Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13562

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
777069-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdrecht- Promis

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof op de openbare weg. Van de aangever is onder bedreiging van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en een mes zijn mobiele telefoon en portemonnee weggenomen en hij is gedwongen zijn armband, ketting en horloge af te geven.

Het pistool is op zijn hoofd gericht en het mes is tegen zijn keel geplaatst en gehouden.

De beroving was een angstige ervaring voor het slachtoffer en heeft blijkens de toelichting bij de vordering benadeelde partij een enorme impact op hem gehad.

Het is een feit van algemene bekendheid dat personen die op dergelijke gewelddadige wijze worden beroofd daar vaak nog lange tijd psychische klachten en gevoelens van angst en van onveiligheid aan overhouden. De omstandigheid dat de beroving een gepland karakter heeft gehad, zal de rechtbank als strafverzwarend meewegen.

Bovendien nemen als gevolg van dit soort geweldsdelicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

De verdachte heeft zich voorts samen met anderen schuldig gemaakt aan verduistering. Verdachte en zijn medeverdachten waren enkel uit op geldelijk gewin toen zij het horloge wegnamen en hebben zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen die hun gedrag voor het slachtoffer had.

De belediging van de politieambtenaren, waaraan de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt, rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Deze politieambtenaren hebben een publieke taak, die zij met respect en zonder problemen zouden moeten kunnen uitvoeren. Deze omstandigheid is dan ook strafverzwarend. De bedreiging van politieambtenaren betekent bovendien een ondermijning van het openbaar gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777069-14; 09/032818-14 (t.b.g.); 09/763011-14 (t.b.g.)

Datum uitspraak: 6 november 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

adres: [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 23 oktober 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.A. Visser en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. P. Celikkal, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 november 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg ([plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een armband en/of een ketting en/of een mobiele telefoon en/of een portemonnee (met

inhoud) en/of een horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het richten en/of plaatsen van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op

(het hoofd, althans het lichaam van) die [slachtoffer 1] en/of

- het plaatsen en/of houden van een mes op/tegen de keel van die [slachtoffer 1] en/of

- het in de zakken voelen (fouilleren) van die [slachtoffer 1] en/of

- het slaan/stompen tegen de kaak, althans tegen het gezicht/hoofd, van die [slachtoffer 1] en/of

- het tegen die [slachtoffer 1] zeggen en/of roepen/schreeuwen dat hij ([slachtoffer 1]) (verschillende)

voorwerpen aan de verdachte en/of zijn mededader(s) moest (af)geven en/of "snel, snel, anders

schiet ik je neer" en/of "als je aangifte gaat doen bij de politie, dan ga ik je opzoeken en schiet ik je

neer", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

en/of

hij op of omstreeks 08 november 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg[plaats] met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een armband en/of een ketting en/of een mobiele telefoon en/of een portemonnee (met inhoud) en/of een horloge, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het richten en/of plaatsen van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op

(het hoofd, althans het lichaam van) die [slachtoffer 1] en/of

- het plaatsen en/of houden van een mes op/tegen de keel van die [slachtoffer 1] en/of

- het in de zakken voelen (fouilleren) van die [slachtoffer 1] en/of

- het slaan/stompen tegen de kaak, althans tegen het gezicht/hoofd, van die [slachtoffer 1] en/of

- het tegen die [slachtoffer 1] zeggen en/of roepen/schreeuwen dat hij ([slachtoffer 1]) (verschillende)

voorwerpen aan de verdachte en/of zijn mededader(s) moest (af)geven en/of "snel, snel, anders

schiet ik je neer" en/of "als je aangifte gaat doen bij de politie, dan ga ik je opzoeken en schiet ik je

neer", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art. 317 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

ter berechting gevoegd 09/032818-14

hij op of omstreeks 25 juli 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge (merk G-shock, kleur rood), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 juli 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten in bruikleen en/of door tijdelijk van die Ileri in handen te hebben gekregen om het horloge te bekijken, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

ter berechting gevoegd 09.763011.14

hij op of omstreeks 06 april 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten[verbalisant 1] en/of [verbalisant 2], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten surveillancedienst/noodhulp in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankerhonden" en/of "kanker zelf op, kankerpolitie", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

Feit 11

3.1

Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 8 november 2013 tussen 17:00 en 17:15 uur heeft [slachtoffer 1](verder: de aangever) via whatsapp afgesproken om [vriend 1] en [vriend 2], [vriend 3] (zijnde [vriend 3]) en [vriend 4] (zijnde [vriend 4]) in een park in Spoorwijk nabij de Amazonestraat te 's-Gravenhage te ontmoeten. In het park stond een groep jongens, waaronder [vriend 4], [vriend 3] en een meisje [vriendin] alsook een aantal Marokkaanse jongens. De aangever ging met [vriend 4], [vriend 1] en [vriend 2] een rondje lopen in het park. Op een gegeven moment wilde [vriendin], [vriend 1] en [vriend 2] spreken en verdwenen zij in de richting van een snackbar. De aangever bleef achter met [vriend 4] en [vriend 3]. Na ongeveer twee minuten kwam er een Marokkaanse jongen op [vriend 3] aflopen die de muts van [vriend 3]'s hoofd aftrok en wegrende, waarna [vriend 3] achter deze jongen aanrende.

