Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13300

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
C-09-466669
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 14-3972

Zaaknummer: C/09/466669

Datum beschikking: 8 september 2014

Ontheffing van het gezag

Beschikking op het op 26 mei 2014 ingekomen verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming regio Haaglanden,

gevestigd te Den Haag,

hierna: de Raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat: --,

Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

de beoogd voogdes,

gevestigd te Zoetermeer,

hierna: Bureau Jeugdzorg,

alsmede

[de pleegouders],

de pleegouders,

wonende op een geheim adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het rapport van de zijde van de Raad d.d. 21 mei 2014, kenmerk: [kenmerknummer].

Op 28 juli 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de pleegouders, de heer J. Ekkels namens de Raad en mevrouw A. Goedbloed namens Bureau Jeugdzorg. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

De man heeft blijkens het uittreksel van de Basisregistratie Personen geen hier te lande bekende woon- of verblijfplaats.

Opmerking vooraf

Deze procedure betreft [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats]. Als juridisch vader van voornoemde minderjarige is aangemerkt [de man], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland (hierna: de man). Aangezien in deze procedure onder aan de orde zal komen de vraag of de man het gezag uitoefent is hij vooralsnog niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering aangemerkt.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift, zoals dat thans luidt (na wijziging ter terechtzitting), strekt tot het (gedwongen) ontheffen van de vrouw van het ouderlijk gezag over voormelde minderjarige en tot het voor recht verklaren dat – voor zover het huwelijk van partijen ten tijde van de geboorte van voormelde minderjarige nog in stand was – het gezag van de man geschorst is. De Raad verzoekt voorts Bureau Jeugdzorg te benoemen tot voogdes, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- De vrouw is met de man gehuwd op [datum].

- De minderjarige, [de minderjarige], is uit de vrouw geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats].

- Bij beschikking d.d. 16 november 2010 is de ondertoezichtstelling over de minderjarige uitgesproken. Deze ondertoezichtstelling is bij beschikking d.d. 21 oktober 2013 laatstelijk verlengd tot 1 november 2014.

- Bij beschikking d.d. 17 januari 2011 is de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige verleend. Deze machtiging is bij beschikking d.d. 21 oktober 2013 laatstelijk verlengd tot 1 november 2014.

- De minderjarige verblijft thans bij de pleegouders.

Beoordeling

Aan de orde is de vraag of het huwelijk van de vrouw en de man ten tijde van de geboorte van[de minderjarige] nog in stand was. De rechtbank stelt voorop dat blijkens de door de rechtbank ambtshalve geraadpleegde gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) betreffende de vrouw partijen thans nog immer gehuwd zijn (en mitsdien ten tijde van de geboorte van[de minderjarige] gehuwd waren). In de gegevens uit de BRP betreffende de man is echter vermeld dat het huwelijk van partijen is ontbonden op [datum]. De rechtbank stelt vast dat de ontbinding van het huwelijk van partijen niet zeker is nu er geen echtscheidingsakte beschikbaar is. Dientengevolge kan in deze beschikking niet tot uitgangspunt worden genomen dat het huwelijk ten tijde van de geboorte van[de minderjarige] reeds ontbonden was en mitsdien de man niet de juridisch vader van de minderjarige is. Voor de beoordeling dient de rechtbank derhalve tot uitgangspunt te nemen dat de man de juridische vader is en daarmee komt zij toe aan een beoordeling van het verzoek van de Raad aangaande de schorsing van de man in het gezag over[de minderjarige].

Verzoek ten aanzien van de man

Ingevolge artikel 1:253r, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het bepaalde in artikel 1:253q BW van overeenkomstige toepassing, indien het bestaan of de verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is. Lid twee van dit artikel bepaalt dat het gezag dat aan één of beide ouders toekomt is geschorst gedurende de tijd waarin voornoemde omstandigheid zich voordoet.

