Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13594

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
C-09-472150 - KG ZA 14-1005
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst tussen NCPC (huurder) en De Nes c.s. (verhuurder). Ter meerdere zekerheid voor voldoening door NCPC van haar verplichtingen onder de huurovereenkomst heeft ING Bank ten laste van NCPC een bankgarantie gesteld. In verband met die bankgarantie heeft MCH jegens ING Bank een contragarantie afgegeven voor een gelijk bedrag. Omdat NCPC niet voldoet aan haar verplichtingen trekken De Nes c.s. de bankgarantie. MCH stelt zich op standpunt dat De Nes c.s. jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld en vordert dat De Nes c.s. het bedrag van de bankgarantie aan haar betalen. MCH is echter geen partij bij de huurovereenkomst en is ook niet betrokken geweest bij het stellen van de bankgarantie. De Nes c.s. hadden geen kennis van hetgeen tussen MCH (eerdere huurder) en NCPC (opvolgende verhuurder) terzake de overeenkomst tot overname van de in het gehuurde gevestigde onderneming. De Nes c.s. hadden ook geen kennis van de contragarantie. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/472150 / KG ZA 14-1005

Vonnis in kort geding van 7 oktober 2014

in de zaak van

de stichting

Stichting Medisch Centrum Haaglanden,

gevestigd te Den Haag,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.G. Snouckaert van Schauburg te Den Haag,

tegen:

1 [A],

wonende te [woonplaats],

2. [B],

wonende te [woonplaats] (Zwitserland),

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

advocaat mr. A.R. de Jonge te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘MCH’ en ‘[A] c.s.’.

1 De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 26 september 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

[A] c.s. hebben de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het pand), in eigendom.

1.2.

Bij overeenkomst van 30 juni 2004 hebben [A] c.s. het pand voor een periode van vijf jaar verhuurd aan de vennootschap Haaglanden Kliniek C.V. Beherend vennoten van deze vennootschap zijn de vennootschap Haaglanden Kliniek B.V. en MCH (enig aandeelhouder van Haaglanden Kliniek B.V.).

1.3.

Het pand is door Haaglanden Kliniek C.V. ingevolge de huurovereenkomst van 30 juni 2004 niet als kantoorruimte (zoals het pand was ingericht ten tijde van het aangaan van de overeenkomst) in gebruik genomen, maar als bedrijfsruimte ten behoeve van een “Medische kliniek met aanverwante dienstverlening”. Haaglanden Kliniek C.V. heeft het pand daartoe ingrijpend doen verbouwen. In bedoelde huurovereenkomst is onder 8.1 opgenomen dat - zakelijk weergegeven - Haaglanden Kliniek C.V. bij beëindiging van de huur gehouden is het pand (weer) op te leveren als kantoorruimte.

1.4.

Bij overeenkomst van 24 juni 2008 (hierna ook wel: de overnameovereenkomst) heeft Haaglanden Kliniek C.V. haar onderneming (de kliniek) verkocht en overgedragen aan de vennootschap Eikemakliniek B.V. In de overnameovereenkomst is (inzake de inrichting van het pand) onder meer het volgende opgenomen:

8.7 Koper [vzr: Eikemakliniek B.V.] zal een schriftelijke huurovereenkomst sluiten met Verhuurder [vzr: [A] c.s.], ingaande op de Leveringsdatum voor een periode van vijf jaar (hierna: de “Huurovereenkomst”).

(…)

8.9

Koper is gehouden de huidige verplichting van Verkoper [vzr: Haaglanden Kliniek C.V.] jegens Verhuurder om na afloop van de Huurovereenkomst het gehuurde in de oorspronkelijke staat te stellen over te nemen.

MCH zal gedurende het eerste jaar van de duur van de Huurovereenkomst gehouden zijn deze verplichting voor 100% voor haar rekening te nemen indien gedurende deze periode de Huurovereenkomst om welke reden dan ook wordt beëindigd. Deze verplichting duurt voort tot dat een periode van zes jaar na de aanvangsdatum van de Huurovereenkomst is verstreken, met dien verstaande dat na het eerste jaar van de Huurovereenkomst, de bijdrage van MCH in de totale kosten als gevolg van voornoemde verplichting jaarlijks met 16,67% afneemt.

