Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13497

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
AWB 13/29447
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2799, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het door eiser overgelegde rapport van een godsdienstpsycholoog kan, voor wat betreft het algemene deel, als een deskundigenoordeel worden aangemerkt ten aanzien van de wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid van een bekering, omdat de godsdienstpsycholoog daarin op basis van wetenschappelijk onderzoek een godsdienstpsychologische methode uiteenzet voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering. Het rapport van de godsdienstpsycholoog, voor zover dat betrekking heeft op de individuele beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde bekering van eiser, is niet op gelijke wijze als het algemene deel van het rapport aan te merken als deskundigenbewijs dat verweerder uitsluitend kan weerleggen door het inbrengen van een contra-expertise, nu het gaat om een waardering van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser, dat naar haar aard geen wetenschappelijk oordeel inhoudt. Dat die beoordeling wel aan de hand van een wetenschappelijke model is verricht, doet daaraan niet af. Dat brengt echter wel mee dat, ook omdat het rapport van de godsdienstpsycholoog op dit punt overigens inzichtelijk en concludent is en de deskundigheid van de godsdienstpsycholoog door verweerder als zodanig niet wordt bestreden, aan die beoordeling door de godsdienstpsycholoog, gelet op haar achtergrond en ervaring zoals die uit de bijlagen bij haar rapport blijkt, een zwaar gewicht toekomt. Hetzelfde heeft te gelden voor de door eiser overgelegde verklaring van de scriba van de generale synode van de Protestantse Kerk Nederland. Ook deze verklaring betreft een waardering van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser, dat naar haar aard geen deskundigenoordeel inhoudt. Aan deze verklaring komt echter eveneens een zwaar gewicht toe. De rechtbank acht daartoe van belang dat de scriba, die werkt in opdracht van zowel de advocatuur als de IND, betrokken is geweest bij het opstellen van een vragenlijst ten behoeve van de gehoren door verweerder van vreemdelingen die stellen te zijn bekeerd tot het christendom en die ten grondslag ligt aan de hiervoor bedoelde gedragslijn verweerder. Uit het voorgaande volgt tevens dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder bij uitstek deskundig moet worden geacht in de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering, in die zin dat aan zijn oordeel op voorhand meer gewicht toekomt dan aan het oordeel van de godsdienstpsycholoog en de scriba. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2014 volgt niet dat verweerder in dit geval onder verwijzing naar zijn eigen oordeel over de geloofwaardigheid van de bekering van eiser, het rapport van de godsdienstpsycholoog en de verklaring van de scriba zonder nadere motivering ter zijde kan schuiven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/29447

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd het individuele ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 29 augustus 2013 met kenmerk DCM/MA-I130417.0021. Eiser heeft de conclusie van het individuele ambtsbericht in beroep betwist.

Op verzoek van de rechtbank heeft de minister van Buitenlandse Zaken op 17 januari 2014 de stukken die ten grondslag liggen aan het individuele ambtsbericht aan de rechtbank toegezonden en daarbij op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank medegedeeld dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de stukken die aan het ambtsbericht ten grondslag liggen.

Bij beslissing van 19 maart 2014 heeft deze rechtbank en zittingsplaats in een andere samenstelling op grond van artikel 8:29, derde lid, Awb de door de minister van Buitenlandse Zaken verzochte beperkte kennisneming van de vertrouwelijke gedeelten van de aan het individueel ambtsbericht ten grondslag liggende stukken gerechtvaardigd geacht.

Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb, om mede op grondslag van de niet openbaar gemaakte informatie uitspraak te doen.

Verweerder heeft op 24 juni 2014 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser heeft in Iran een komedie geschreven en deze ter toetsing voorgelegd aan het Ministerie van Islamitische Begeleiding en Cultuur. Hierna is eiser uitgereisd naar zijn familie in Nederland, voor familiebezoek en om zijn filmscenario (van een nog te maken film) te laten vertalen, produceren en regisseren. In Nederland hoort hij dat er een inval is geweest van de geheime dienst in zijn huis. De agenten van deze dienst hebben eisers werkdocumenten, zijn harde schijf en het conceptscenario van de nog te maken film meegenomen. De politie heeft in burger aan zijn familie en buren naar zijn verblijfsplaats geïnformeerd. Eiser oriënteert zich vanaf januari 2012 op het christelijk geloof en in dit filmscenario beschrijft eiser aan de hand van ongeveer 12 onderwerpen de verschillen tussen de islam en het christelijk geloof. Via emailcontact met zijn dochter in Iran medio november 2012 is het eiser duidelijk geworden dat de Iraanse autoriteiten hem het zwijgen op willen leggen dan wel willen doden op grond van de inhoud van de komedie en het scenario van de film.
    Eiser heeft tot slot verklaard dat hij in 1979 na de revolutie door de islamitische garde is opgepakt en gemarteld. Eiser heeft gesteld te zijn bekeerd tot het christelijke geloof, nadat hij in contact was gekomen met een Armeense christen, [naam], die zijn motor repareerde.

