Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13563

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
852102-14 e.a.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof op de openbare weg. Van de aangever is onder bedreiging van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en een mes zijn mobiele telefoon en portemonnee weggenomen en hij is gedwongen zijn armband, ketting en horloge af te geven.

Het pistool is op zijn hoofd gericht en het mes is tegen zijn keel geplaatst en gehouden.

De beroving was een angstige ervaring voor het slachtoffer en heeft blijkens de toelichting bij de vordering benadeelde partij een enorme impact op hem gehad.

Het is een feit van algemene bekendheid dat personen die op dergelijke gewelddadige wijze worden beroofd daar vaak nog lange tijd psychische klachten en gevoelens van angst en van onveiligheid aan overhouden. De omstandigheid dat de beroving een gepland karakter heeft gehad, waarbij de verdachte, die de aangever reeds eerder kende, degene is geweest die aangever onder valse voorwendselen naar de plek van de overval heeft gelokt, maakt dat de verdachte het vertrouwen van een bekende van hem ernstig misbruikt heeft. De rechtbank zal dit als strafverzwarend meewegen. Bovendien nemen als gevolg van dit soort geweldsdelicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe. De rechtbank rekent de verdachte verder aan dat hij door zijn weigering ter zitting een verklaring af te leggen, geen inzicht gegeven heeft in zijn handelen en geen enkele verantwoording heeft genomen voor zijn aandeel in de overval.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan de diefstal van de sieraden van zijn oma. De emotionele waarde van deze sieraden kan niet in geld worden uitgedrukt en ze kunnen ook niet worden vervangen. De verdachte heeft door zijn handelen alleen aan zijn eigen geldelijk gewin gedacht en niet aan het verdriet dat hij zijn oma heeft aangedaan.

De verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn oma in hem had en bij wie de verdachte inwonend was. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/852102-14; 09/777177-14 (t.t.g.)

Datum uitspraak: 6 november 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedag]1996,

adres: [woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 23 oktober 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.A. Visser en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

09/852102-14

hij op of omstreeks 08 november 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg[plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een armband en/of een ketting en/of een mobiele telefoon en/of een portemonnee (met

inhoud) en/of een horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het richten en/of plaatsen van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op

(het hoofd, althans het lichaam van) die [slachtoffer 1] en/of

- het plaatsen en/of houden van een mes op/tegen de keel van die [slachtoffer 1] en/of

- het in de zakken voelen (fouilleren) van die [slachtoffer 1] en/of

- het slaan/stompen tegen de kaak, althans tegen het gezicht/hoofd, van die [slachtoffer 1] en/of

- het tegen die [slachtoffer 1] zeggen en/of roepen/schreeuwen dat hij ([slachtoffer 1]) (verschillende)

voorwerpen aan de verdachte en/of zijn mededader(s) moest (af)geven en/of "snel, snel, anders

schiet ik je neer" en/of "als je aangifte gaat doen bij de politie, dan ga ik je opzoeken en schiet ik je

neer", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

en/of

hij op of omstreeks 08 november 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg[plaats], met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een armband en/of een ketting en/of een mobiele telefoon en/of een portemonnee (met inhoud) en/of een horloge, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het richten en/of plaatsen van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op

(het hoofd, althans het lichaam van) die [slachtoffer 1] en/of

- het plaatsen en/of houden van een mes op/tegen de keel van die [slachtoffer 1] en/of

- het in de zakken voelen (fouilleren) van die [slachtoffer 1] en/of

- het slaan/stompen tegen de kaak, althans tegen het gezicht/hoofd, van die [slachtoffer 1] en/of

- het tegen die [slachtoffer 1] zeggen en/of roepen/schreeuwen dat hij ([slachtoffer 1]) (verschillende)

voorwerpen aan de verdachte en/of zijn mededader(s) moest (af)geven en/of "snel, snel, anders

schiet ik je neer" en/of "als je aangifte gaat doen bij de politie, dan ga ik je opzoeken en schiet ik je

neer", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art. 317 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 november 2013 of 9 november 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een telefoon (Samsung Galaxy S4) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die telefoon (Samsung Galaxy S4) wist, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

09/777177-14

hij op of omstreeks 14 januari 2014 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere sieradenbox(en) en/of diverse sieraden (waaronder één of meerdere ketting(en) en/of ring(en) en/of hanger(s) en/of armband(en)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Ten aanzien van parketnummer 09/852102-141