1.5.

Op 9 april 2009 is ten aanzien van het pand een huurovereenkomst tot stand gekomen tussen [A] c.s. en de vennootschap Nederlands Centrum voor Plastische Chirurgie B.V. (een dochteronderneming van Eikemakliniek B.V., hierna: NCPC). In deze huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

Duur, verlenging en opzegging

3.1

Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 10 jaar, ingaande op 1 juli 2009 en lopende tot en met 30 juni 2019.

(…)

Bijzondere bepalingen

(…)

8.6

Partijen komen overeen dat er een raming van de kosten (…) moet worden gemaakt om (…) te weten wat de herstelkosten (…) zullen zijn om het gehuurde, na einde huurovereenkomst, weer in oorspronkelijke staat te herstellen, zoals omschreven in artikel 8.1 van de huurovereenkomst van Haaglandenkliniek CV met (…) [A] en [B] de dato (…) 30 juni 2004,

(…)

Ter meerdere zekerheid met betrekking tot het uitvoeren van de werkzaamheden dient huurder [vzr: NCPC] een bankgarantie te stellen voor € 450.000,= die acceptabel is voor verhuurder.

(…)

8.8

Breakoptie

Afwijkend van het gestelde in 3.1 van deze huurovereenkomst, zijn verhuurder [vzr: [A] c.s.] en huurder het navolgende overeengekomen. Huurder heeft na een huurtermijn van 5 jaar de mogelijkheid om tussentijds op te zeggen (opzegging per 1 juli 2014), waarbij huurder rekening dient te houden met een opzegtermijn van 18 maanden.

1.6.

Op basis van vorenbedoelde breakoptie had NCPC in het geval van de wens om de met [A] c.s. gesloten huurovereenkomst na een periode van vijf jaar te beëindigen vóór 1 januari 2013 moeten opzeggen tegen 1 juli 2014. NCPC heeft van deze breakoptie geen gebruik gemaakt.

1.7.

Tot zekerheid van voldoening door NCPC van haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst d.d. 9 april 2009 heeft de ING Bank (hierna: ING) ten laste van NCPC op 13 juli 2009 ten behoeve van [A] c.s. een bankgarantie gesteld voor een bedrag van maximaal € 450.000.--. Daarbij is bepaald dat de bankgarantie geldig is tot 1 september 2014. Voorts wordt in de bankgarantie onder meer het volgende vermeld:

De bank stelt zich hierbij garant jegens de crediteur tot zekerheid voor de voldoening door de debiteur van zijn betalingsverplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst / transactie, zulks echter tot bovengenoemd maximum bedrag. De bank verbindt zich derhalve op grond van deze garantie, op eerste schriftelijk verzoek van de crediteur en onder diens bindende mededeling dat de debiteur in de nakoming van zijn vorenbedoelde verplichtingen is tekortgeschoten, als eigen schuld en zonder enig ander of meerder bewijs van verschuldigdheid te kunnen verlangen, aan de crediteur te zullen voldoen de door deze op te geven bedragen, doch in totaal nimmer meer dan bovengenoemd maximum bedrag.

1.8.

Vorenbedoelde door ING gestelde bankgarantie voor maximaal € 450.000,-- is gekoppeld aan een op 27 juli 2009 door MCH gestelde contragarantie ten behoeve van ING voor eveneens € 450.000,--.

1.9.

Medio 2013 heeft NCPC vanwege haar verslechterde financiële situatie [A] c.s. verzocht om aanpassing van de huurovereenkomst. Naar aanleiding van dit verzoek zijn partijen in overleg gegaan. Vanwege de naderende datum waarop de geldigheidsduur van de bankgarantie zou verlopen (1 september 2014) hebben [A] c.s. NCPC bij brief van 16 april 2014 verzocht om vóór 1 juli 2014 vervangende zekerheid te stellen, dit met de vermelding dat [A] c.s. bij het uitblijven daarvan de voor het bedrag van € 450.000,-- gestelde bankgarantie zullen trekken.