[vriend 4] en de aangever bleven achter en opeens zag de aangever dat er vier Marokkanen naar hen toe kwamen lopen. Een van hen hield een pistool in zijn hand vast en richtte dat op de aangever. Hij maakte een trekkende beweging bovenop het pistool. De aangever hoorde een soort “tsjoek” geluid. Hij zag en voelde dat het pistool op zijn slaap aan de linkerzijde van zijn hoofd werd geplaatst. Een tweede Marokkaanse jongen hield een mes tegen zijn keel. Die zei dat hij al zijn spullen moest uittrekken. De aangever hoorde dat de Marokkaan met het pistool zei:” snel, snel, anders schiet ik je neer”. De aangever heeft zijn ketting en armband afgedaan. Zijn ring kon hij snel verstoppen. Over zijn jas zei de aangever dat die nep was. De derde Marokkaan voelde in zijn zakken en haalde zijn telefoon en portemonnee eruit.

De overvallers hebben de OV-kaart van aangever niet afgepakt en aangever mocht zijn sleutels ook houden. Het horloge van de aangever van het merk Guess hebben ze ook afgenomen. De aangever voelde zich gedwongen om de spullen af te geven. Hij was bang dat hij anders werd neergeschoten.

De aangever zag en voelde dat de Marokkaan die niets bij zich had met zijn rechter vuist links tegen zijn kaak aansloeg. De Marokkaan met het pistool zei tegen de aangever:” Als je aangifte gaat doen bij de politie, dan ga ik je opzoeken en schiet ik je neer”.

De Marokkanen renden op een gegeven moment weg in de richting van de Alberdingk Thijmstraat en op dat moment kwam [vriend 3] terug, die vroeg wat er was gebeurd en die zei

dat hij zijn muts terug had.2

Bij een fotoconfrontatie waarbij de aangever een fotoselectie van acht foto's is getoond, wijst de aangever met grote zekerheid twee foto's aan van personen die volgens hem aanwezig waren bij de overval. Een van deze foto's betrof een foto van medeverdachte [medeverdachte 1]. Verder twijfel de aangever bij de foto's van twee andere personen.3

Later wordt de aangever een aantal foto’s getoond die de politie na onderzoek op Facebook heeft aangetroffen van de vermoedelijke daders van de overval. De aangever verklaart over de foto's van[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat deze jongens bij de overval aanwezig waren.4

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte één van de daders van deze straatroof is geweest en zo ja, hoe deze straatroof dient te worden gekwalificeerd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat de beide verklaringen van de aangever niet consistent zijn en zelfs op essentiële onderdelen tegenstrijdig zijn. Bovendien was het, aldus de raadsvrouw, donker toen de aangever werd beroofd en het kan hierdoor goed mogelijk zijn dat hij de verdachte niet goed heeft kunnen zien. Er dient dan ook aan de juistheid van de verklaringen van de aangever worden getwijfeld.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 voorts aangevoerd dat de belastende verklaring van medeverdachte [vriend 4] van het bewijs moet worden uitgesloten, nu deze onbetrouwbaar is en hij heeft gelogen tegen de politie.

De raadsvrouw heeft voorts aangegeven dat de foto waarop de verdachte een peaceteken maakt, foto 4, en waarop [vriend 4] de verdachte herkent, niet in haar stukken aanwezig is.

Bovendien zijn, aldus gesteld, ten aanzien van de confrontatie van de aangever met de foto’s van de verdachte geen onderbouwende stukken aanwezig, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de aangever de verdachte op deze foto’s heeft herkend.

De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat, gelet op al hetgeen uit het dossier naar voren komt, de onbetrouwbaarheid van de belastende verklaring van de medeverdachte [vriend 4], de onzekerheid over de herkenning van de verdachte door de aangever en het verder ontbreken van direct bewijs, vrijspraak van feit 1 dient te volgen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

De aangever heeft bij zijn aangifte verklaard dat hij het vermoeden had dat het een plan van [vriend 3] en [vriend 4] was om hem te laten overvallen, omdat [vriend 4] niet is beroofd en tijdens de beroving rustig op zijn telefoon zat te kijken, terwijl hij ook een dure telefoon en ketting bij zich had en omdat [vriend 3] zijn muts terug had gekregen.5 [vriend 4] deed volgens de aangever niks toen hij, aangever, werd beroofd. Hij had niet de indruk dat [vriend 4] hem probeerde te helpen.6

De aangever heeft ook nog verklaard dat hij niet alleen met [vriend 4] afsprak, omdat hij hem niet vertrouwde. Hij keek altijd naar zijn sieraden en vroeg dan of ze echt waren.7

Naar aanleiding van voornoemde straatroof op 8 november 2013 heeft de politie een onderzoek ingesteld naar de historische verkeersgegevens van de weggenomen telefoon, de Samsung Galaxy S4.