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 8 november 2013 tussen 17:00 en 17:15 uur heeft [slachtoffer 1] (verder: de aangever) via whatsapp afgesproken om [vriend 1] en [vriend 2], [vriend 3] (zijnde [vriend 3] en [vriend 4] (zijnde [verdachte]) in een park in Spoorwijk nabij de Amazonestraat te 's-Gravenhage te ontmoeten. In het park stond een groep jongens, waaronder [vriend 4], [vriend 3] en een meisje [vriendin] alsook een aantal Marokkaanse jongens. De aangever ging met [vriend 4], [vriend 1] en [vriend 2]een rondje lopen in het park. Op een gegeven moment wilde [vriendin] [vriend 1] en [vriend 2]spreken en verdwenen zij in de richting van een snackbar. De aangever bleef achter met [vriend 4] en [vriend 3]. Na ongeveer twee minuten kwam er een Marokkaanse jongen op [vriend 3] aflopen die de muts van [vriend 3]’s hoofd aftrok en wegrende, waarna [vriend 3] achter deze jongen aanrende.

[vriend 4] en de aangever bleven achter en opeens zag de aangever dat er vier Marokkanen naar hen toe kwamen lopen. Een van hen hield een pistool in zijn hand vast en richtte dat op de aangever. Hij maakte een trekkende beweging bovenop het pistool. De aangever hoorde een soort “tsjoek” geluid. Hij zag en voelde dat het pistool op zijn slaap aan de linkerzijde van zijn hoofd werd geplaatst. Een tweede Marokkaanse jongen hield een mes tegen zijn keel. Die zei dat hij al zijn spullen moest uittrekken. De aangever hoorde dat de Marokkaan met het pistool zei:” snel, snel, anders schiet ik je neer”. De aangever heeft zijn ketting en armband afgedaan. Zijn ring kon hij snel verstoppen. Over zijn jas zei de aangever dat die nep was. De derde Marokkaan voelde in zijn zakken en haalde zijn telefoon en portemonnee eruit. De OV kaart van de aangever hebben ze niet afgepakt en hij mocht zijn sleutels ook houden. Het horloge van de aangever van het merk Guess hebben ze ook afgenomen. De aangever voelde zich gedwongen om de spullen af te geven. Hij was bang dat hij anders werd neergeschoten.

De aangever zag en voelde dat de Marokkaan die niets bij zich had met zijn rechter vuist links tegen zijn kaak aansloeg. De Marokkaan met het pistool zei tegen de aangever:” Als je aangifte gaat doen bij de politie, dan ga ik je opzoeken en schiet ik je neer”.

De Marokkanen renden op een gegeven moment weg in de richting van de Alberdingk Thijmstraat en op dat moment kwam [vriend 3] terug, die vroeg wat er was gebeurd en die zei

dat hij zijn muts terug had.2

Bij een fotoconfrontatie waarbij de aangever een fotoselectie van 8 foto’s is getoond, wijst de aangever met grote zekerheid twee foto’s aan van personen die volgens hem aanwezig waren bij de overval. Een van deze foto’s betrof een foto van medeverdachte [medeverdachte 1]. Verder twijfelde de aangever bij de foto’s van twee andere personen.3

Later wordt de aangever een aantal foto’s getoond die de politie na onderzoek op Facebook heeft aangetroffen van de vermoedelijke daders van de overval. De aangever verklaart over foto’s van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat deze jongens bij de overval aanwezig waren.4

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte de daders van deze straatroof heeft aangestuurd en met ze heeft samengewerkt in een zodanige mate dat er sprake is van medeplegen en zo ja, hoe deze straatroof dient te worden gekwalificeerd.

Ten aanzien van 09/777177-14

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 14 januari 2014 zijn te Zoetermeer sieradenboxen en diverse sieraden weggenomen van mevrouw[slachtoffer 2] De verdachte heeft bekend dit feit te hebben gepleegd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/852102-14 primair onder het eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief en bij dagvaarding met parketnummer 09/777177-14 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 09/852102-14 primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe gesteld dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op een nauwe en bewuste wijze met de medeverdachten, zijnde de daders van de overval, heeft samengewerkt. Het bewijs is, aldus de raadsman, slechts gebaseerd op aannames en suggesties. De verklaring van de aangever levert, aldus de raadsman, geen enkel bewijs op dat de verdachte op een bewuste wijze met medeverdachten heeft samengewerkt. Dat de aangever dit vermoedt, omdat de verdachte zelf niet is beroofd is geen bewijs.