De rechtbank stelt ten aanzien van de man, van wie de verblijfplaats thans onbekend is, vast dat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 1:253r, eerste lid, onderdeel b, BW. Daarmee is op de voet van het bepaalde in artikel 1:253r, tweede lid, BW het gezag van de man geschorst. De man is immers, blijkens de door de rechtbank ambtshalve geraadpleegde gegevens van de BRP van de man, sinds maart 2012 met onbekende woon- of verblijfplaats geëmigreerd. Het verzoek van de Raad zal dientengevolge worden toegewezen. Nu de man is geschorst, is zijn ontheffing uit het gezag niet aan de orde. Ten gevolge van die schorsing dient immers tot uitgangspunt te worden genomen dat de vrouw het eenhoofdig gezag over de minderjarige uitoefent.

Verzoek ten aanzien van de vrouw

Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, indien deze ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet.

De Raad legt aan het verzoek ten grondslag dat de vrouw ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen en voert daartoe het volgende aan. De minderjarige is vrijwel direct na zijn geboorte uit huis geplaatst. De vrouw was door haar eigen problematiek (vermoedelijk verslavingsproblematiek) niet in staat zelfstandig voor hem te zorgen. De minderjarige is het vijfde kind van de vrouw. Van haar vier andere kinderen is de vrouw ontheven uit het ouderlijk gezag. Gedurende de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige is de vrouw niet in staat gebleken zich aan de gemaakte afspraken te houden. Voorts lukt het de vrouw vanaf het begin van de uithuisplaatsing van de minderjarige niet om de afspraken omtrent de omgang met de minderjarige na te komen. De vrouw is onvoldoende in staat, nu en in de toekomst, om de minderjarige zelfstandig op te voeden en te verzorgen. Dit houdt niet alleen verband met haar eigen problematiek, maar houdt ook met het feit dat bij de minderjarige diabetes type 1 is gediagnosticeerd en er zorgen zijn over de hechting van de minderjarige. Dit heeft ten gevolg dat de minderjarige specifieke aandacht en verzorging nodig heeft.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vrouw als volgt. Op grond van hetgeen uit het raadsrapport en ter terechtzitting naar voren is gekomen, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:266 BW, te weten de ongeschiktheid of onmacht van de vrouw om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. De minderjarige is immers al vanaf november 2010 onder toezicht gesteld en vanaf 2011 uit huis geplaatst. Voorts is er geen zicht op terugplaatsing van de minderjarige bij de vrouw aangezien de vrouw vanwege haar problematiek niet in staat is om voor de minderjarige te zorgen. Daarbij komt dat de minderjarige sinds 2011 bij de pleegouders verblijft en daar een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt.

De vrouw verzet zich niet tegen de verzochte ontheffing. Zij heeft in deze procedure geen verweer gevoerd.

Nu de vrouw zich niet verzet tegen de verzochte ontheffing en voorts het belang van de minderjarige zich niet tegen de verzochte ontheffing verzet, zal de rechtbank het verzoek toewijzen en de vrouw ontheffen van het gezag over de minderjarige.

Slotsom

Nu de man, indien hij als juridische vader van[de minderjarige] moet worden aangemerkt, is geschorst in de uitoefening van het gezag en voorts de vrouw uit het gezag zal worden ontheven, is sprake van een situatie waarin het gezag over[de minderjarige] niet wordt uitgeoefend. Daarmee is het verzoek van de Raad om een voogd te benoemen toewijsbaar.

Bureau Jeugdzorg heeft zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij over de minderjarige te aanvaarden en zal mitsdien tot voogd worden benoemd.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht – voor zover het huwelijk van de vrouw en de man ten tijde van de geboorte van na te noemen minderjarige nog in stand was – dat het gezag van de man, [de man], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in Turkije, over deze minderjarige is geschorst;

ontheft de vrouw, [de vrouw], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], van het ouderlijk gezag over de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats];

benoemt tot voogdes over voormelde minderjarige:

Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Zoetermeer;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven door mrs. M.T. Nijhuis, kinderrechter, bijgestaan door mr. J. Cazander als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2014.