Uit dat onderzoek bleek dat op 8 november 2013 tot en met 19:24:33 uur een simkaart met het telefoonnummer 06-38748373, zijnde het telefoonnummer van de aangever, in de telefoon zat en dat op 9 november 2013 te 01:11:15 uur een simkaart met het telefoonnummer 06-16868791 in de weggenomen telefoon was geplaatst.

Tevens bleken er op 9 november 2013 meerdere telefonische contacten te zijn geweest met dit telefoonnummer. Het nummer werd op bevel van de officier van justitie getapt over de periode van 27 november 2013 tot 10 december 2013.

Onderzoek van de getapte telefoongesprekken leverde op dat de gebruiker [heler] is genaamd.8

Op 14 januari 2014 wordt [heler] (verder: [heler] buiten heterdaad aangehouden. Hij heeft verklaard dat hij de telefoon van [vriend 4] heeft gekocht.

[vriend 4] had tegen [heler] gezegd dat hij elke telefoon kon regelen en [heler] wilde een Samsung Galaxy hebben. [heler] verklaarde dat hij op een dag een berichtje kreeg van [vriend 4] via Facebook en dat [vriend 4] met hem wilde afspreken op het Centraal Station in Den Haag. [heler] sprak in de avond af rond 20:00 uur of 21:00 uur en toen hij op het Centraal Station kwam, zag hij [vriend 4] met nog twee jongens staan. [vriend 4] liet hem de telefoon zien en hij zag dat hij deze aan het resetten was. [heler] vond het een mooie telefoon en [vriend 4] en hij liepen weg om onder vier ogen te praten en te pinnen. [heler] zag dat hij geen saldo had en toen zijn [vriend 4] en hij teruggelopen. Toen [heler] [vriend 4] en die twee jongens vroeg hoe ze aan de telefoon kwamen zei een van die jongens, een Turkse jongen volgens [heler], dat ze de telefoon van zo’n meid hadden gekanteld, daarmee wordt afgepakt bedoeld.

[vriend 4] vroeg toen 350 euro voor de telefoon, maar die jongens zeiden 150. [vriend 4] zei dat hij winst wilde maken en dat die andere jongens dat niet wisten.9

[heler] heeft verklaard dat [vriend 4] tegen hem heeft gezegd hoe het kantelen in zijn werk gaat. [vriend 4] spreekt met iemand af die een dure telefoon heeft en dan gaat hij met diegene chillen. Bij de volgende keer roept [vriend 4] die twee jongens erbij en die pakken dan de telefoon af. [vriend 4] doet dan net of hij niets kan doen om het slachtoffer te helpen.

[heler] verklaarde dat hij wist dat de telefoon die hij van [vriend 4] had gekocht van diefstal afkomstig was. Verder heeft [heler] verklaard dat hij twee uur bezig geweest is met het aanzetten van de telefoon en dat het om een uur of één 's nachts was dat de mobiele telefoon uiteindelijk aanging.10

[vriend 4] wordt op 15 januari 2014 buiten heterdaad aangehouden.

Hij heeft verklaard dat op het moment dat [vriend 3] achter de jongen aanrende die zijn muts van zijn hoofd heeft getrokken, er links en rechts mensen uit de bosjes kwamen die op [slachtoffer 1] en hem kwamen aflopen. Een van die jongens kwam met een mes op hem aflopen terwijl de andere drie naar [slachtoffer 1] liepen. [vriend 4] verklaarde dat hij op de dwarsbalk van een goaltje moest gaan zitten en dat hij zag dat de jongens [slachtoffer 1] fouilleerden. Degene met een pistool die bij [slachtoffer 1] stond en de jongen met het mes die bij hem stond wisselden van plek. [vriend 4] verklaarde dat hij wilde opstaan om [slachtoffer 1] te helpen, maar dat er toen een tweede jongen bij hem kwam staan. [vriend 4] wilde opstaan, omdat hij zag dat [slachtoffer 1] een klap op zijn hoofd of zijn kaak kreeg. De jongens zeiden tegen [vriend 4]: je geld, je spullen en ga zitten en verder niets. Ze spraken met een Marokkaans of Turks accent. [vriend 4] verklaarde niet te weten waarom hij niets af heeft hoeven geven en [slachtoffer 1] wel.11

[vriend 4] heeft voorts verklaard dat hij één van de daders uit de wijk kent. Zijn naam is [medeverdachte 1] en het is een Bulgaarse jongen. [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer 1] volgens [vriend 4] een klap gegeven en riep, net als de anderen, dat hij geld wilde. [vriend 4] verklaarde dat de ouders van [slachtoffer 1] hem hebben gevraagd of hij niet kon proberen de spullen van [slachtoffer 1] terug te krijgen. [vriend 4] heeft ook verklaard dat hij twee of drie dagen na de overval [medeverdachte 1] toevallig tegenkwam bij het boodschappen doen. [vriend 4] heeft toen aan [medeverdachte 1] gevraagd de telefoon te geven, waarna [medeverdachte 1] dat ook heeft gedaan. Op dat moment had [vriend 4] de telefoon van [slachtoffer 1] in zijn bezit.