De verklaring van [heler] ziet voorts niet op de onderhavige feiten en voor deze verklaring is voorts geen steunbewijs, nu de verdachte deze verklaring onmiddellijk heeft weersproken. De medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]hebben verklaard de verdachte niet te kennen en de medeverdachte [medeverdachte 3]heeft alleen verklaard de verdachte op het Centraal Station te hebben gezien, maar niets van de heling van een mobiele telefoon te weten.

Ten aanzien van het zaak met parketnummer 09/852102-14 subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsman aan het oordeel van de rechtbank.

In de zaak met parketnummer 09/777177-14 voert de raadsman geen verweer nu de verdachte het feit heeft bekend.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Ten aanzien van parketnummer 09/852102-14

De aangever heeft bij zijn aangifte verklaard dat hij het vermoeden had dat het een plan van [vriend 3] en [vriend 4] was om hem te laten overvallen, omdat [vriend 4] niet is beroofd en tijdens de beroving rustig op zijn telefoon zat te kijken, terwijl hij ook een dure telefoon en ketting had en omdat [vriend 3] zijn muts terug had gekregen.5 [vriend 4] deed volgens de aangever niks toen hij, aangever, werd beroofd. Hij had niet de indruk dat [vriend 4] hem probeerde te helpen.6

De aangever heeft ook nog verklaard dat hij niet alleen met [vriend 4] afsprak, omdat hij hem niet vertrouwde. Hij keek altijd naar zijn sieraden en vroeg dan of ze echt waren.7

Naar aanleiding van voornoemde straatroof op 8 november 2013 heeft de politie een onderzoek ingesteld naar de historische verkeersgegevens van de weggenomen telefoon, de Samsung Galaxy S4.

Uit dat onderzoek bleek dat op 8 november 2013 tot en met 19:24:33 uur een simkaart met het telefoonnummer 06-38748373, zijnde het telefoonnummer van de aangever, in de telefoon zat en dat op 9 november 2013 te 01:11:15 uur een simkaart met het telefoonnummer 06-16868791 in de weggenomen telefoon was geplaatst.

Tevens bleken er op 9 november 2013 meerdere telefonische contacten te zijn geweest met dit telefoonnummer. Het nummer werd op bevel van de officier van justitie getapt over de periode van 27 november 2013 tot 10 december 2013.

Onderzoek van de getapte telefoongesprekken leverde op dat de gebruiker [heler] is genaamd.8

Op 14 januari 2014 wordt [heler] (verder: [heler]) buiten heterdaad aangehouden. Hij heeft verklaard dat hij de telefoon van [verdachte] heeft gekocht.

[verdachte] had tegen [heler] gezegd dat hij elke telefoon kon regelen en [heler] wilde een Samsung Galaxy hebben. [heler] verklaarde dat hij op een dag een berichtje kreeg van [verdachte] via Facebook en dat [verdachte] met hem wilde afspreken op het Centraal Station in Den Haag. [heler] sprak in de avond af rond 20:00 uur of 21:00 uur en toen hij op het Centraal Station kwam, zag hij [verdachte] met nog twee jongens staan. [verdachte] liet hem de telefoon zien en hij zag dat hij deze aan het resetten was. [heler] vond het een mooie telefoon en [verdachte] en hij liepen weg om onder vier ogen te praten en te pinnen. [heler] zag dat hij geen saldo had en toen zijn [verdachte] en hij teruggelopen. Toen [heler] [verdachte] en die twee jongens vroeg hoe ze aan de telefoon kwamen zei een van die jongens, een Turkse jongen volgens [heler], dat ze de telefoon van zo’n meid hadden gekanteld, daarmee wordt afgepakt bedoeld.

[verdachte] vroeg toen 350 euro voor de telefoon, maar die jongens zeiden 150. [verdachte] zei dat hij winst wilde maken en dat die andere jongens dat niet wisten.9

[heler] heeft verklaard dat [verdachte] tegen hem heeft gezegd hoe het kantelen in zijn werk gaat. [verdachte] spreekt met iemand af die een dure telefoon heeft en dan gaat hij met diegene chillen. Bij de volgende keer roept [verdachte] die twee jongens erbij en die pakken dan de telefoon af. [verdachte] doet dan net of hij niets kan doen om het slachtoffer te helpen.

