Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13525

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
C-09-470067 - KG ZA 14-868
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding; executiegeschil, dwangsom, vordering tot schorsing executie in conventie opgeheven, in reconventie reële proceskostenveroordeling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den Haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/470067 / KG ZA 14-868

Vonnis in kort geding van 22 september 2014

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente]),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. L.A.M.G. Wellen te Den Haag,

tegen:

[de man],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.S.F. de Nijs te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1 De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 september 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Partijen hebben van 2006 tot oktober 2012 met elkaar een affectieve relatie gehad en vanaf 2008 hebben zij samengewoond in de woning van de man aan de [adres] te [woonplaats]. Na de beëindiging van de relatie heeft de vrouw nog enkele maanden, tot medio februari 2013, met de man in de woning gewoond. Na een hevige ruzie heeft de vrouw medio februari 2013 de woning verlaten, met medeneming van een deel van de inboedel, waarvan zij kort daarop een deel heeft doen retourneren aan de man.

1.2.

Op 4 juni 2013 heeft de man tegen de vrouw een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. In deze procedure (met zaak- / rolnummer C/15/204317 HA ZA 13-307) hebben partijen (onder meer) over en weer afgifte van een veelheid van (inboedel)goederen gevorderd.

1.3.

Op 19 november 2013 is in voormelde bodemprocedure een comparitie van partijen gehouden. Tijdens deze comparitie hebben partijen verklaringen overgelegd met betrekking tot de door hen opgestelde inboedellijsten en overgelegde foto’s. De ter comparitie besproken foto 17 betreft een foto van de overloop van de woning van de man. Op de foto is te zien dat de overloop een lege ruimte heeft, waar mogelijk een beeld heeft gestaan. Blijkens het proces-verbaal van deze comparitie hebben partijen – voor zover hier relevant – als volgt verklaard:

De man:

“-foto 17”: een beeld uit Cambodja is verdwenen.

(…)

De vrouw:

foto 17: het beeld uit Cambodja heb ik ook meegenomen.

(…)

Ik heb terzake de souvenirs alleen een Boeddhabeeld meegenomen. Dat is een ander beeld dan het beeld dat op de overloop stond. Ook heb ik een souvenir uit El Salvador meegenomen, maar die reis heb ik niet met [de man] gemaakt, dus dit is van mij.

De man:

Ik mis nog een cementen beeld uit Cambodja. Het was geen Boeddhabeeld, maar een godin.

1.4.

Bij vonnis van 12 maart 2014 (hierna ‘het vonnis van 12 maart 2014’) zijn beide partijen veroordeeld de in dat vonnis vermelde zaken binnen twee weken na betekening aan elkaar af te geven. Aan deze veroordelingen is een dwangsom verbonden van € 250,- per dag, waarbij het maximum aanzien van de vrouw maximaal € 7.500,- bedraagt en ten aanzien van de man € 4.000,-. Tot de door de vrouw aan de man af te geven zaken behoort het in 4.4. onder r. van dat vonnis vermelde beeld uit Cambodja.

In onderdeel 4.4. van dit vonnis heeft de rechtbank Noord-Holland – voor zover hier relevant – het volgende overwogen:

p. Souvenirs vakantie en zes Buddha beelden: vrouw heeft erkend 1 Souvenir tijger en 1Buddha hoofd te hebben meegenomen, die eigendom zijn van de man. De vordering deze zaken te retourneren, is derhalve toewijsbaar. De vrouw heeft voorts ter zitting verklaard een souvenir uit El Salvador te hebben meegenomen, maar aangegeven dat dat niet van een reis met de man was, maar van een reis van haarzelf, en dat die zaak dus niet van de man is. Tegenover de betwisting van de vrouw dat zij souvenirs en Buddhabeelden heeft meegenomen die niet haar eigendom zijn, heeft de man zijn stelling over het meenemen van deze zaken en zijn eigendom niet toereikend nader onderbouwd, zodat de rechtbank de vordering ten aanzien van de andere hier bedoelde zaken afwijst.