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig acht. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het individuele ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 29 augustus 2013. De geraadpleegde bronnen zijn niet bekend met een inval op het genoemde adres. Nu in de woning van eiser geen inval heeft plaatsgevonden, is evenmin geloofwaardig dat er bij deze inval voor eiser belastende stukken zijn meegenomen. Nu niet geloofwaardig is dat belastende stukken zijn meegenomen, is evenmin geloofwaardig dat eiser op grond van deze stukken te vrezen zou hebben voor vervolging door de Iraanse autoriteiten. Voorts heeft eiser tegenstrijdige en onvolledige verklaringen afgelegd over de door hem geschreven stukken. Voor zover eiser literaire stukken heeft geschreven, is niet aannemelijk dat eiser in zijn geschriften dingen schrijft die problematisch zijn voor de Iraanse overheid, nu eiser zonder problemen legaal kon uitreizen. De verklaring van eiser dat hij bij de revolutie van 1979 door de islamitische garde is opgepakt en gemarteld leidt niet tot de conclusie dat eiser vluchteling is in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag). Immers, dit was voor eiser geen aanleiding om Iran te ontvluchten. Tevens heeft eiser nadien nog bijna twintig jaar zonder problemen in overheidsdienst gediend.
    Verweerder acht evenmin geloofwaardig dat eiser zich heeft bekeerd tot het christelijke geloof.

3. Eiser voert aan dat uit het individuele ambtsbericht slechts volgt dat niet bevestigd kon worden dat de inval in zijn woning heeft plaatsgevonden, maar de gestelde inval is niet door het onderzoek dat heeft geleid tot het individuele ambtsbericht ontkracht. Onvoldoende inzichtelijk is waarom de gestelde inval niet heeft plaatsgevonden, nu die conclusie niet volgt uit het individuele ambtsbericht.

3.1

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraken van 12 oktober 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD5964) en van 7 september 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ7518), een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Ten aanzien van individuele ambtsberichten heeft de Afdeling overwogen dat, indien een individueel ambtsbericht het asielrelaas, waarop het betrekking heeft, op essentiële punten weerspreekt, het aan de vreemdeling is om het ambtsbericht te weerleggen.

3.2

De rechtbank is, na kennisname van de onderliggende stukken en de geraadpleegde bronnen, van oordeel dat eiser zich weliswaar terecht op het standpunt stelt dat uit het individuele ambtsbericht niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat de door eiser gestelde inval in zijn woning niet heeft plaatsgevonden, maar het ambtsbericht biedt evenmin een bevestiging van de gestelde inval. Nu de geraadpleegde bronnen de inval niet hebben kunnen bevestigen, en in redelijkheid verondersteld kan worden dat de geraadpleegde bronnen daarvan op de hoogte hadden kunnen zijn indien de inval had plaatsgevonden, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat de inval heeft plaatsgevonden. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten geboden voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het individuele ambtsbericht. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat verweerder niet heeft kunnen concluderen tot ongeloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over de inval in zijn woning en de inbeslagname van voor eiser belastende stukken, op grond waarvan eiser stelt te vrezen voor vervolging door de Iraanse autoriteiten.
De beroepsgrond slaagt niet.

4. Tegen de beoordeling door verweerder van de geloofwaardigheid van de bekering van eiser voert eiser aan dat het bestreden besluit niet in overeenstemming is met de vaste gedragslijn van verweerder, zoals deze blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:762). Verweerder had moeten kijken naar de motieven voor en het innerlijke proces van bekering, de persoonlijke betekenis van de bekering voor eiser en zijn kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Verweerder heeft de verklaringen van eiser in dit verband niet in onderlinge samenhang bezien.

