Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13541

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
C-09-473967 - KG ZA 14-1129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; vordering tot opheffing door de gemeente aan eiser opgelegd pand- en toegangsverbod afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/473967 / KG ZA 14-1129

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Den Haag,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.R. Paats te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Gemeente’.

1 Het procesverloop

[eiser] heeft de Gemeente op 25 september 2014 doen dagvaarden om op 1 oktober 2014 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld. Daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzieningenrechter heeft de Gemeente bij brief van 2 oktober 2014 nadere producties in het geding gebracht. [eiser] heeft zich vervolgens bij brief van 7 oktober 2014 hierover uitgelaten.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 oktober 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser], die lijdt aan ernstige somatische klachten en psychosociale en levensfaseproblematiek, heeft in 2013 en 2014 veelvuldig contact gehad met de dienst SZW van de Gemeente, onder meer met betrekking tot schuldhulpverlening.

2.2.

Bij brief van 28 augustus 2014 heeft de Gemeente aan [eiser] met ingang van 25 augustus 2014 voor de duur van drie maanden een pand- en toegangsverbod opgelegd voor de kantoren van de Gemeente in Den Haag. In de brief schrijft de Gemeente dat [eiser] op 25 augustus 2014 het volgende zou hebben gezegd tegen een medewerker van de dienst SZW: “mocht mevrouw [X] niet meewerken, dan kom ik langs en vermoord ik haar”. In de brief schrijft de Gemeente voorts:

Enige tijd voor de afloop van het pand-/toegangsverbod wordt u uitgenodigd voor een gesprek om te bezien of het pand-/toegangsverbod zal worden opgeheven of zal worden verlengd.

2.3.

Op 4 september 2014 heeft mevrouw [X] (hierna ‘[X]’), medewerkster van de Gemeente, bij de politie aangifte gedaan van bedreiging. Ten overstaan van de verbalisant heeft [X] verklaard dat zij van [Y], een collega, heeft gehoord dat [eiser] op 25 augustus 2014 omstreeks 11:08 uur naar de klantenservice heeft gebeld en dat hij toen gezegd heeft dat hij haar zou vermoorden indien hij niet door haar gebeld zou worden.

2.4.

Bij brief van 12 september 2014 heeft de Gemeente aan [eiser] een (herhaald) verzoek gedaan om, ten behoeve van de hercontrole van zijn schuldsaneringsdossier, voor 26 september 2014 een groot aantal bescheiden aan de Gemeente te verzenden. Hierbij heeft de Gemeente aan [eiser] meegedeeld dat hij deze bescheiden in verband met het aan hem opgelegde pand- en toegangsverbod aangetekend dient te versturen.

2.5.

Bij brief van 15 september 2014 heeft de Gemeente aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat hij in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord op een door hem ingediend bezwaarschrift tegen een beschikking van de dienst SZW. In reactie hierop heeft [eiser] te kennen gegeven dat hij gehoord wenst te worden.

2.6.

Bij brief van 24 september 2014 heeft de advocaat van [eiser] aan de Gemeente meegedeeld dat [eiser] door diverse oorzaken niet in staat is om vóór 26 september 2014 de door de Gemeente gevraagde bescheiden aan te leveren.

2.7.

In een ondertekende verklaring van 29 september 2014 heeft de heer [Y] (hierna ‘[Y]’), medewerker klantenservice SZW, als volgt verklaard:

(…) [eiser] belde naar de klantenservice SZW voor een terugbel[]verzoek naar consulent P&L mevr. [X]. Volgens de klant heeft de rechtbank toegekend (…) dat hij recht heeft op een hoger deel van zijn vakantiegeld dan tot op heden is uitgekeerd aan de klant. Tijdens het schrijven van het [terugbelverzoek] verklaarde de klant dat, mocht mevr. [X] niet terugbellen, hij langs zou gaan en haar zou vermoorden.

(…) [eiser] werd duidelijk gemaakt dat dit soort uitspraken niet geaccepteerd worden en dat hij ze ook niet moet uiten.

Hierna ging (…) [eiser] dieper op zijn dreigement in. Hij verklaarde dat het hem waarschijnlijk niet zou lukken, gezien zijn leeftijd en geringe fysieke kracht, maar dat hij niet voor zichzelf in kan staan dat hij het niet zou proberen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Gemeente te bevelen het pand- en toegangsverbod op te heffen, dan wel te schorsen, zulks op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stelt [eiser] het volgende. [eiser] heeft nooit een medewerker van de Gemeente bedreigd, hij heeft de betreffende dag niet eens kunnen bellen met de Gemeente, aangezien hij de hele dag in het ziekenhuis was. Het verbod, dat overigens onvoldoende gemotiveerd is, is zeer belastend voor [eiser], aangezien hij, mede ten behoeve van het door hem verrichte vluchtelingenwerk, zeer veel contacten met de Gemeente onderhoudt. Daarnaast belet het hem zijn belangen in het kader van zijn schuldsaneringsdossier en zijn bezwaar tegen een WMO-beschikking naar behoren te behartigen. Bovendien verergeren zijn (psychische) klachten door het hem ten onrechte opgelegde verbod. Ten slotte is niet onderzocht of de gestelde bedreiging een verstoring van de openbare orde opleverde, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat [X] de gestelde bedreiging niet zelf heeft gehoord. Het verbod is onnodig kwetsend en disproportioneel en het dient daarom te worden opgeheven

3.3.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

In deze procedure moet worden beoordeeld of het aan [eiser] opgelegde pand- en toegangsverbod moet worden opgeheven.

4.2.