(…)

r. Beeld uit Cambodja: de vrouw erkent 1 beeld uit Cambodja, dat op de overloop stond, te hebben meegenomen. De man heeft toegelicht dat hij dit souvenir uit Cambodja heeft betaald en dat het van hem is. De vrouw heeft dit niet betwist. De vordering deze zaak te retourneren, is derhalve toewijsbaar.

(…)

De aan de veroordeling te verbinden dwangsom zal de rechtbank op na te melden bedrag stellen en als volgt maximeren. Die bedragen acht de rechtbank passend vanwege de waarde van de af te gegeven zaken, zoals de rechtbank die inschat, mede gelet op de stellingen ter zake van de man.

Tegen voormeld vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

1.5.

Naar aanleiding van voormeld vonnis hebben partijen over en weer zaken aan elkaar afgegeven. Tot de door de vrouw aan de man afgegeven zaken behoort een (gouden) Boeddhabeeld (hierna ‘het gouden beeld’). De man heeft geweigerd het gouden beeld in ontvangst te nemen.

1.6.

Bij deurwaardersexploot van 2 juli 2014 heeft de man aan de vrouw bevel gedaan tot betaling van € 3.000,- ter zake van dwangsommen die verbeurd zijn op grond van het vonnis van 12 maart 2014. In dit exploot staat vermeld dat de man bij exploot van 30 april 2014 aan de vrouw heeft aangezegd om “het beeld uit Cambodja, zoals vermeld[.] onder punt 4.4. r” van het vonnis te retourneren.

1.7.

Op 20, 21, 24, 25 en 30 augustus 2014 hebben vrienden en familieleden van de man per e-mail of per brief verklaard over de herkomst van het stenen beeld en het gouden beeld. De strekking van deze verklaringen is onder meer dat het gouden beeld door vrienden van de man is aangekocht in Rotterdam en aan de man is geschonken in de periode voordat hij een relatie had met de vrouw.

1.8.

Op 4 september 2014 hebben familieleden en een vriendin van de vrouw per e-mail of per brief verklaard over het stenen beeld en het gouden beeld en de verhuizing van de vrouw. De strekking van deze verklaringen is – zakelijk weergegeven – dat het stenen beeld na de verhuizing is achtergebleven op de overloop van de woning van de man.

2 Het geschil

in conventie

2.1.

De vrouw vordert, zakelijk weergegeven: primair de man te verbieden het vonnis van 12 maart 2014 voor wat betreft de verbeurte van dwangsommen ten uitvoer te leggen, zulks op straffe van een dwangsom; subsidiair de tenuitvoerlegging van het vonnis van 12 maart 2014 op te schorten totdat in een bodemprocedure een beslissing is gegeven over het vonnis van 12 maart 2014 bedoelde beeld; een en ander met veroordeling van de man in de proceskosten.

2.2.

Daartoe stelt de vrouw het volgende. Door executie van de dwangsommen maakt de man misbruik van recht. Hoewel de vrouw ter comparitie heeft erkend dat zij een beeld uit Cambodja uit de woning van de man heeft meegenomen, had zij daarbij een ander beeld, namelijk het gouden beeld, voor ogen dan de man, die kennelijk het stenen beeld voor ogen had. Aangezien de vrouw een beeld uit Cambodja aan de man heeft overhandigd en uit het vonnis van 12 maart 2014 niet valt op te maken welk (ander) beeld de vrouw aan de man diende af te geven, dient de tenuitvoerlegging van het vonnis van 12 maart 2014 te worden verboden. De vrouw heeft het stenen beeld in de woning achtergelaten en zij kan dat beeld dus ook niet teruggeven. Een en ander wordt bevestigd door de door de vrouw overgelegde getuigenverklaringen. Het vonnis van 12 maart 2014 is daarmee – in de door de man voorgestane zin – onuitvoerbaar. De tenuitvoerlegging van dat vonnis dient daarom te worden geschorst.