4.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit primair op het standpunt gesteld dat, nu eiser heeft verklaard dat hij zijn problemen in Iran heeft gekregen doordat hij was bekeerd tot de christelijke leer, en de problemen van eiser in Iran ongeloofwaardig zijn, afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over zijn bekering in Iran. Daarnaast kan op grond van hetgeen eiser heeft verklaard over het maken van een film, waarin de verschillen tussen het christelijke geloof en de islam zichtbaar worden, niet worden geconcludeerd dat eiser daadwerkelijk is bekeerd en als gevolg daarvan problemen zou kunnen krijgen met de Iraanse overheid. Eiser heeft zijn verklaringen over zijn filmproject, waarvoor in Nederland de Evangelische Omroep interesse zou hebben, niet aannemelijk gemaakt. Voorts kan louter uit het maken van een film niet worden geconcludeerd dat sprake is van een oprechte bekering.
Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat eiser zijn bekering niet geloofwaardig heeft gemaakt, omdat hij geen blijk heeft gegeven van een persoonlijk proces, waarbij zijn persoonlijke identiteit en beleving aantoonbaar zijn veranderd. De algemene uitspraken over liefde en vergeving, en afkeer van wraak, wrok, haat en nijd, die eiser aanvoert, geven geen blijk van een verandering van persoonlijke identiteit en beleving. Daarbij zijn deze uitspraken algemeen religieuze overwegingen, waarin de christelijke leer niet wezenlijk verschilt van de islam. Van eiser, als hoogopgeleide persoon, als gewezen leraar met schrijversambities, mag worden verwacht dat hij in staat moet zijn een proces van bekering in termen van identiteit en beleving te kunnen beschrijven. Uit de verklaringen van eiser spreekt veel meer een theoretische interesse, die in Iran niet strafbaar is en, gezien de algemene toegankelijkheid van de diverse christelijke bronnen in Iran, ook nagevolgd kan worden.
Het louter lezen van de Bijbel en het bezoeken van de kerk is onvoldoende om een bekering geloofwaardig te maken.
Verweerder stelt zich in zijn verweerschrift op het standpunt dat hij de vaste gedragslijn heeft toegepast, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0955). Verweerder beziet alle onderdelen in samenhang en verwacht van een vreemdeling dat enig inzicht wordt verschaft in het bekeringsproces en in de innerlijke beweegredenen.

4.2

De vaste gedragslijn van verweerder, zoals bedoeld in voornoemde uitspraken van de Afdeling van 24 mei 2013 en 6 augustus 2013, houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die - voor zover toepasselijk in het concrete geval - grofweg kunnen worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van een bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op de algemene, basale kennis van de geloofsleer en de geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten.

4.3

Ten aanzien van het primaire standpunt van verweerder, voert eiser terecht aan dat dit standpunt niet in overeenstemming is met de hiervoor bedoelde vaste gedragslijn van verweerder, nu verweerder daarbij niet de motieven voor en het proces van bekering van eiser heeft betrokken. Uit het feit dat verweerder de door eiser gestelde, in zijn land van herkomst ondervonden problemen, die (mede) in relatie staan tot de door eiser gestelde bekering tot het christendom, niet geloofwaardig acht en verweerder de verklaringen van eiser over zijn filmproject in Nederland niet aannemelijk heeft bevonden, volgt niet dat de gestelde bekering zelf eveneens ongeloofwaardig is (vgl. voornoemde uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2013). Verweerder diende daarom de geloofsovertuiging van eiser te onderzoeken, hetgeen verweerder in zijn subsidiaire standpunt ook heeft gedaan. De rechtbank komt dan ook toe aan een beoordeling van dat standpunt van verweerder, aan de hand van de beroepsgrond van eiser dat ook de beoordeling van zijn geloofsovertuiging niet in overeenstemming is met de vaste gedragslijn van verweerder.


4.4 Uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013 volgt dat volgens verweerder de waardering van verklaringen van een vreemdeling die stelt zijn bekeerd, verschilt van die van een vreemdeling met ouders die zijn gestelde geloofsovertuiging ook hebben en deze aan hem hebben doorgegeven. Aan een bekering gaat immers steeds een welbewuste en weloverwogen keuze van een vreemdeling vooraf. Verweerder hecht in het geval van een bekering in voorkomende gevallen in het bijzonder waarde aan de beantwoording door een vreemdeling van vragen over de motieven voor en het proces van bekering, Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar men overwegend een andere geloofsovertuiging heeft, dan wel waar de eerdere geloofsovertuiging van een vreemdeling de enige maatschappelijk aanvaarde godsdienst of staatsgodsdienst is en het zich bekeren tot een andere geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is.