[heler] verklaarde dat hij wist dat de telefoon die hij van [verdachte] had gekocht van diefstal afkomstig was. Verder heeft [heler] verklaard dat hij twee uur bezig geweest is met het aanzetten van de telefoon en dat het een uur of één ’s nachts was dat de mobiele telefoon uiteindelijk aanging.10

[verdachte] wordt op 15 januari 2014 buiten heterdaad aangehouden.

Hij heeft verklaard dat op het moment dat [vriend 3] achter de jongen aanrende die zijn muts van zijn hoofd heeft getrokken, er links en rechts mensen uit de bosjes kwamen die op [slachtoffer 1] en hem kwamen aflopen. Een van die jongens kwam met een mes op hem aflopen terwijl de andere drie naar [slachtoffer 1] liepen. [verdachte] verklaarde dat hij op de dwarsbalk van een goaltje moest gaan zitten en dat hij zag dat de jongens [slachtoffer 1] fouilleerden. Degene met een pistool die bij [slachtoffer 1] stond en de jongen met het mes die bij hem stond wisselden van plek. [verdachte] verklaarde dat hij wilde opstaan om [slachtoffer 1] te helpen, maar dat er toen een tweede jongen bij hem kwam staan. [verdachte] wilde opstaan, omdat hij zag dat [slachtoffer 1] een klap op zijn hoofd of zijn kaak kreeg. De jongens zeiden tegen [verdachte]: je geld, je spullen en ga zitten en verder niets. Ze spraken met een Marokkaans of Turks accent. [verdachte] verklaarde niet te weten waarom hij niets af heeft hoeven geven en [slachtoffer 1] wel.11

[verdachte] heeft voorts verklaard dat hij één van de daders uit de wijk kent. Zijn naam is [medeverdachte 1] en het is een Bulgaarse jongen. [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer 1] volgens [verdachte] een klap gegeven en riep, net als de anderen, dat hij geld wilde. [verdachte] verklaarde dat de ouders van [slachtoffer 1] hem hebben gevraagd of hij niet kon proberen de spullen van [slachtoffer 1] terug te krijgen. [verdachte] heeft ook verklaard dat hij twee of drie dagen na de overval [medeverdachte 1] toevallig tegen kwam bij het boodschappen doen. [verdachte] heeft toen aan [medeverdachte 1] gevraagd de telefoon te geven, waarna [medeverdachte 1] dat ook heeft gedaan. Op dat moment had [verdachte] de telefoon van [slachtoffer 1] in zijn bezit.

Omdat hij door de vader van [slachtoffer 1] werd bedreigd, heeft [verdachte] de telefoon niet terug gegeven, maar verkocht hij deze aan [heler].12

Via Facebook heeft hij met [heler] een afspraak gemaakt op het Centraal Station in Den Haag om hem de Samsung Galaxy te verkopen voor 350 euro. [verdachte] heeft verklaard dat hij op het Centraal Station twee jongens tegenkwam die hij kent uit de Spoorwijk, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].13

In een latere verklaring heeft [verdachte] nog verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ook bij de overval waren samen met [medeverdachte 1] en nog een vierde jongen. [medeverdachte 1] had het pistool, de vierde jongen had het mes en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] schreeuwden om geld.14

Onderzoek door de politie leverde de volgende bevindingen op. [medeverdachte 1] van Bulgaarse afkomst is[medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] is [medeverdachte 2] Naddari en [medeverdachte 3] is [medeverdachte 3].15

Deze drie jongens worden vervolgens ook als verdachten aangemerkt, maar beroepen zich op hun zwijgrecht, dan wel ontkennen ook maar iets met deze straatroof dan wel de overdracht van de mobiele telefoon te maken te hebben gehad. [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] herkennen zichzelf en de anderen wel op de foto’s die de politie van Facebook heeft gehaald.16

De verklaring van de verdachte bij de politie, voor zover relevant, is hiervoor reeds opgenomen. De verdachte heeft op de Facebookfoto’s de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangewezen17 als zijnde de daders van de overval samen met een onbekende vierde man.

Ter terechtzitting heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank is, gelet op de aangifte, de aanvullende verklaringen van aangever en alle andere verklaringen die hiervoor reeds zijn weergegeven, van oordeel dat de verdachte

wel degelijk betrokken is geweest bij de beroving van de aangever [slachtoffer 1] [slachtoffer 1],

hoewel hij geen fysiek aandeel heeft gehad in de beroving.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde beroving een geplande actie was op de wijze die door [heler] als ‘kantelen’ is omschreven, waarbij de verdachte onder meer de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft ingeschakeld om de aangever te overvallen, terwijl hij op dat moment zelf zogenaamd één van de slachtoffers was.

