Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13208

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
14/1490
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kinderpardon - vreemdeling op startdatum peilperiode niet jonger dan 21 jaar - onthouden vertrektermijn - inreisverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 14/1490, [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juli 2014 in de zaken tussen

[eiser], eiser

gemachtigde: mr. H. Martens,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Prins.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen’ (de Overgangsregeling) afgewezen, eiser opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod voor de duur van vijf jaar uitgevaardigd.

Bij besluit van 23 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is op 5 juni 2014 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser is op[geboortedatum] geboren in Soedan en is, nadat zijn ouders en zus reeds in 1999 naar Nederland waren vertrokken, samen met zijn broer in 2005 naar Nederland gekomen, alwaar hij op 24 juni 2005 een asielaanvraag heeft ingediend. Deze aanvraag is bij in rechte onaantastbaar geworden besluit van 12 februari 2007 afgewezen. Bij dit besluit is tevens geweigerd eiser ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ te verlenen.

1.2.

Bij in rechte onaantastbaar geworden besluit van 21 november 2007 is een aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘gezinshereniging met ouders’ afgewezen.

1.3.

Bij in rechte onaantastbaar geworden besluit van 9 juni 2010 is een tweede, op 19 januari 2009 ingediende asielaanvraag van eiser afgewezen.

2.

Met het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit heeft verweerder de onderhavige aanvraag wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen, omdat eiser, nu hij op de startdatum van de peilperiode niet jonger dan 21 jaar was, niet voldoet aan de voorwaarden van de Overgangsregeling en dus niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), noch op enige andere grond van dit vereiste is vrijgesteld.

3.1.

Naar aanleiding van het Regeerakkoord van 29 oktober 2012 heeft verweerder bij besluit van 30 januari 2013, nummer WBV 2013/1, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, onder meer de Overgangsregeling getroffen.

Op grond van de Overgangsregeling, voor zover thans van belang, wordt een verblijfsvergunning verleend aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:

a. die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode;

b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, op de startdatum van de peilperiode tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (asielaanvraag) heeft, dan wel is, ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht) én

d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.

De IND hanteert als peilperiode 29 oktober 2012 (de datum van het Regeerakkoord) tot

1 februari 2013 (de datum van inwerkingtreding van de Overgangsregeling). Indien de vreemdeling tussen 29 oktober 2012 en de datum van inwerkingtreding van deze regeling

21

jaar wordt, werpt de IND dit niet tegen.

De groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de Overgangsregeling wordt aangemerkt als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, (thans) derde lid, van het Vb 2000 vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend.

3.2.

Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is van het vereiste van een geldige mvv, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw 2000, vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou zijn.

4.

Niet is in geschil dat eiser op de startdatum van de peilperiode niet jonger was dan 21 jaar.

5.

Eiser betoogt dat het hanteren van de leeftijdsgrens van 21 jaar in strijd is met artikel 14 van het EVRM, in samenhang met artikel 8, eerste lid, van dit verdrag, alsmede met het verbod van willekeur.

5.1.

Volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 mei 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO9724) levert niet ieder onderscheid naar leeftijd discriminatie in de zin van artikel 14 van het EVRM op. Het in een wettelijke regeling of beleid maken van onderscheid, ook naar leeftijd, is geoorloofd, indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan. Bezien dient dan ook te worden of de in de Overgangsregeling gehanteerde leeftijdsgrens van 21 jaar op redelijke en objectieve gronden berust, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat het bij het maken van onderscheid naar leeftijd niet gaat om een bij voorbaat verdacht onderscheid zoals bijvoorbeeld op grond van ras en geslacht. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat het in de Overgangsregeling gemaakte onderscheid naar leeftijd op redelijke en objectieve gronden berust. De Overgangsregeling is het resultaat van een politiek compromis, waarbij voor een beperkte groep vreemdelingen eenmalig en onder strikte voorwaarden een uitzondering is gemaakt op het restrictieve toelatingsbeleid. Uit de in WBV 2013/1 opgenomen toelichting op de Overgangsregeling blijkt dat daarmee is beoogd een oplossing te bieden voor langdurig in Nederland verblijvende (minderjarige) kinderen met een asielachtergrond. Verweerder heeft die keuze in het bestreden besluit gemotiveerd. De rechtbank verwijst daarnaar en onderschrijft die argumenten. Zoals verweerder heeft opgemerkt, is met de verhoging van de leeftijdsgrens van 18 naar 21 jaar in de Overgangsregeling tegemoetgekomen aan de groep vreemdelingen die meerderjarig is geworden in de periode voorafgaand aan de totstandkoming van de regeling, zonder dat zij op dat moment daarop reeds een beroep konden doen. Aan deze beperkte tegemoetkoming aan meerderjarige vreemdelingen mag worden geacht de bewuste keuze ten grondslag te liggen om de koppeling met de minderjarigheid zoveel mogelijk in stand te laten en geen ruimere uitzondering op het restrictieve toelatingsbeleid te maken. Hierin ligt tevens een objectieve en redelijke grond voor de in de Overgangsregeling gehanteerde leeftijdsgrens van 21 jaar besloten. Gezien het voorgaande is geen sprake van strijd met artikel 14 van het EVRM en is evenmin het verbod van willekeur geschonden. Eisers stelling dat niet is uitgesloten dat rechten die exclusief op minderjarigen zien in uitzonderlijke situaties ook op meerderjarigen van toepassing zijn, leidt niet tot een ander oordeel. In een overgangsregeling als hier aan de orde kan zo’n keuze gerechtvaardigd zijn. Het betoog van eiser faalt derhalve.