4.5

Eiser is afkomstig uit Iran, waar bekering tot een andere dan de in dat land gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is. Geen grond bestaat dan ook voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid in het bijzonder waarde mag hechten aan antwoorden van eiser op vragen over de motieven voor en het proces van bekering.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 15 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2801) is er geen grond voor het oordeel dat alle drie categorieën waarover verweerder in het kader van de hiervoor bedoelde vaste gedragslijn vragen pleegt te stellen, in de besluitvorming dienen terug te komen. Het staat verweerder namelijk vrij aan de motieven voor en het proces van bekering een doorslaggevend gewicht toe te kennen. Verweerder is dan ook niet gehouden de antwoorden van eiser op vragen over de geloofsleer, geloofspraktijk en kerkgang in de motivering van het besluit te betrekken, indien hij zich op het standpunt stelt dat, reeds gelet op de volgens verweerder ontoereikende verklaringen van eiser over de motieven voor en het proces van bekering, aan diens antwoorden op vragen uit de andere categorieën geen gewicht toekomt.
De beroepsgrond slaagt niet.


5. Eiser voert tegen de beoordeling door verweerder van zijn motieven voor en zijn proces van bekering aan dat verweerder in redelijkheid zijn bekering niet ongeloofwaardig heeft kunnen vinden en dat de motivering van het bestreden besluit de gestelde ongeloofwaardigheid niet kan dragen. Eiser verwijst daartoe naar een verklaring van dr. A.J. Plaisier, scriba van de generale synode van de Protestantse Kerk Nederland, van 13 november 2013, die naar aanleiding van een gesprek met eiser heeft geconcludeerd dat hij geen reden heeft om de authenticiteit van de bekering van eiser en van zijn christenzijn in twijfel te trekken. Voorts verwijst eiser naar een rapport ‘inzake geloofwaardigheid bekering’ van dr. J.W. van Saane, godsdienstpsycholoog, van 11 juni 2014, waarin zij gemotiveerd uiteenzet dat zij de bekering van eiser geloofwaardig acht. Voorts heeft verweerder miskend dat eiser heeft verklaard dat hij een hekel heeft aan de islam, en dat hij heeft verklaard over zijn problemen in het verleden met de Revolutionaire Garde (Sepah Pasderan) door wie hij is mishandeld en waardoor hij een oog heeft verloren, waardoor zijn afkeer van de islam kan worden verklaard.

Volgens eiser is niet duidelijk welke deskundigheid verweerder heeft gebruikt om de bekering van eiser te beoordelen. Nergens blijkt de deskundigheid van de contactambtenaar, de tolk of de beslisambtenaar, daar waar het aankomt op beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering. Als een bestuursorgaan door een gebrek aan kennis of deskundigheid niet zelfstandig tot een voorbereiding van een besluit in staat is, is het gehouden die expertise in te winnen.

Ter zitting heeft eiser zich nader op het standpunt gesteld dat de verklaringen van dr. Plaisier en dr. Van Saane als deskundigenberichten moeten worden aangemerkt. Uitgangspunt in het bestuursrecht is, zodra sprake is van deskundigenbewijs, dat de wederpartij dit door een contra-expertise moet ontkrachten. Verweerder heeft geen contra-expertise ingebracht.

5.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, naast de onder 4.1 weergegeven motivering waarom hij de bekering van eiser niet geloofwaardig acht, op het standpunt gesteld dat eiser geen blijk heeft gegeven van een passieve bekering met sterke gevoelens, eerst wanhopig en daarna vol liefde en hoop. Evenmin heeft eiser blijk gegeven van een actieve bekering, waarbij volgens dr. Van Saane sprake is van een cognitieve beleving, die zeven, niet nader genoemde stadia, doorloopt, nu eiser slechts spreekt over algemene, oppervlakkige religieuze overwegingen en nergens verklaart op welke persoonlijke gronden hij de christelijke leer prefereert boven de islam.
Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de overgelegde documenten van Van Saane en Plaisier kunnen dienen ter staving van de gestelde bekering, maar dat dit de verantwoordelijkheid van eiser onverlet laat om overtuigende verklaringen af te leggen omtrent de motieven van het proces tot bekering. Verweerder verwijst daartoe naar jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 6 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:818).