2.3.

De man voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

in reconventie

2.4.

De man vordert de vrouw te veroordelen in de reële proceskosten van de procedure in conventie.

2.5.

Daartoe stelt de man het volgende. Bij vonnis van 12 maart 2014 is de vrouw veroordeeld het beeld uit Cambodja dat op de overloop stond aan de man af te geven. Aangezien de woning slechts één overloop heeft, waarop één beeld stond, kon er bij de vrouw geen misverstand over bestaan welk beeld zij aan de man diende te retourneren. De vrouw heeft de onderhavige procedure nodeloos aanhangig gemaakt en de vrouw dient de door de man gemaakte kosten (ten behoeve van zijn advocaat en het griffierecht) integraal aan hem te vergoeden.

2.6.

De vrouw voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

in conventie

3.1.

Bij vonnis van 12 maart 2014 van de Rechtbank Noord-Holland is de vrouw onder meer veroordeeld om ‘het beeld uit Cambodja, dat op de overloop stond’ af te geven aan de man. Deze veroordeling is versterkt met een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 7.500,-.

3.2.

In deze procedure moet worden beoordeeld of de vrouw dwangsommen heeft verbeurd omdat zij voormelde veroordeling niet of onvoldoende zou hebben nageleefd. Vooropgesteld wordt dat de beoordeling beperkt is tot de toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. De omstandigheid dat de veroordeling in dit geval is versterkt met dwangsom, dwingt tot een beperkte uitleg van de veroordeling. Indien met voldoende zekerheid zou komen vast te staan dat de vrouw reeds aan de betreffende veroordeling heeft voldaan, dient de tenuitvoerlegging van het vonnis van 12 maart 2014 met betrekking tot die veroordeling te worden verboden.

3.3.

Bij de beoordeling komt het aan op de vraag welk beeld moet worden begrepen onder ‘het beeld uit Cambodja dat op de overloop stond’. Uit het proces-verbaal van de comparitie, zoals weergegeven in 1.3., volgt dat de vrouw aan de hand van een overgelegde foto van de overloop (zonder het beeld) heeft erkend dat zij het betreffende beeld heeft meegenomen. Voorts heeft de vrouw tijdens de comparitie verklaard dat zij een Boeddhabeeld heeft meegenomen, maar dat dat een ander beeld was dan ‘het beeld dat op de overloop stond’. Tijdens de zitting in dit kort geding heeft de vrouw erkend dat partijen het stenen beeld omstreeks 2010 gezamenlijk hebben aangekocht tijdens een vakantie in Cambodja. Voorts heeft de vrouw erkend, hetgeen ook wordt ondersteund door de door haar overgelegde verklaringen, dat dit stenen beeld – zoals door de man is gesteld – sinds 2011 op de bij de verbouwing gecreëerde overloop heeft gestaan. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan het niet anders dan dat het stenen beeld voldoet aan de veroordeling onder 4.4. r. Het vonnis van 12 maart 2014 bevat dan ook geen misslag. Dit betekent dat de vrouw op grond van het vonnis van 12 maart 2014 gehouden is tot afgifte van het stenen beeld.

3.4.

In dit kort geding heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat zij meende en mocht menen dat de veroordeling betrekking had op het gouden beeld. Zij heeft daartoe betoogd dat het gouden beeld ook afkomstig is uit Cambodja, dat in de stukken van de man noch in het vonnis een omschrijving is gegeven van het beeld op de overloop en dat het gouden beeld ook op de overloop stond. Hiertegenover heeft de man met verwijzing naar de door hem overgelegde verklaringen aangevoerd dat het gouden beeld een geschenk van vrienden was dat dateert van voor zijn relatie met de vrouw, dat dat beeld niet uit Cambodja komt en dat het de laatste jaren in een doos op zolder heeft gelegen en nooit op de overloop heeft gestaan. Hierover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.5.