Uit de verklaring van [vriend 3] blijkt ook dat er sprake was van een spelletje dat met de aangever werd gespeeld door alle verdachten. In dit verband heeft [vriend 3] de naam van verdachte expliciet genoemd.18

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte de initiator van de beroving was. Hij heeft voorafgaand aan de beroving contact gehad met degene die uiteindelijk de telefoon gekocht heeft en gezegd dat hij een telefoon kon regelen, de beroving voorbereid, contact gezocht met de aangever en hem naar de plek van de overval gelokt.

De rechtbank ziet zich gesterkt in haar overtuiging door de omstandigheid dat de verdachte enkele uren na de overval op het Centraal Station de buit gemaakte telefoon aan [heler] heeft verkocht, zoals hij zelf ook bij de politie heeft verklaard. De verdachte heeft dus ook in de buit gedeeld.

De verdachte heeft ter zitting geen enkele aannemelijk verklaring gegeven hoe hij in het bezit van deze gestolen mobiele telefoon zou zijn gekomen. De rechtbank acht de door de verdachte geschetste gang van zaken dat een van de overvallers, die hij nota bene al kende, de telefoon aan de verdachte heeft afgestaan om terug te geven aan de aangever, weinig aannemelijk. Bovendien is de verklaring van de verdachte dat hij twee of drie dagen later in het bezit gekomen is van de mobiele telefoon kennelijk leugenachtig. Uit onderzoek naar de verkeersgegevens van de telefoon is immers gebleken dat de simkaart van aangever op

8 november 2013 om 19:24:33 uur uit de telefoon verwijderd is en dat de simkaart van [heler] op 9 november 2013 om 01:11:15 uur in de telefoon geplaatst is. De tijdstippen van het verwijderen en het plaatsen van de simkaarten vallen min of meer samen met de tijdstippen waarop [heler] de telefoon van de verdachte ontvangen heeft (naar eigen zeggen rond 20:00 of 21:00 uur) en waarop [heler] de telefoon in gebruik genomen heeft (naar eigen zeggen rond 1:00 uur).

Hieruit concludeert de rechtbank dat de verdachte de telefoon op de avond van de overval heeft overgedragen aan [heler] en niet, zoals hij zelf heeft verklaard, minimaal twee á drie dagen na de overval.

De rechtbank concludeert dan ook, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie dienaangaande, dat de omstandigheid dat de verdachte kort na de overval al over de gestolen mobiele telefoon beschikte in samenhang met het feit dat hij daarvoor geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, voldoende wettig bewijs oplevert dat de verdachte met de beroving te maken heeft gehad.

Hier komt nog bij dat [vriend 3] bij de politie heeft verklaard dat alles gespeeld was die dag door [verdachte] en de andere jongens. Ook [heler] heeft verklaard wat [verdachte] hem verteld heeft hoe het ‘kantelen van een telefoon’ verloopt. Deze verklaringen bevestigen het vermoeden van de aangever dat hij door de verdachte in de val gelokt is. Dit alles, in combinatie met de omstandigheid dat [heler] een telefoon bij de verdachte heeft ‘besteld’, de verdachte de gestolen telefoon in zijn bezit heeft gekregen en enkele uren na de overval heeft overgedragen aan [heler], maakt dan ook dat de verdachte een initiërende en actieve rol in de overval gehad heeft.

Gelet op alle feiten en omstandigheden is er, naar het oordeel van de rechtbank, sprake geweest van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten dat er sprake is van medeplegen. In de op te leggen straf zal het aandeel van verdachte tot uitdrukking worden gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de mobiele telefoon en portemonnee van aangever zijn weggenomen, nu deze buit zijn gemaakt doordat in de zakken van de aangever is gevoeld. Ten aanzien van deze goederen is, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook het primair

eerste cumulatief/alternatief wettig en overtuigend bewezen.