Omdat hij door de vader van [slachtoffer 1] werd bedreigd, heeft [vriend 4] de telefoon niet terug gegeven, maar verkocht hij deze aan [heler].12

Via Facebook heeft hij met [heler] een afspraak gemaakt op het Centraal Station in Den Haag om hem de Samsung Galaxy te verkopen voor 350 euro. [vriend 4] heeft verklaard dat hij op het Centraal Station twee jongens tegenkwam die hij kent uit de Spoorwijk, [verdachte] en [medeverdachte 3]13

In een latere verklaring heeft [vriend 4] nog verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte 3] ook bij de overval waren samen met [medeverdachte 1] en nog een vierde jongen. [medeverdachte 1] had het pistool, de vierde jongen had het mes en [verdachte] en [medeverdachte 3] schreeuwden om geld.14

Onderzoek door de politie leverde de volgende bevindingen op. [medeverdachte 1] van Bulgaarse afkomst is [medeverdachte 1] [verdachte] is [verdachte]en [medeverdachte 3] is [medeverdachte 3]15

Deze drie jongens worden vervolgens ook als verdachten aangemerkt, maar beroepen zich op hun zwijgrecht dan wel ontkennen ook maar iets met deze straatroof dan wel de overdracht van de mobiele telefoon te maken te hebben gehad. [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 3] herkennen zichzelf en de anderen wel op de foto’s die de politie van Facebook heeft gehaald.16

De verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen, maar zichzelf wel herkend op de Facebookfoto’s te weten op de foto’s genummerd 5 en 6.17

De aangever heeft de jongen op foto 6 aangewezen als één van de daders van de

beroving.1819 De getoonde foto’s genummerd foto 6 komen overeen.2021

Ter terechtzitting heeft de verdachte ontkend iets met de beroving te maken te hebben gehad. Hij heeft meegedeeld geen [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] te kennen, noch [vriend 4] of [vriend 3] Sardjoe en hij heeft aangegeven nog nooit in het genoemde park te zijn geweest. Ook heeft de verdachte ontkend samen met [vriend 4] en [medeverdachte 3] op het Centraal Station aanwezig te zijn geweest toen [vriend 4] de mobiele telefoon aan [heler] heeft verkocht.22

Ondanks de ontkenning van de verdachte en de door de raadsvrouw gevoerde verweren is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wel degelijk betrokken is geweest bij de beroving van de aangever [slachtoffer 1] [slachtoffer 1].

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De aangever heeft op 20 februari 2014 bij de politie verklaard, toen hem foto 6 werd getoond, welke foto hetzelfde is als die op 15 maart 2014 ook aan de verdachte is getoond, dat die jongen erbij was, maar dat hij, aangever, niet weet wat hij deed.

Op 10 maart 2014 heeft de aangever verklaard dat hij de jongen van foto 6 meteen aan zijn gezicht herkent en dat hij dacht dat de jongen een mes bij zich had. De jongen was wel agressief. Hij is meerdere malen geduwd door die jongen van foto 6.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat aan de juistheid van de verklaringen van de aangever moet worden getwijfeld. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangever niet in tegenspraak zijn, maar dat zij juist in elkaars verlengde liggen. Immers, nadat de aangever nog een keer goed over de beroving heeft kunnen nadenken, is zijn verklaring ten aanzien van onder andere de verdachte specifieker geworden. De rechtbank bezigt beide aanvullende verklaringen van aangever, naast zijn aangifte, dan ook voor het bewijs.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat de belastende verklaring van medeverdachte [vriend 4] van het bewijs moet worden uitgesloten, nu deze onbetrouwbaar is en [vriend 4] heeft gelogen tegen de politie.

De rechtbank verwerpt dit verweer eveneens.

De verklaring van medeverdachte [vriend 4], voor zover het de rol van de verdachte bij de beroving van de aangever betreft, moet als betrouwbaar worden aangemerkt.

De rechtbank ziet zich gesterkt in haar overtuiging door de omstandigheid dat de verdachte op de avond na de overval ook aanwezig was op het Centraal Station toen medeverdachte [vriend 4] de buit gemaakte telefoon aan [heler] verkocht. De verklaring van [vriend 4] wordt op dit punt ondersteund door de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3]die ter zitting van 23 oktober 2014 heeft verklaard dat hij samen met [verdachte] op het Centraal Station was en dat ze daar [vriend 4] tegen kwamen, welke verklaring door de officier van justitie aan de stukken in het dossier van de verdachte is toegevoegd en aan een ieder is verstrekt.23

De verdachte heeft bij de politie en ter zitting bovendien geen enkele aannemelijk verklaring gegeven waarom hij, ondanks alle verklaringen die op het tegendeel wijzen, niet één van de daders van voornoemde beroving zou zijn geweest.