Uit het rapport van Van Saane kan worden afgeleid dat dit rapport niet is gebaseerd op een persoonlijk gesprek tussen Van Saane en eiser. Voorts is geen rekenschap gegeven van de mogelijkheid dat de verklaringen inzake een bekering onder valse voorwendselen kunnen zijn afgelegd. Zeker bij een actieve bekering mag van eiser worden verwacht dat hij aannemelijk weet te verklaren over het doorgemaakte proces. Hiervan is niet gebleken. De opmerking van Van Saane in haar rapport dat de afkeer van eiser voor de islam in de loop der jaren groter is geworden, kan niet uit het rapport van nader gehoor worden afgeleid. Evenmin kan uit het rapport van nader gehoor worden afgeleid dat eiser actief op zoek was naar zin in zijn leven. Verweerder merkt hierbij op dat eiser heeft verklaard in 1998 met pensioen te zijn gegaan. Als dat als reden zou moeten worden aangemerkt voor het feit dat eiser zich ging interesseren in religie, is het niet aannemelijk dat eiser in de gehoren niet heeft gesproken over deze interesse dan wel over een zoektocht en is het op zijn minst bevreemdend dat eiser eerst in 2011 via [naam] in aanraking komt met het christelijke geloof en enkel op basis van wat [naam] zegt tot bekering komt, zonder enig onderzoek te hebben gedaan.

Eiser heeft tegenover Plaisier kennelijk andere verklaringen afgelegd over zijn filmscript, dan tegenover verweerder in het nader gehoor. Zo heeft eiser in zijn nader gehoor enkel verklaard dat het gaat om een komedie, terwijl hij ten overstaan van Plaisier kennelijk heeft verklaard dat het gaat om een film over een man die droomde dat hij naar Nazi-Duitsland ging en dat eiser hiermee problemen heeft gekregen met de Iraanse autoriteiten, omdat hij het script zou hebben ingeleverd op het moment van de aanslag op de Amerikaanse ambassade in Libië. Dat laatste kan verweerder niet rijmen met de verklaringen die eiser in onderhavige procedure heeft afgelegd.

Plaisier en Van Saane zijn geen deskundigen op het gebied van de geloofwaardigheidsbeoordeling van een bekering in het licht van een asielprocedure. Het is bij uitstek verweerder die de geloofwaardigheid van een bekering in het licht van de asielprocedure kan beoordelen. Verweerder beoordeelt de geloofwaardigheid van het asielrelaas op basis van het gehele dossier van de vreemdeling, waaronder uitvoerige gehoren en door vergelijking van het asielrelaas met al datgene wat de IND weet over de situatie in het land van herkomst uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat eerder is onderzocht en overwogen naar aanleiding van gehoren van andere vreemdelingen in vergelijkbare situaties. Dit overzicht stelt de IND in staat die beoordeling vergelijkenderwijs en aldus geobjectiveerd te verrichten. Bovendien heeft de IND kennis en expertise in huis, waaronder een godsdienstpsycholoog en krijgen IND-medewerkers de nodige opleiding om vreemdelingen over hun bekering te ondervragen en een geobjectiveerde beoordeling te verrichten. Nu verweerder deskundig is op het gebied van beoordeling van de geloofwaardigheid van bekeringen in licht van de asielprocedure is verweerder niet gehouden een deskundige in te schakelen. Gelet hierop maken de overgelegde verklaringen van derden niet dat de bekering alsnog als geloofwaardig dient te worden aangemerkt.

5.2

In het algemene, niet specifiek op eiser toegespitste, deel van het door eiser ingebrachte rapport van dr. Van Saane geeft zij, op basis van gelijkluidende conclusies van verschillende benaderingen of paradigma’s van godsdienstpsychologisch onderzoek, een algemene godsdienstpsychologische beschrijving van een bekeringsproces. Op basis daarvan hanteert Van Saane twee criteria om de geloofwaardigheid van bekeringen vast te stellen: interne consistentie en externe consistentie.
In het kader van de interne consistentie is het onderscheid tussen een passieve of een actieve vorm van bekering van belang. Bij een actieve bekeerling wordt de bekeerling gezien als een actieve zinzoeker, die zijn huidige levensovertuiging niet bevredigend vindt. Passieve bekeringen worden gekenmerkt door de ervaring dat men buiten de eigen directe wil een transformatie ondergaat. Deze transformatie kan gepaard gaan met extreme ervaringen.
De geloofwaardigheid van een actieve bekering wordt volgens Van Saane beoordeeld aan de hand van het stadiummodel van Rambo (R.L. Rambo, Understanding religious conversion (1993)), volgens welk model een bekering verloopt volgens 7 stadia (context, crisis of desoriëntatie, zoektocht of queeste, ontmoeting, interactie, commitment en consequenties). Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de bekeerling kan aangeven waarom zijn of haar vroegere zingevingssysteem niet meer voldoet, waarbij Van Saane drie niveaus van het menselijk functioneren onderscheidt waarop een geloofwaardige bekering zich afspeelt: affectief, cognitief en gedragsmatig. Voorts worden volgens Van Saane geloofwaardige bekeringen gekenmerkt door overeenstemming tussen motivaties voor de bekering en de manier waarop de bekering tot uiting komt.
Om de bekering te beoordelen als geloofwaardig volgens het tweede criterium, de externe consistentie, moet het bekeringsverhaal qua terminologie en verhouding tussen affectief en cognitief gedragsmatig passen bij de achtergrond van de bekeerling en bij de religieuze groep waartoe de bekeerling zich gewend heeft.