De veroordeling is gebaseerd op de erkenning van de vrouw dat zij één (1) beeld uit Cambodja dat op de overloop stond uit te woning heeft meegenomen, waarbij als vaststaand moet worden aangenomen dat het stenen beeld aan die omschrijving voldoet. Dat er nog een ander beeld uit Cambodja op de overloop stond, acht de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aannemelijk. Dit is ook in tegenspraak met de ter comparitie door de vrouw afgelegde, in 1.3. weergegeven verklaring, inhoudende dat zij van de souvenirs alleen een Boeddhabeeld heeft meegenomen en dat dat een ander beeld betreft dan het beeld dat op de overloop stond, terwijl zij naar aanleiding van een foto van de overloop heeft erkend dat zij ‘het beeld uit Cambodja heeft meegenomen. Indien er veronderstellenderwijs van zou worden uitgegaan dat er toch meer dan één beeld uit Cambodja op de overloop stond, dan had het op de weg van de vrouw gelegen om tijdens de comparitie aan de orde te stellen welk beeld de man voor ogen had. Indien zij haar vergissing pas nadien zou hebben bemerkt, had zij hoger beroep in moeten stellen tegen het vonnis van 12 maart 2014. Dat zij een en ander heeft nagelaten, dient voor haar rekening en risico te blijven. Dit (executie)kortgeding leent zich niet voor een verkapt hoger beroep tegen het vonnis van 12 maart 2014.

3.6.

Voor zover de vrouw heeft willen betogen dat zij in de onmogelijkheid verkeert aan de veroordeling te voldoen, overweegt de voorzieningenrechter dat deze vordering op grond van artikel 611d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient te worden voorgelegd aan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, in dit geval de rechter van de rechtbank Noord-Holland. Slechts indien het in hoge mate waarschijnlijk te achten is dat deze vordering in de daartoe bestemde procedure toewijsbaar is, kan de voorzieningenrechter in deze zaak daarop bij wijze van voorziening bij voorraad vooruitlopen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Redengevend daarvoor is het volgende. Ook de procedure op grond van artikel 611d Rv is niet bedoeld om te dienen als extra procedure om de juistheid van de hoofdveroordeling te beoordelen. Een onmogelijkheid zal in de regel ook niet snel worden aangenomen. Dat de vrouw in een dergelijke onmogelijkheid verkeert, kan zonder nader onderzoek – waarvoor deze procedure zich niet leent – niet worden vastgesteld. Haar verklaring dat zij het stenen beeld in de woning van de man heeft achtergelaten legt, ondanks de door haar overgelegde verklaringen, tegenover haar aanvankelijke erkenning onvoldoende gewicht in de schaal. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat de door de vrouw overgelegde verklaringen pas anderhalf jaar na de verhuizing zijn opgesteld door familieleden en vrienden van de vrouw.

3.7.

Slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van de vrouw moeten worden afgewezen. Zij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Nu het onderhavige geschil een executiegeschil betreft en daarmee slechts indirect betrekking heeft op de affectieve relatie van partijen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

in reconventie

3.8.

Voor toewijzing van de door de man gevorderde veroordeling in de reële proceskosten is slechts plaats in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM. (HR 29 juni 2007, LJN BA3516 en HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).

3.9.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in de onderhavige procedure onvoldoende gebleken van misbruik van procesrecht. De veroordeling onder 4.4. r van het vonnis van 12 maart 2014 vergde immers nog enige uitleg, zodat niet gezegd kan worden dat de vrouw op voorhand diende te begrijpen dat haar vordering geen enkele kans van slagen had.

3.10.

De reconventionele vordering van de man moet derhalve worden afgewezen. Hij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt de vrouw in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de man begroot op € 1.098,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 282,- aan griffierecht;

in reconventie

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt de man in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de vrouw begroot op € 408,- aan salaris advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2014 door mr. G.P. van Ham.

WJ