De rechtbank is verder van oordeel dat voornoemde beroving een geplande actie was op de wijze die door [heler] als ‘kantelen’ is omschreven, waarbij medeverdachte [vriend 4] onder meer de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ingeschakeld om de aangever te overvallen, terwijl hij op dat moment zelf zogenaamd één van de slachtoffers was.

Uit de verklaring van [vriend 3] blijkt ook dat er sprake was van een spelletje dat met de aangever werd gespeeld door alle verdachten.24

Gelet op het vorenstaande is er, naar het oordeel van de rechtbank, sprake geweest van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten dat er sprake is van medeplegen. In de op te leggen straf zal het aandeel van verdachte tot uitdrukking worden gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de mobiele telefoon en portemonnee van aangever zijn weggenomen, nu deze buit zijn gemaakt doordat in de zakken van de aangever is gevoeld. Ten aanzien van deze goederen is, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook feit 1 eerste cumulatief/alternatief wettig en overtuigend bewezen.

De aangever is voorts gedwongen door geweld en bedreiging met geweld zijn armband, ketting en horloge af te geven waardoor, naar het oordeel van de rechtbank, ten aanzien van deze goederen feit 1 tweede cumulatief/ alternatief wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Feit 2 (09/032818-14 t.b.g.)25

3.5

Inleiding

Op 25 juli 2013 is in het Zuiderpark te Den Haag van de aangever [slachtoffer 2]door drie jongens een rood horloge van het merk G-Shock weggenomen.

Deze drie jongens worden door de aangever omschreven als een Surinaamse jongen (jongen 1), een Bulgaarse jongen (jongen 2) en een jongen met een blanke huidskleur, mogelijk van Egyptische afkomst (jongen 3).

Door de aangever is verklaard dat deze jongens, nadat zij hadden gevraagd of zij zijn horloge mochten zien, het horloge niet meer teruggaven en meenamen zonder zijn toestemming.26

De vragen waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of de verdachte één van de jongens is die het horloge van de aangever heeft weggenomen en zo ja, hoe dit delict dan valt te kwalificeren.

3.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van feit 2 primair en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 2 subsidiair heeft begaan.

3.7

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 2 bepleit dat de verklaring van [medeverdachte 3] op relevante onderdelen niet klopt met de verklaring van de aangever en dat beide verklaringen derhalve niet betrouwbaar zijn of dat op zijn minst een van de verklaringen niet meegenomen kan worden voor het bewijs, waardoor er niet zou worden voldaan aan het bewijsminimum.

Voorts heeft de verdachte, aldus de raadsvrouw, op geen enkel moment de opzet gehad zich het horloge toe te eigenen dan wel er als heer en meester over te beschikken.

De raadsvrouw heeft dan ook geconcludeerd dat feit 2 primair noch subsidiair wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.8

De beoordeling van de tenlastelegging

De aangever heeft verder nog verklaard dat jongen 1 degene is geweest die het horloge als eerste heeft verkregen. Daarna gaf jongen 1 het horloge aan jongen 3. Jongen 3 gaf het horloge vervolgens weer terug aan jongen 1.

De aangever heeft meerdere malen gevraagd om het horloge terug te geven, maar dit gebeurde niet. Jongen 1 verstopte het horloge eerst in zijn tas en gaf het daarna aan jongen 3, die het in zijn onderbroek stopte.

Jongen 2 heeft op een gegeven moment, nadat aangever weer vroeg om zijn horloge, gezegd dat hij het horloge aan de aangever terug zou geven. Maar hierop zeiden alle drie de jongens dat zij het horloge niet meer hadden en dat de aangever het de volgende dag om 18:00 uur terug zou krijgen. De jongens zijn hierna weggegaan. 27

Door de verdachte is bij de politie verklaard dat hij niets weet over een horloge en dat hij niet weet wat er is gebeurd. Hij is wel samen met de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gaan zwemmen in het Zuiderpark.28

Ook ter terechtzitting heeft de verdachte ontkend iets met dit feit te maken te hebben gehad.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig en baseert zich - naast de aangifte - op de navolgende bewijsmiddelen.

Door de aangever is op 3 november 2013 bij de politie aangegeven dat hij de drie jongens op Facebook heeft herkend en dat één van hen zichzelf [medeverdachte 3]noemt, die na onderzoek [medeverdachte 3]blijkt te zijn. Tussen de foto’s op de Facebookpagina van [medeverdachte 3]wordt vervolgens de betreffende foto van de drie jongens gevonden, die na onderzoek blijken te zijn: [verdachte] en[medeverdachte 1].29

De aangever heeft desgevraagd verklaard dat dit de drie jongens waren die zijn horloge hadden weggenomen.30

Daarnaast heeft de medeverdachte [medeverdachte 3] bekend dat niet alleen hij, maar ook de

medeverdachte [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij het wegnemen van het horloge en dat de verdachte er ook bij aanwezig was.31

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de medeverdachte over de aanwezigheid van de verdachte, nu deze verklaring op meerdere punten gelijk is aan de verklaring van de aangever (onder meer het aanbieden van een ‘shisha’).