5.3

Voornoemd rapport van Van Saane kan, voor wat betreft het algemene deel, als een deskundigenoordeel worden aangemerkt ten aanzien van de wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid van een bekering, omdat Van Saane daarin op basis van wetenschappelijk onderzoek een godsdienstpychologische methode uiteenzet voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering. De rechtbank stelt vast dat verweerder de inhoud van het door eiser overgelegde rapport van Van Saane, voor zover dit het algemene deel betreft, niet heeft bestreden. Daarom heeft de juistheid van de door Van Saane uiteengezette methode om de geloofwaardigheid van een bekering te beoordelen, ook voor verweerder als uitgangspunt te gelden.

Het rapport van Van Saane, voor zover dat betrekking heeft op de individuele beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde bekering van eiser, is niet op gelijke wijze als het algemene deel van het rapport aan te merken als deskundigenbewijs dat verweerder uitsluitend kan weerleggen door het inbrengen van een contra-expertise, nu het gaat om een waardering van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser, dat naar haar aard geen wetenschappelijk oordeel inhoudt. Dat die beoordeling wel aan de hand van een wetenschappelijke model is verricht, doet daaraan niet af. Dat brengt echter wel mee dat, ook omdat het rapport van Van Saane op dit punt overigens inzichtelijk en concludent is en de deskundigheid van Van Saane door verweerder als zodanig niet wordt bestreden, aan die beoordeling door Van Saane, gelet op haar achtergrond en ervaring zoals die uit de bijlagen bij haar rapport blijkt, een zwaar gewicht toekomt.
Hetzelfde heeft te gelden voor de door eiser overgelegde verklaring van Plaisier. Ook deze verklaring betreft een waardering van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser, dat naar haar aard geen deskundigenoordeel inhoudt. Aan deze verklaring komt echter eveneens een zwaar gewicht toe. De rechtbank acht daartoe van belang dat Plaisier, die werkt in opdracht van zowel de advocatuur als de IND, betrokken is geweest bij het opstellen van een vragenlijst ten behoeve van de gehoren door verweerder van vreemdelingen die stellen te zijn bekeerd tot het christendom en die ten grondslag ligt aan de hiervoor bedoelde gedragslijn verweerder.
Uit het voorgaande volgt tevens dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder bij uitstek deskundig moet worden geacht in de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering, in die zin dat aan zijn oordeel op voorhand meer gewicht toekomt dan aan het oordeel van Van Saane en Plaisier.

5.4

Uit de jurisprudentie van de Afdeling waarnaar verweerder heeft verwezen, onder meer de onder 5.1 genoemde uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2014, volgt dat de enkele verklaring van een geestelijke of voorganger waarin deze zich uitspreekt over de oprechtheid van de bekering, de vreemdeling niet ontslaat van de plicht ook tegenover verweerder de gestelde bekering aannemelijk te maken. Daaruit volgt echter niet dat verweerder in dit geval onder verwijzing naar zijn eigen oordeel over de geloofwaardigheid van de bekering van eiser, het rapport van Van Saane en de verklaring van Plaisier zonder nadere motivering ter zijde kan schuiven. De oordelen van Van Saane en Plaisier in de zaak van eiser kunnen niet op een lijn worden gesteld met de verklaring van een geestelijk voorganger van de kerk van de betrokken vreemdeling, zoals in voornoemde uitspraak van de Afdeling aan de orde was, nu Van Saane en Plaisier geen oordeel hebben gegeven over de bekering van eiser vanuit hun eigen betrokkenheid bij het bekeringsproces van eiser, maar op basis van een door hen gehanteerde objectieve (wetenschappelijke) methode om de geloofwaardigheid van de bekering te beoordelen. Bovendien volgt uit de uitspraak van de Afdeling van dezelfde datum (ECLI:NL:RVS:2014:890), waarnaar in voornoemde uitspraak wordt verwezen, dat verweerder aan de hand van verklaringen van derden, waaraan in dit geval, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3 is overwogen, een zwaar gewicht toekomt, een oordeel te vormen over de geloofwaardigheid van de gestelde bekering.


