”

In dit verband acht de voorzieningenrechter niet zonder belang dat verweerder heeft verklaard gevolg te geven aan de door het CAT getroffen interim measure door af te zien van de uitzetting van verzoeker hangende de behandeling van de klacht van verzoeker. Verweerder erkent in feite daarmee dat de door het CAT getroffen maatregel bindend is. Dat het CAT de naleving van de interim measure juridisch niet kan afdwingen, maakt dat niet anders.

5.3

Niet op voorhand uitgesloten is daarnaast dat de omstandigheid dat het CAT geen internationale rechterlijke instantie is en het EHRM wel, niet van doorslaggevend belang is bij de beantwoording van de vraag of er een rechtvaardigingsgrond is voor het verschil in behandeling, nu de strekking van een interim measure zowel onder het EVRM als onder het
Anti-Folterverdrag dezelfde is, namelijk voorkomen dat de betrokken vreemdeling hangende de procedure bij het EHRM of het CAT slachtoffer wordt van foltering of een andere onmenselijke behandeling.

5.4

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker om hangende de bezwaarprocedure te worden behandeld als ware hij een vreemdeling met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, Vw, zwaarder weegt. Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin, dat verweerder wordt opgedragen om verzoeker te behandelen als ware hij een vreemdeling met rechtmatig verblijf tot vier weken nadat op het bezwaar van 1 oktober 2014 is beslist. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te bepalen dat verweerder verzoeker met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet COA moet aanmelden voor het verlenen van opvang. Daargelaten of genoemde wetsbepaling in dit geval van toepassing is, kan verzoeker naar aanleiding van deze uitspraak zich tot het COA wenden met een verzoek om opvang te krijgen als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder l, Rva 2005. Hetgeen hiervóór onder 5.1 tot en met 5.3 met betrekking tot het beroep van verzoeker op artikel 14 EVRM in verband met de toepassing van artikel 8 Vw (rechtmatig verblijf) is overwogen, is immers ook relevant voor de vraag of de toepassing van artikel 3, aanhef en onder l, Rva 2005 in het onderhavige geval zich verdraagt met het discriminatieverbod, nu die bepaling (opvang) rechtstreeks in verband staat met het rechtmatig verblijf op grond van onderdeel h van artikel 8 Vw. Naar aanleiding van de verwijzing door verzoeker naar de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2014 (nr. 201204913/1/V1) overweegt de voorzieningenrechter nog dat de daarin opgenomen overwegingen over de zorgplicht van verweerder zien op niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Weliswaar ontleent verzoeker geen rechtmatig verblijf aan de wettekst van artikel 8 Vw, maar op grond van deze uitspraak zal hij door verweerder wel als een vreemdeling met rechtmatig verblijf moeten worden behandeld, zodat dit ook gevolgen heeft voor de opvang verleend door het COA.

6. Met toepassing van artikel 8:82, vijfde lid, Awb draagt de voorzieningenrechter verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- te vergoeden.

7. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 974,- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Ter zitting heeft verzoeker ook verzocht om de door hem in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte reiskosten (een treinticket retour Den Helder-Haarlem ad € 26,40) te vergoeden. Gelet op artikel 1, onder c, in verbinding met artikel 2, eerste lid, onder c van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt verweerder ook in die kosten veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- draagt verweerder op verzoeker te behandelen als ware artikel 8, aanhef en onder h, Vw (rechtmatig verblijf) op hem van toepassing tot vier weken nadat verweerder op het bezwaarschrift van 1 oktober 2014 heeft beslist;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan verzoeker te vergoeden.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.000,40 te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.