De volgende vraag is hoe de handelingen zoals door de verdachte en zijn medeverdachten zijn verricht juridisch te kwalificeren zijn.

De aangever heeft verklaard dat hij het horloge, weliswaar met tegenzin, zelfstandig heeft afgestaan aan de verdachte en de medeverdachten.

Dit maakt dat het delict juridisch te kwalificeren valt als medeplegen van verduistering en dat derhalve wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder 2 subsidiair ten laste is gelegd.

Feit 3 (09/763011-14 t.b.g.)

3.9

Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 6 april 2014 omstreeks 17:30 uur bevonden de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zich op de Jan Luykenlaan te Den Haag. Daar zagen zij een aantal jongeren hangen voor de portieken en tegen de kozijnen. Hierop hebben de verbalisanten de jongeren staande gehouden. Vervolgens werden de verbalisanten uitgescholden.



De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte degene is geweest die de beledigingen richting de verbalisanten heeft geuit.

3.10

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 3 heeft begaan.

3.11

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw aangegeven dat de verdachte heeft ontkend de

beledigende teksten richting de politieambtenaren te hebben geroepen. Mocht de

rechtbank er echter vanuit gaan dat de verdachte de beledigende teksten wel heeft

geroepen, dan ontbrak bij de verdachte iedere opzet om de politieambtenaren te beledigen.

3.12

De beoordeling van de tenlastelegging

Nadat de jongeren staande waren gehouden zag [verbalisant 1] dat er een persoon aan kwam lopen. [verbalisant 1] vroeg wat de persoon kwam doen. De persoon keek [verbalisant 1] aan en zei “jammer joh kankerhonden”. Hierna heeft [verbalisant 1] deze persoon gevorderd de locatie te verlaten. Hij hoorde hierna dat de persoon zei “kanker zelf op, kankerpolitie”. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voelden zich hierdoor ernstig in hun eer en goede naam aangerand. Dit mede omdat er ongeveer een dertigtal personen in de nabijheid stonden, die deze belediging duidelijk konden horen.

De persoon werd aangehouden en bleek later de verdachte te zijn.3233

De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van aanhouding, bezien in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de verbalisanten heeft beledigd en dat de verdachte dan ook het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan.

De rechtbank ziet zich gesterkt in haar oordeel dat de verdachte voornoemde beledigende woorden heeft gebezigd, nu is gebleken dat de verdachte, toen hij door [verbalisant 3] naar de verhoorkamer werd geleid om te worden gehoord, ook deze verbalisant heeft beledigd met de woorden “je moet gewoon opkankeren en mij niet aanraken kankermatti”, zoals weergegeven op pagina 205 van het dossier.

3.13

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 08 november 2013 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, aan de openbare weg [plaats]met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en een portemonnee (met inhoud), toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit:

- het richten en plaatsen van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het

hoofd van die [slachtoffer 1] en

- het plaatsen en houden van een mes op de keel van die [slachtoffer 1] en

- het in de zakken voelen (fouilleren) van die [slachtoffer 1] en

- het stompen tegen de kaak van die [slachtoffer 1] en

- het tegen die [slachtoffer 1] zeggen en roepen/schreeuwen dat hij ([slachtoffer 1]) (verschillende)

voorwerpen aan de verdachte en zijn mededaders moest (af)geven en "snel, snel, anders schiet ik je

neer" en "als je aangifte gaat doen bij de politie, dan ga ik je opzoeken en schiet ik je neer";

en

hij op 08 november 2013 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, aan de openbare weg [plaats], met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een armband en een ketting en een horloge, toebehorende aan [slachtoffer 1], welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit:

- het richten en plaatsen van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het

hoofd van die [slachtoffer 1] en

- het plaatsen en houden van een mes op de keel van die [slachtoffer 1] en

- het stompen tegen de kaak van die [slachtoffer 1] en

- het tegen die [slachtoffer 1] zeggen en roepen/schreeuwen dat hij ([slachtoffer 1]) (verschillende)

voorwerpen aan de verdachte en zijn mededaders moest (af)geven en "snel, snel, anders schiet ik je

neer" en "als je aangifte gaat doen bij de politie, dan ga ik je opzoeken en schiet ik je neer";

2 subsidiair (ter berechting gevoegd 09/032818-14)

hij op 25 juli 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een horloge, toebehorende aan[slachtoffer 2] welk goed verdachte en zijn mededaders anders dan door misdrijf, te weten door tijdelijk van die [slachtoffer 2] in handen te hebben gekregen om het horloge te bekijken, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3 ( ter berechting gevoegd 09/763011-14)

hij op 06 april 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten surveillancedienst/noodhulp in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankerhonden" en/of "kanker zelf op, kankerpolitie".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, alsook tot jeugddetentie voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk

met een proeftijd van twee jaar, en als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering en het volgen van een behandeling bij het Palmhuis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot bewezenverklaring komt, bepleit de onvoorwaardelijke werkstraf te matigen en zich ten aanzien van de hoogte van de voorwaardelijke straf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof op de openbare weg. Van de aangever is onder bedreiging van een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en een mes zijn mobiele telefoon en portemonnee weggenomen en hij is gedwongen zijn armband, ketting en horloge af te geven.