5.5 Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het rapport van Van Saane niet ter zijde kan schuiven, reeds omdat zij eiser niet persoonlijk heeft gesproken. Van Saane heeft immers blijkens haar rapport het verslag van het nader gehoor van verweerder als uitgangspunt genomen, alsmede de correcties en aanvullingen daarop. Voorts heeft Van Saane het voornemen, de zienswijze en het bestreden besluit geraadpleegd. Van Saane heeft derhalve over dezelfde gegevens beschikt om de geloofwaardigheid van de bekering van eiser te beoordelen als verweerder.

5.6

Het standpunt van verweerder dat Van Saane geen rekenschap heeft gegeven van de mogelijkheid dat verklaringen inzake een bekering onder valse voorwendselen kunnen zijn afgelegd, vindt geen steun in het rapport van Van Saane. In het algemene deel van het rapport, zoals hiervoor weergegeven onder 5.2, heeft zij uiteengezet aan de hand van welke objectieve criteria kan worden beoordeeld of een proces van bekering als geloofwaardig kan worden aangemerkt. Dat veronderstelt de mogelijkheid dat iemand ook ongeloofwaardige verklaringen aflegt over een gestelde bekering. De door haar nader toegelichte criteria van de interne en externe consistentie van het gestelde bekeringsproces dienen juist om de geloofwaardige bekering te kunnen onderscheiden van de ongeloofwaardige bekering.

5.7

Van Saane heeft in het op eiser toegesneden rapport gemotiveerd geconcludeerd dat de bekering van eiser dient te worden geduid als een actieve bekering, maar dat het ook duidelijk passieve elementen bevat. Niet is gebleken dat verweerder zich hiervan rekenschap heeft gegeven in zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van het bekeringsproces van eiser, nu hij in zijn beoordeling de aanname tot uitgangspunt heeft genomen dat aan de bekering van eiser uitsluitend een welbewuste en weloverwogen keuze ten grondslag kan liggen. Weliswaar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ook niet is gebleken van een passieve bekering met sterke gevoelens, maar dat gaat uit van de veronderstelling dat slechts sprake kan zijn van ofwel een volledige actieve bekering, ofwel een volledige passieve bekering, terwijl uit het rapport van Van Saane blijkt dat beide elementen van invloed kunnen zijn op een bekeringsproces. Van Saane heeft in dit verband onder meer het volgende vastgesteld:

Het bekeringsverhaal van [eiser] kan […] worden gerekend als een actieve bekering, maar het bevat ook duidelijk passieve elementen […]. Hij leek vrij plotseling geraakt door wat een vriend vertelde over het christendom en de zoektocht leek niet heel uitgebreid te zijn. Dit is echter begrijpelijk in de Iraanse context, waarin een bekering naar het christendom niet zonder gevaar is. Volgens Rambo is de realiteit dat “sommige mensen passief zijn en andere actief, en veel mensen zijn actief op sommige momenten en passief op andere”. Hoe actief of passief iemand zich opstelt heeft ook veel te maken met de sociaal-culturele en religieuze context [pagina 4 van het rapport van Van Saane].