Bij de beoordeling staat voorop dat de Gemeente bij het bepalen en handhaven van haar toegangsbeleid een zekere mate van beleidsvrijheid heeft. Deze vrijheid vindt haar grens daar waar geoordeeld moet worden dat de Gemeente niet in redelijkheid tot het gevoerde beleid of een getroffen maatregel heeft kunnen komen. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de aan [eiser] opgelegde maatregel is enerzijds de aanleiding voor de maatregel van belang en anderzijds de gevolgen van het een en ander voor alle betrokken. Hierbij dient voorts te worden betrokken dat de Gemeente een publieke taak heeft en dat van haar verwacht mag worden dat zij streng optreedt tegen agressie, terwijl zij anderzijds haar burgers de toegang niet lichtvaardig mag verbieden.

4.3.

De Gemeente heeft, met verwijzing naar de door haar overgelegde uitdraaien van het (telefoonregistratie)systeem Trinicom en het incidentenregistratiesysteem GIR, aan het pand- en toegangsverbod ten grondslag gelegd dat [eiser] op 25 augustus 2014 tussen 10:52 uur en 11:08 uur tijdens een telefoongesprek met [Y] gezegd zou hebben dat hij [X] zou vermoorden indien zij hem niet zou terugbellen en dat hij deze bedreiging in tweede instantie heeft versterkt door te stellen dat hij er vermoedelijk niet toe in staat was, maar dat hij niet voor zichzelf instond. Volgens de Gemeente heeft zij daarop, met verwijzing naar de toepasselijke protocollen en het landelijk beleid, het pand- en toegangsverbod opgelegd.

Hiertegenover heeft [eiser] betoogd dat hij voor dergelijk gedrag de opgelegde sanctie gerechtvaardigd acht, maar dat hij die dag niet heeft gebeld, en dat hij die dag noch een andere dag dergelijke bewoordingen heeft geuit naar medewerkers van de Gemeente. Volgens [eiser] vormen de door de Gemeente overgelegde registraties geen enkel bewijs van dat hij gebeld heeft en dat hij de daar weergeven bedreigingen heeft geuit. Met betrekking tot dit een en ander wordt als volgt overwogen.

4.4.

Mede gelet op de registraties in Trinicom en GIR acht de voorzieningenrechter het genoegzaam aannemelijk dat [eiser] op 25 augustus 2014 telefonisch contact heeft gehad met de dienst SZW en dat hij daarbij de door de Gemeente gestelde bedreiging heeft geuit. Weliswaar is deze bedreiging alleen terug te voeren op de (herhaalde) verklaring van [Y] en de naar aanleiding daarvan gemaakte registraties, maar, mede gelet op het door [eiser] gevoerde verweer, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de juistheid van die registraties. Enerzijds valt niet in te zien waarom de Gemeente een registratie zou maken van een gesprek dat nooit heeft plaatsgevonden, terwijl de blote ontkenning van [eiser] dat hij die dag in het geheel niet gebeld heeft ongeloofwaardig is. Dit verweer is pas ter zitting gevoerd en bijvoorbeeld niet kort na ontvangst van de in 2.2. vermelde brief, waarin het verbod is opgelegd, of de in 2.4. vermelde brief waarin het verbod nogmaals werd aangehaald. Ook in de in 2.6. vermelde brief van de advocaat van [eiser], die een reactie is op de in 2.4. vermelde brief, wordt met geen woord gerept over het toegangsverbod. Het verweer met betrekking tot het ongeval op de Hoefkade legt onvoldoende gewicht in de schaal. Enerzijds is niet gesteld of gebleken dat dat ongeval vóór 10:47 uur zou hebben plaatsgevonden, terwijl anderzijds ook niet is uitgesloten dat [eiser] vanuit het ziekenhuis heeft gebeld.

4.5.

Anders dan [eiser] subsidiair heeft betoogd, acht de voorzieningenrechter de bedreiging voldoende serieus om, conform het toepasselijke protocol, een toegangsverbod te rechtvaardigen. Het gaat er hierbij niet zozeer om of de ontvanger bevreesd moet zijn dat er uitvoering zou worden gegeven aan het dreigement, maar om het normoverschrijdend karakter van de (herhaalde) bewoordingen. Dat [X] de bedreiging niet zelf uit de mond van [eiser] heeft vernomen, is niet relevant, aangezien de bedreiging wel naar haar toe was gericht.

4.6.

Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter het opgelegde pand- en toegangsverbod voor de duur van drie maanden gerechtvaardigd. De nadelige gevolgen van dit (tijdelijke) verbod acht de voorzieningenrechter niet zodanig dat het verbod daarom zou moeten worden beperkt. Dat de klachten van [eiser] door het verbod zouden verergeren kan niet worden afgeleid uit de door hem overgelegde verklaring en dit is ook voorshands niet aannemelijk te achten. Gedurende de resterende looptijd van het verbod kan [eiser] zijn belangen laten behartigen door een advocaat of een andere vertegenwoordiger, terwijl de Gemeente anderzijds ter zitting heeft toegezegd dat het verbod geen belemmering is voor de nog te plannen hoorzitting in de in 2.5. vermelde zaak. Hierbij gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de Gemeente niet (langer) van [eiser] verlangt dat hij bescheiden ten behoeve van de schuldhulpverlening aangetekend verstuurt.

4.7.

Slotsom van het voorgaande is dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. Hij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van de Gemeente tot dusver begroot op € 1.424,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 608,- aan griffierecht;

- bepaalt dat, indien niet binnen veertien dagen na heden aan deze proceskostenveroordeling is voldaan, wettelijke rente daarover verschuldigd is;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2014.

WJ