1.10.

Bij brief van 26 juni 2014 heeft mr. De Jonge voornoemd ING in kennis gesteld van het besluit van [A] c.s. om de ten laste van NCPC gestelde bankgarantie te trekken. Op 21 juli 2014 hebben [A] c.s. het maximale bedrag van € 450.000,-- op de bankgarantie getrokken.

2 Het geschil in conventie en in reconventie

2.1.

In conventie vordert MCH - zakelijk weergegeven - [A] c.s. te veroordelen om aan MCH te betalen een met wettelijke rente te vermeerderen bedrag van € 450.000,-- en een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met veroordeling in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten van beslaglegging.

2.2.

Daartoe voert MCH het volgende aan. [A] c.s. hebben onrechtmatig gehandeld door de bankgarantie te trekken. De door MCH gestelde bankgarantie ziet op de in de huurovereenkomst opgenomen herstelkostenverplichting. Die verplichting van MCH is geëindigd per 1 september 2014. Door de verlenging van de huurovereenkomst zal de herstelkostenverplichting voorts pas na 30 juni 2019 ingaan. Het op 21 juli 2014 door [A] c.s. trekken van de bankgarantie is daarom ook prematuur. Door het onrechtmatig handelen lijdt MCH een schade van € 450.000,--. [A] c.s. zijn voor die schade hoofdelijk aansprakelijk. Vanwege toenemende concurrentie van andere ziekenhuizen in de regio is MCH met het oog op haar bedrijfsvoering genoodzaakt te investeren in (de ontwikkeling van) medische apparatuur. Daartoe dient MCH te beschikken over de noodzakelijke gelden, daaronder begrepen het gevorderde bedrag van € 450.000,--. MCH heeft daarom belang bij een onmiddellijke voorziening.

2.3.

[A] c.s. voeren gemotiveerd verweer, dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

2.4.

In reconventie vorderen [A] c.s. MCH te veroordelen om op straffe van dwangsommen op te heffen het conservatoir derdenbeslag dat MCH op 13 augustus 2014 ten laste van [A] c.s. heeft doen leggen onder Stichting Beheer Derdengelden Advocatuur Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, met veroordeling van MCH in de kosten van de procedure.

2.5.

Daartoe voeren [A] c.s. aan dat niet aannemelijk is dat MCH een vordering heeft op [A] c.s. Contractueel hebben [A] c.s. immers niets met MCH van doen. MCH kan [A] c.s. daarom niet op grond van de overnameovereenkomst, de huurovereenkomst of op grond van onrechtmatige daad aanspreken tot terugbetaling van het bedrag van € 450.000,--. Het door MCH ingeroepen recht is dan ook ondeugdelijk. Het derdenbeslag dient daarom te worden opgeheven.

2.6.

MCH voert gemotiveerd verweer, dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

in conventie

3.1.

MCH legt aan haar vordering ten grondslag dat [A] c.s. jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld door de bankgarantie te trekken. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vordering gegeven.

3.2.

MCH heeft aangevoerd dat zij met het oog op haar positie ten opzichte van concurrerende ziekenhuizen niet achter kan blijven met investeringen in hoogwaardige medische apparatuur en dat zij om optimaal te kunnen investeren dient te beschikken over het gevorderde bedrag van € 450.000,--. Daarmee is het spoedeisend belang van MCH bij de behandeling van haar vordering gegeven.

3.3.

Ingevolge vaste jurisprudentie is ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is - hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen - maar onder meer ook of daarnaast sprake is van feiten en/of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden.

3.4.

Het meest verstrekkende verweer van [A] c.s. is dat zij contractueel niet dusdanig met MCH verbonden zijn dat kan worden aangenomen dat met het trekken van de bankgarantie jegens MCH op enigerlei wijze sprake is van onrechtmatig handelen. Ten aanzien van dit verweer overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.5.