Het standpunt van verweerder dat uit het nader gehoor niet kan worden afgeleid dat eiser actief op zoek was naar zin in het leven, gaat voorbij aan hetgeen Van Saane in haar rapport hierover gemotiveerd naar voren heeft gebracht. Voorts heeft Van Saane toegelicht dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen blijk heeft gegeven van een verandering van de persoonlijke identiteit en beleving, die met een bekering gepaard gaan (pagina 6 van het rapport van Van Saane), omdat eiser na weinig religieus betrokken te zijn geweest, nu meerdere keren per week de kerk bezoekt en zegt zich diep in zijn hart verbonden te voelen met Jezus Christus (verslag van het nader gehoor, pagina 11). Eerst schreef hij alleen komedies, maar door zijn gevoel van verbondenheid met het christendom is hij een filmscenario gaan schrijven (verslag van het nader gehoor, pagina 12). Tegelijk is een verandering in identiteit mogelijk nog sterker te zien later in het bekeringsproces. Volgens Van Saane is het niet redelijk om veranderingen in identiteit te willen zien, terwijl eiser op het moment van het nader gehoor nog volop in deze fase lijkt te zitten.
Verweerder stelt zich voorts ten onrechte op het standpunt dat uit het rapport van het nader gehoor niet kan worden afgeleid dat de afkeer van eiser van de islam in de loop jaren groter is geworden, zoals Van Saane in haar rapport stelt. Eiser heeft immers verklaard dat hij in het verleden onverschillig was ten opzichte van de islam. Hij had een hekel had aan de islam, maar geen tijd om daaraan te werken. Toen hij ouder werd en met pensioen ging en hij drie jaar geleden alleen met zijn vrouw overbleef nadat zijn jongste kind trouwde, had hij meer tijd en rust om daarmee bezig te zijn (verslag van het nader gehoor, pagina 13). In het eerste gehoor heeft eiser verklaard dat de marteling door de Islamitische Revolutionaire Garde, waarbij hij een oog is verloren, de basis is van zijn haat (verslag van het eerste gehoor, pagina 12).
Verweerder heeft zijn conclusie dat eiser geen blijk heeft gegeven van een actieve bekering die is verlopen volgens de 7 stadia van Rambo, zoals door Van Saane bedoeld in het algemene deel van haar rapport, mede gelet op het voorgaande, onvoldoende gemotiveerd door zich op het standpunt te stellen dat eiser slechts spreekt over algemene, oppervlakkige religieuze overwegingen. Van Saane heeft immers het door eiser gestelde bekeringsproces beoordeeld aan de hand van de 7 stadia van Rambo en gemotiveerd gesteld dat het bekeringsproces van eiser voldoet aan elk van deze stadia. Verweerder heeft de bevindingen van Van Saane niet aan de hand van deze stadia gemotiveerd weerlegd. Evenmin is verweerder ingegaan op hetgeen Van Saane gemotiveerd naar voren heeft gebracht over het affectieve, cognitieve en gedragsmatige niveau waarop de volgens Van Saane geloofwaardige bekering van eiser zich afspeelt, de motivaties van eiser voor de bekering die volgens Van Saane overeenstemt met de manier waarop de bekering van eiser tot uiting komt, en de externe consistentie van het bekeringsproces van eiser.

5.8

Bij het voorgaande komt dat de bevindingen van Van Saane steun vinden in de verklaring van Plaisier. In zijn verklaring concludeert Plaisier dat hij geen reden heeft om de authenticiteit van de bekering van eiser en zijn christenzijn in twijfel te trekken. Ter toelichting stelt Plaisier dat eiser onder beslag komt van het christendom en dat hij dit als schrijver direct wil omzetten in communicatie. Wat ook de geloofsweg naar het christendom geweest is, wat begonnen is als nieuwsgierigheid en wellicht een artistieke openheid, is volgens hem intussen uitgegroeid tot een existentiële binding aan het christelijke geloof. Daarbij heeft hij vastgesteld dat eiser over voldoende kennis beschikt van het christelijk geloof (duidelijke kennis van de betekenis van de christelijke feestdagen, kent zo ongeveer alle namen van de apostelen van Jezus).
Gezien de verklaring van Plaisier in samenhang met het rapport van Van Saane, kan verweerder zonder nadere motivering evenmin worden gevolgd in zijn standpunt dat de verklaring van Plaisier niet kan afdoen aan zijn in het bestreden besluit opgenomen geloofwaardigheidsoordeel over de bekering van eiser.
Verweerder heeft terecht vastgesteld dat de verklaringen die eiser tegenover Plaisier heeft afgelegd over problemen die hij met de Iraanse autoritieten stelt te hebben ondervonden vanwege een filmscript, niet overeenstemmen met zijn verklaringen in het nader gehoor. Uit de verklaring van Plaisier blijkt echter niet dat deze verklaringen van eiser van invloed zijn geweest op het oordeel van Plaisier over de geloofwaardigheid van het bekeringsproces van eiser. Plaisier heeft zijn oordeel immers gebaseerd op de gebleken betrokkenheid van eiser op het christelijk geloof, zijn ervaringen in Nederland in dat verband en de kennis van het geloof waarover eiser beschikt. Uit het feit dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de problemen die hij stelt in Iran te hebben ondervonden vanwege een filmscript, volgt bovendien niet dat de gestelde bekering zelf eveneens ongeloofwaardig is (vgl. 4.3, hiervoor). Voornoemde vaststelling door verweerder is daarom onvoldoende om aan de verklaring van Plaisier voorbij te gaan.

5.9

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zijn standpunt dat de bekering van eiser tot het christelijk geloof ongeloofwaardig is, onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft niet zonder nadere motivering aan de inhoud van het rapport van Van Saane en de verklaring van Plaisier voorbij kunnen gaan.

De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.

6.1

De rechtbank ziet, gelet op het feit dat aan het bestreden besluit verschillende motiveringsgebreken kleven, de aard van de geconstateerde gebreken en het feit dat niet is uitgesloten dat tot een nader gehoor dan wel nader onderzoek besloten zal worden, geen aanleiding tot toepassing van de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a Awb.

6.2

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 974,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 974,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.