Het pistool is op zijn hoofd gericht en het mes is tegen zijn keel geplaatst en gehouden.

De beroving was een angstige ervaring voor het slachtoffer en heeft blijkens de toelichting bij de vordering benadeelde partij een enorme impact op hem gehad.

Het is een feit van algemene bekendheid dat personen die op dergelijke gewelddadige wijze worden beroofd daar vaak nog lange tijd psychische klachten en gevoelens van angst en van onveiligheid aan overhouden. De omstandigheid dat de beroving een gepland karakter heeft gehad, zal de rechtbank als strafverzwarend meewegen.

Bovendien nemen als gevolg van dit soort geweldsdelicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

De verdachte heeft zich voorts samen met anderen schuldig gemaakt aan verduistering. Verdachte en zijn medeverdachten waren enkel uit op geldelijk gewin toen zij het horloge wegnamen en hebben zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen die hun gedrag voor het slachtoffer had.

De belediging van de politieambtenaren, waaraan de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt, rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Deze politieambtenaren hebben een publieke taak, die zij met respect en zonder problemen zouden moeten kunnen uitvoeren. Deze omstandigheid is dan ook strafverzwarend. De bedreiging van politieambtenaren betekent bovendien een ondermijning van het openbaar gezag.

De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij nog niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op de voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en dan met name op het meest recente rapport d.d. 19 augustus 2014. Blijkens dit rapport is het algemeen recidive risico hoog en zijn er grote zorgen op alle leefgebieden. De verdachte lijkt zich weinig aan te trekken van anderen en zijn eigen gang te gaan en dat is geen goede ontwikkeling, zeker gezien het feit dat hij nog jong is. Geconcludeerd kan worden dat de gedwongen begeleiding in het kader van de ondertoezichtstelling nog onvoldoende effect heeft om een bedreigde ontwikkeling van de verdachte af te wenden. Belangrijk is dat de verdachte op een scholingstraject zal worden geplaatst, dat er zicht komt op zijn vriendenkeuze in relatie tot de beïnvloedbaarheid van de verdachte en dat er een goede invulling is van zijn vrije tijd om zodoende de kans op recidive te verkleinen. Daarnaast is van belang dat er meer zicht komt op het gedrag en de agressieve buien van de verdachte. Een diagnostisch onderzoek zou meer duidelijkheid kunnen geven over de achterliggende problematiek zodat er gerichte hulpverlening c.q. behandeling kan worden ingezet.

Ook een systeembehandeling zoals MDFT is noodzakelijk om enerzijds meer zicht te krijgen op de omgeving van de verdachte en om anderzijds de ouders in de opvoeding te ondersteunen.

Geadviseerd wordt om de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

Tijdens de behandeling ter zitting is door de deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming meegedeeld dat het gegeven strafadvies alleen feit 3 betreft en dat nu blijkt dat er sprake is van meerdere ernstige feiten. De zorgen thuis, op school en ten aanzien van de agressie van de verdachte zijn, aldus aangegeven, onverminderd aanwezig en inmiddels volgt de verdachte scholing en behandeling bij het Palmhuis waarin zijn gedragsproblemen worden meegenomen. Deze behandeling dient te worden gecontinueerd, temeer ook gezien de houding van de verdachte ter zitting. Het tonen van respect is, aldus aangegeven, heel belangrijk.

Derhalve wordt thans naast de werkstraf geadviseerd een voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de Raad voor de Kinderbescherming uit voornoemd rapport en kan zich vinden in het ter zitting gewijzigde strafadvies.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de straatroof, in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden op zijn plaats zou zijn. Gelet echter op de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten alsook gelet op voornoemde persoonlijke omstandigheden, ziet de rechtbank allereerst reden de verdachte een forse onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en zijn behandeling te waarborgen, ziet de rechtbank voorts aanleiding een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering en het volgen van een behandeling bij het Palmhuis, zolang als dit noodzakelijk word geacht.

De ernst van de straatroof, alsook de respectloze houding van de verdachte bij de politie en zoals dit ook is gebleken ter terechtzitting, brengen de rechtbank ertoe een zwaardere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich ten aanzien van feit 1 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.222,55.

De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot

€ 122,55, bestaande uit eigen risico (post 1) en reiskosten (post 2) en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 2.100,- (post 4), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ten laste van de ouders van de verdachte, met toewijzing van de wettelijke rente.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Namens de ouders van de verdachte is primair afwijzing van de vordering bepleit en subsidiair niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering, nu deze niet voldoende is onderbouwd en er ook geen medische informatie over het opgelopen letsel is overgelegd. Mocht de rechtbank wel tot toewijzing van de vordering ten laste van de ouders van de verdachte overgaan, verzoekt de raadsvrouw de rechtbank rekening te houden met het inkomen van de ouders, nu zij van een uitkering van de Sociale Dienst moeten rondkomen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu de vordering betrekking heeft op een als doen te beschouwen gedraging van de verdachte die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt en aan wie de gedraging als onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, wordt deze geacht te zijn gericht tegen diens ouders.