Ter meerdere zekerheid van het door NCPC voldoen aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de met [A] c.s. gesloten huurovereenkomst heeft ING een bankgarantie gesteld van € 450.000,--. Deze tussen verhuurder en huurder overeengekomen zekerheid ziet op de door NCPC als nieuwe huurder van de voorgaande verhuurder (Haaglanden Kliniek C.V.) overgenomen verplichting om het gehuurde bij het eindigen van de huurovereenkomst terug te brengen in de oorspronkelijke staat (kantoorruimte). De ter zekerheid overeengekomen bankgarantie is gesteld ten laste van NCPC. Die zekerheid komt voort uit hetgeen tussen Haaglanden Kliniek C.V. en NCPC is overeengekomen in de overeenkomst van 24 juni 2008 waarmee NCPC de in het pand gevestigde onderneming van Kliniek Haaglanden C.V. heeft overgenomen. De zekerheid is vervolgens vastgelegd in de huurovereenkomst van 9 april 2009. Bij deze huurovereenkomst is MCH geen partij. In zoverre hebben [A] c.s. door het trekken van de bankgarantie dan ook niet onrechtmatig jegens MCH gehandeld.

3.6.

Dat wordt niet anders door hetgeen Haaglanden Kliniek C.V. en NCPC in de overnameovereenkomst op 24 juni 2008 hebben doen opnemen. In die overeenkomst is vastgelegd dat - zakelijk weergegeven - de verplichting van MCH om het gehuurde na beëindiging van de huurovereenkomst in oorspronkelijke staat terug te brengen binnen een aantal jaren stapsgewijs zal verminderen en uiteindelijk na zes jaar in zijn geheel voor rekening zal komen voor NCPC. Ook bij deze overnameovereenkomst, en de daarin opgenomen regeling dat NCPC na verloop van tijd de terugbrengverplichting voor 100% op zich zal nemen, zijn [A] c.s. immers geen partij geweest. Ook het enkele feit dat, voor zover MCH daarop doelt, vanwege het door [A] c.s. trekken van de bankgarantie de door MCH gestelde contragarantie is getrokken maakt - zonder toelichting op de wijze waarop bankgarantie en contragarantie zijn gerelateerd - niet dat [A] c.s. jegens MCH onrechtmatig hebben gehandeld. De bankgarantie is gesteld ten laste van NCPC. De aanspraak van [A] c.s. op deze bankgarantie staat in beginsel los van hetgeen door de debiteur van de bankgarantie (NCPC) met derden als contragarantie is overeengekomen.

3.7.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat MCH niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege het trekken van de bankgarantie een vordering heeft op [A] c.s. De vraag of [A] c.s. op goede gronden de bankgarantie hebben kunnen trekken behoeft daarom geen bespreking. Een en ander brengt mee dat de vordering van MCH niet voor toewijzing in aanmerking komt. Dit lot treft ook de vorderingen inzake beslagkosten en buitengerechtelijke kosten.

in reconventie

3.8.

Ingevolge artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een gelegd beslag opgeheven als, voor zover hier van belang, summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Hetgeen in conventie is overwogen brengt de voorzieningenrechter voorshands tot het oordeel dat dit bij het door MCH ingeroepen recht het geval. De vordering van [A] c.s. zal daarom worden toegewezen.

3.9.

Oplegging van de meegevorderde dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximaliseerd en is vatbaar voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

in conventie en in reconventie

3.10.

MCH zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt MCH in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [A] c.s. begroot op € 2.335,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 1.519,-- aan griffierecht;

in reconventie:

- veroordeelt MCH om binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis op te heffen het conservatoire derdenbeslag dat MCH op 13 augustus 2014 ten laste van [A] c.s. heeft doen leggen onder Stichting Beheer Derdengelden Advocatuur Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per dag dat MCH daarmee in gebreke blijft, dit tot een maximum van € 100.000,--;

- veroordeelt MCH in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [A] c.s. begroot op € 408,-- aan salaris advocaat;

- veroordeelt MCH om binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [A] c.s. begroot op € 408,--, aan [A] c.s. te betalen;

- bepaalt dat MCH bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken

op 7 oktober 2014.

fl