De aangever is voorts gedwongen door geweld en bedreiging met geweld zijn armband, ketting en horloge af te geven waardoor, naar het oordeel van de rechtbank, ten aanzien van deze goederen het primair tweede cumulatief/ alternatief wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van parketnummer 09-777177-1419

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 20 januari 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] met als bijlage de lijst van weggenomen goederen (pagina 3 tot en met 9);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster,

d.d. 17 februari 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] (pagina 12 tot en met 13);

  • -

    een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 april 2014, inhoudende een beschrijving van de verklaring van [bedrijf], met als bijlage een foto waarop de voor de sieraden aan verdachte verstrekte bedragen staan vermeld (pagina 17 tot en met 18);

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] medewerker van de [bedrijf], d.d. 19 februari 2014 (pagina 19 tot en met 20);

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte,

d.d. 18 maart 2014, inhoudende een deels bekennende verklaring (pagina 25 tot en met 29);

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 9 juni 2014, inhoudende een bekennende verklaring (pagina 34 tot en met 35), welke bekennende verklaring ter terechtzitting van 23 oktober 2014 door verdachte is bevestigd, zoals vermeld in een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de terechtzitting.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

09/852102-14

hij op 08 november 2013 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, aan de openbare weg[plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en een portemonnee (met inhoud), toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit:

- het richten en plaatsen van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het

hoofd van die [slachtoffer 1] en

- het plaatsen en houden van een mes op de keel van die [slachtoffer 1] en

- het in de zakken voelen (fouilleren) van die [slachtoffer 1] en

- het stompen tegen de kaak van die [slachtoffer 1] en

- het tegen die [slachtoffer 1] zeggen en roepen/schreeuwen dat hij ([slachtoffer 1]) (verschillende)

voorwerpen aan de verdachte en zijn mededaders moest (af)geven en "snel, snel, anders schiet ik je

neer" en "als je aangifte gaat doen bij de politie, dan ga ik je opzoeken en schiet ik je neer";

en

hij op 08 november 2013 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, aan de openbare weg[plaats], met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een armband en een ketting en een horloge, toebehorende aan [slachtoffer 1], welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit:

- het richten en plaatsen van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het

hoofd van die [slachtoffer 1] en

- het plaatsen en houden van een mes op de keel van die [slachtoffer 1] en

- het stompen tegen de kaak van die [slachtoffer 1] en

- het tegen die [slachtoffer 1] zeggen en roepen/schreeuwen dat hij ([slachtoffer 1]) (verschillende)

voorwerpen aan de verdachte en zijn mededaders moest (af)geven en "snel, snel, anders schiet ik je

neer" en "als je aangifte gaat doen bij de politie, dan ga ik je opzoeken en schiet ik je neer";

09/777177-14

hij op 14 januari 2014 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sieradenboxen en diverse sieraden (waaronder kettingen en ringen en hangers en armbanden), toebehorende aan[slachtoffer 2]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat ook in de zaak met parketnummer 09/777177-14 het jeugdstrafrecht zal worden toegepast en dat de verdachte ten aanzien van beide zaken wordt veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, alsmede tot jeugddetentie voor de duur van

2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

In de zaak met parketnummer 09/777177-14 heeft de raadsman toepassing van het jeugdstrafrecht bepleit en de rechtbank voorts verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte uit nood heeft gehandeld, omdat het in de thuissituatie slecht ging en hij de drang voelde om voor zijn moeder en broertjes te zorgen.

Voorts dient bij oplegging van de straf rekening te worden gehouden met het feit dat de verdachte na een moeilijke periode zijn leven weer op de rit heeft en daarom verzoekt de raadsman de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof op de openbare weg. Van de aangever is onder bedreiging van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en een mes zijn mobiele telefoon en portemonnee weggenomen en hij is gedwongen zijn armband, ketting en horloge af te geven.

Het pistool is op zijn hoofd gericht en het mes is tegen zijn keel geplaatst en gehouden.

De beroving was een angstige ervaring voor het slachtoffer en heeft blijkens de toelichting bij de vordering benadeelde partij een enorme impact op hem gehad.

Het is een feit van algemene bekendheid dat personen die op dergelijke gewelddadige wijze worden beroofd daar vaak nog lange tijd psychische klachten en gevoelens van angst en van onveiligheid aan overhouden. De omstandigheid dat de beroving een gepland karakter heeft gehad, waarbij de verdachte, die de aangever reeds eerder kende, degene is geweest die aangever onder valse voorwendselen naar de plek van de overval heeft gelokt, maakt dat de verdachte het vertrouwen van een bekende van hem ernstig misbruikt heeft. De rechtbank zal dit als strafverzwarend meewegen. Bovendien nemen als gevolg van dit soort geweldsdelicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe. De rechtbank rekent de verdachte verder aan dat hij door zijn weigering ter zitting een verklaring af te leggen, geen inzicht gegeven heeft in zijn handelen en geen enkele verantwoording heeft genomen voor zijn aandeel in de overval.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan de diefstal van de sieraden van zijn oma. De emotionele waarde van deze sieraden kan niet in geld worden uitgedrukt en ze kunnen ook niet worden vervangen. De verdachte heeft door zijn handelen alleen aan zijn eigen geldelijk gewin gedacht en niet aan het verdriet dat hij zijn oma heeft aangedaan.

De verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn oma in hem had en bij wie de verdachte inwonend was. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij nog niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank zal in de zaak met parketnummer 09/777177-14 het jeugdstrafrecht toepassen. De verdachte had ten tijde van het plegen van dit feit immers net een paar dagen de leeftijd van achttien jaar bereikt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming

d.d. 28 augustus 2014. Blijkens dit rapport is het algemeen recidiverisico midden en zijn er bij de verdachte op dat moment geen duidelijke zorgpunten naar voren gekomen die kunnen worden aangepakt om de kans op recidive te verkleinen. Er is sprake van een zeer recente positieve ontwikkeling van de verdachte na een moeizame periode. Van belang is dat hij deze positieve ontwikkeling weet vast te houden. Aandachtspunt is wel de schoolgang en als het feit bewezen is, zijn morele ontwikkeling. Geadviseerd wordt aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de Raad voor de Kinderbescherming uit voornoemd rapport.

Tijdens de behandeling ter zitting is door de deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming meegedeeld dat het op alle leefgebieden nog steeds positief lijkt te gaan, maar dat het wel ernstige feiten betreft. De relatie van de verdachte met zijn vader en oma is een punt van aandacht alsook zijn schulden, maar de reclassering is niet de aangewezen instantie om hiermee aan de slag te gaan, vandaar dat dit ook niet is geadviseerd.

De verdachte heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard op dit moment de opleiding verkoopspecialist bij het ID college in Zoetermeer te volgen, na gedurende de zomer full time in een kledingzaak te hebben gewerkt. De verdachte heeft voorts aangegeven van zijn studiefinanciering te leven en dat hij thans geen tijd heeft voor een bijbaantje.

De rechtbank is van oordeel dat alleen al voor de straatroof, in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie van een behoorlijke duur op zijn plaats zou zijn. Daar komt nog bij dat verdachte zijn eigen oma bestolen heeft. Ook dit strafbare feit dient met een forse straf beantwoord te worden. Gelet echter op het tijdsverloop tussen de bewezenverklaarde feiten en de behandeling ter zitting, alsook gelet op voornoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, ziet de rechtbank aanleiding om geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, maar de verdachte te veroordelen tot de maximale onvoorwaardelijke taakstraf.

Teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden, ziet de rechtbank voorts aanleiding een voorwaardelijke jeugddetentiestraf op te leggen.

Nu begeleiding door de reclassering niet is geadviseerd noch door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank dit ook niet opleggen.

De ernst van de straatroof, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de verdachte het brein achter de overval is geweest en een vriend heeft laten beroven door de medeverdachten,

en de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting geen aannemelijke verklaring heeft willen afleggen brengen de rechtbank ertoe een zwaardere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

Vordering [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/852102-14 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.222,55. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot

€ 122,55, bestaande uit eigen risico (post 1) en reiskosten (post 2) en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 2.100,- (post 4), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met toewijzing van de wettelijke rente.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

7.1.2

Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is primair vanwege de bepleite vrijspraak verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Subsidiair is dezelfde conclusie getrokken bij gebrek aan onderbouwing van de vordering.

Meer subsidiair is bepleit dat, indien de rechtbank aan inhoudelijke toetsing van de vordering mocht toekomen, de post eigen risico mobiele telefoon dient te worden afgewezen, evenals de post reiskosten. Ten aanzien van het fysieke letsel geeft de raadsman voorts aan dat op basis van de medische historie van de huisarts niet vast staat dat de huidige kaakklachten verband houden met het toegepaste geweld bij het incident van november 2013. Het gestelde psychische letsel is voorts, aldus de raadsman, niet onderbouwd en de vordering dient terzake van de immateriële schade dan ook te worden afgewezen.

7.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is namens de verdachte betwist, maar naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de primair onder het eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feiten.

Materiële schade

De rechtbank acht het deel van de vordering met betrekking tot de materiële schade, te weten een totaal bedrag van € 122,55, toewijsbaar.

Immateriële schade

De rechtbank acht als vergoeding ter zake van immateriële schade naar billijkheid een bedrag van in totaal € 1.000,- toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de primair onder het eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feiten.