De vordering is namens de ouders van de verdachte betwist, maar naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 eerste cumulatief/alternatief en 1 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feiten.

Materiële schade

De rechtbank acht het deel van de vordering met betrekking tot de materiële schade, te weten een totaal bedrag van € 122,55, toewijsbaar. De rechtbank zal dit bedrag vanwege het aantal betrokken verdachten en het gegeven dat de vergoeding in deze zaak ten laste van de ouders van de verdachte komt, delen door drie en derhalve een bedrag van 40,85 toewijzen.

Immateriële schade

De rechtbank acht als vergoeding ter zake van immateriële schade naar billijkheid een bedrag van in totaal € 1.000,- toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 eerste cumulatief/alternatief en 1 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feiten. Evenals bij het deel met betrekking tot de materiële schade zal de rechtbank ook bij deze schade een derde deel toewijzen.

Totaal toegewezen bedrag

De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de ouders van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 374,18.

Wettelijke rente

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 8 november 2013 is ontstaan.

Beslissing overige deel van de vordering

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Kostenveroordeling

Dit brengt mee dat de ouders van de verdachte dienen te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 266, 267, 312, 317 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder

2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding

onder 1 eerste cumulatief/alternatief, 1 tweede cumulatief/alternatief, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

feit 1 eerste cumulatief/alternatief

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD EN GEVOLGD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN EN OM BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF OF ANDERE DEELNEMERS VAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN OP DE OPENBARE WEG

feit 1 tweede cumulatief/alternatief

AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN OP DE OPENBARE WEG

feit 2 subsidiair (09/032818-14 t.b.g.)

MEDEPLEGEN VAN VERDUISTERING

feit 3 (09/763011-14 t.b.g.)

EENVOUDIGE BELEDIGING, TERWIJL DE BELEDIGING WORDT AANGEDAAN AAN EEN AMBTENAAR GEDURENDE OF TER ZAKE VAN DE RECHTMATIGE UITOEFENING VAN ZIJN BEDIENING, MEERMALEN GEPLEEGD

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 150 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 75 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

en voorts tot

jeugddetentie voor de duur van 2 MAANDEN

bepaalt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarden:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht;

dat de veroordeelde een behandeling bij het Palmhuis zal volgen, zolang als dit noodzakelijk wordt geacht;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

ten aanzien van feit 1

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe ten laste van de ouders van de verdachte en veroordeelt de ouders van de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van

€ 374,18;

vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de ouders van de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. de Haan, kinderrechter, voorzitter,

mr. R.C. Hartendorp, kinderrechter,

en mr. J.A.H.M. Janssen, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 november 2014.

Mr. Janssen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Haaglanden, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1531-2013220346, met bijlagen, doorgenummerd van bladzijde 1 tot en met bladzijde 268.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pagina 21 tot en met 23.

3 Proces-verbaal confrontatie ter opsporing van een onbekende dader met de getuige, pagina 191 en 192.

4 Proces-verbaal confrontatie ter opsporing van een onbekende dader met de getuige, pagina 191 en 192.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pagina 21 tot en met 23.

6 Proces-verbaal aanvullende verhoor aangever [slachtoffer 1], pagina 31, tweede alinea.

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pagina 22, tweede alinea.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 49 en 50.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte[heler], pagina 64.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte[heler], pagina 66.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [vriend 4] pagina 156.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [vriend 4] pagina 158 en 159.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [vriend 4] pagina 160 onderaan en 161 bovenaan.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [vriend 4] pagina 178, halverwege.

15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 164 en 165.

16 Proces-verbaal van bevindingen, met als bijlagen de 6 foto’s, pagina 230 tot en met 237.

17 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] pagina 212.

18 Proces-verbaal verhoor aangever, pagina 141.

19 Proces-verbaal verhoor aangever, pagina 150.

20 Foto 6, pagina 148.

21 Foto 6, pagina 236.

22 Proces-verbaal van de terechtzitting van 23 oktober 2014, eigen verklaring verdachte.

23 Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 23 oktober 2014. Verklaring[medeverdachte 3]

24 Proces-verbaal verhoor verdachte [vriend 3] pagina 264.

25 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1533-2013146468 (p. 1-74).

26 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] p. 43, p. 44 alinea 1, 3-4, 9-10, 12, p. 45.

27 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] p. 43 alinea 5-6, p. 44 alinea 1, 3-5, 9-10.

28 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] pagina 67.

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 47-48 + foto’s p. 49-56.

30 Proces-verbaal van bevindingen, p. 57.

31 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3], pagina 59 tot en met 61.

32 Proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1533-2014068909-2 van [verdachte], d.d. 6 april 2014, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1].

33 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1533-2014068914-5 d.d.6 april 2014, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1].