Totaal toegewezen bedrag

De rechtbank zal de vordering derhalve ten laste van de verdachte hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 1.122,55, met dien verstande dat hetgeen door de mededaders voldaan is in mindering dient te strekken op de betalingsverplichting van verdachte.

Wettelijke rente

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 8 november 2013 is ontstaan.

Beslissing overige deel van de vordering

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Kostenveroordeling

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de primair onder het eerste cumulatief/alternatief en het tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.122,55, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1].

7.2

Vordering[slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/777177-14 als benadeelde partij gevoegd en mondeling ter terechtzitting haar vordering aangevuld, in die zin dat zij thans

vergoeding van de geleden schade ad € 2.272,- vordert.

7.2.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ten bedrage van € 2.272,-. Subsidiair heeft de officier van justitie het los opleggen van schadevergoedingsmaatregel dan wel verbeurdverklaring van het bedrag gevorderd. Meer subsidiair kondigt de officier van justitie aan voornemens te zijn

te gelegener tijd een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

7.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting meegedeeld dat de verdachte bereid is de schade te vergoeden, zij het bij voorkeur in gedeelten.

7.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De mondeling ter terechtzitting aangevulde vordering is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het in de zaak met parketnummer 09/777174-14 bewezenverklaarde feit.

Toegewezen bedrag

De rechtbank zal de vordering derhalve ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 2.272,-.

Termijnbetaling

De rechtbank bepaalt dat het bedrag ad € 2.272,- in 10 opeenvolgende maandelijkse termijnen van elk € 227,20 mag worden betaald.

Kostenveroordeling

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in de zaak met parketnummer 09/777174-14 bewezenverklaarde feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.272,-, ten behoeve van het slachtoffer genaamd[slachtoffer 2][slachtoffer 2]

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

24, 24a, 36f, 77a, 77c, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/852102-14 primair onder het eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief en bij dagvaarding met parketnummer 09/777177-14 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

09/852102-14

primair eerste cumulatief/alternatief

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD EN GEVOLGD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN EN OM BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF OF ANDERE DEELNEMERS VAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN OP DE OPENBARE WEG

primair tweede cumulatief/alternatief

AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN OP DE OPENBARE WEG

09/777177-14 (t.t.g.)

DIEFSTAL

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 200 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 100 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

en voorts tot

jeugddetentie voor de duur van 2 MAANDEN

bepaalt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

ten aanzien van parketnummer 09/852102-14 primair

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 1.122,55 , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door (de ouders van) zijn mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.122,55, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2013

tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door (de ouders van) de mededaders aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

ten aanzien van parketnummer 09/777177-14

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2][slachtoffer 2] een bedrag van € 2.272,-;

bepaalt dat het bedrag ad € 2.272,- in 10 opeenvolgende maandelijkse termijnen van elk

€ 227,20 mag worden betaald;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2.272,-, ten behoeve van het slachtoffer genaamd[slachtoffer 2][slachtoffer 2];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C. Hartendorp, kinderrechter, voorzitter,

mr. P. de Haan, kinderrechter,

en mr. J.A.H.M. Janssen, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 november 2014.

Mr. Janssen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Haaglanden, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1531-2013220346, met bijlagen, doorgenummerd van bladzijde 1 tot en met bladzijde 268.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pagina 21 tot en met 23.

3 Proces-verbaal confrontatie ter opsporing van een onbekende dader met de getuige, pagina 191 en 192.

4 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 1], pagina 141 en 142.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pagina 21 tot en met 23.

6 Proces-verbaal aanvullende verhoor aangever [slachtoffer 1], pagina 31, tweede alinea.

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pagina 22, tweede alinea.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 49 en 50.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [heler], pagina 64.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [heler], pagina 66.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte[verdachte], pagina 156.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte[verdachte], pagina 158 en 159.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte[verdachte], pagina 160 onderaan en 161 bovenaan.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte[verdachte], pagina 178, halverwege.

15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 164 en 165.

16 Proces-verbaal van bevindingen, met als bijlagen de 6 foto’s, pagina 230 tot en met 237.

17 Proces-verbaal verhoor verdachte[verdachte], pagina 177.

18 Proces-verbaal verhoor verdachte [vriend 3], pagina 264.

19 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Haaglanden, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1551-2014013892 met bijlagen, doorgenummerd van bladzijde 1 tot en met bladzijde 35.