5.2.

Dat een vreemdeling niet wordt tegengeworpen dat hij tussen de startdatum van de peilperiode (29 oktober 2012) en de datum van inwerkingtreding van de Overgangsregeling (1 februari 2013) 21 jaar wordt, betekent, anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, niet dat de wijze waarop de leeftijdsgrens wordt gehanteerd in rechte geen stand kan houden. Dit heeft, anders dan eiser meent, niet tot gevolg dat een vreemdeling zoals hij van 21 jaar en twee maanden oud niet, en een vreemdeling van 21 jaar en drie maanden oud wel onder de Overgangsregeling kan vallen. Voor iedere vreemdeling geldt ten aanzien van de leeftijd onverkort de voorwaarde dat hij op de startdatum van de peilperiode jonger was dan 21 jaar. De opmerking in de Overgangsregeling dat een vreemdeling niet wordt tegengeworpen dat hij na die datum 21 jaar wordt is dan ook zinledig.

6.

Eiser betoogt dat verweerder bij de beoordeling van zijn beroep op artikel 8 van het EVRM niet het vereiste van ‘more than the normal emotional ties’ heeft mogen betrekken en dat verweerder derhalve niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de inmenging in het familie- en gezinsleven met zijn ouders gerechtvaardigd is. Daarbij wijst eiser erop dat hij nog steeds bij zijn moeder, broers en zussen woont en dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) blijkt dat bij jongvolwassenen die nog bij hun ouders wonen en geen eigen gezin hebben gesticht, gezinsleven kan worden aangenomen.

6.1.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 18 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1610) volgt uit de jurisprudentie van het EHRM (bijvoorbeeld Butt tegen Noorwegen, arrest van 4 december 2012, nr. 47017/09, par. 87, en Bousarra tegen Frankrijk, arrest van 23 september 2010, nr. 25672/07, par. 49; www.echr.coe.int) dat, anders dan waarvan eiser lijkt uit te zijn gegaan, in het kader van de belangenafweging plaats is voor een beoordeling van de sterkte van de band tussen de personen die gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM hebben. Derhalve heeft verweerder, die in het bestreden besluit ervan is uitgegaan dat tussen eiser en zijn ouders gezinsleven als vorenbedoeld bestaat, bij de belangenafweging terecht omstandigheden betrokken die zien op de intensiteit van de band tussen eiser en zijn ouders en bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder het bestreden besluit in zoverre niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het betoog van eiser faalt.

7.

Eiser betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2069), dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor het aannemen van schending van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven sprake dient te zijn van een zeer langdurige verblijfsduur, alsmede ten onrechte voorbij is gegaan aan hetgeen hij in bezwaar naar voren heeft gebracht en op grond waarvan moet worden vastgesteld dat sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn privéleven indien hij dient terug te keren naar Soedan.

7.1.

Het betoog van eiser treft geen doel. Hoewel uit de jurisprudentie van het EHRM, waaronder de arresten Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, en Butt tegen Noorwegen (www.echr.coe.int), anders dan verweerder lijkt te veronderstellen, niet volgt dat voor het aannemen van schending van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven in alle gevallen een zeer langdurige verblijfsduur is vereist, heeft verweerder, anders dan in de zaak waarop de door eiser genoemde uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 ziet, niet slechts beoordeeld of sprake is van een zodanig lange verblijfsduur. Hij heeft daarnaast de vraag of eiser, gelet op zijn verblijfsduur, moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben bij de door hem verrichte belangenafweging betrokken, waarbij hij, anders dan eiser stelt, niet voorbij is gegaan aan hetgeen eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht.

Gelet op het geheel van de bij de besluitvorming betrokken feiten en omstandigheden heeft verweerder bij de “fair balance” die moet worden gevonden tussen het belang van eiser enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een schending van het recht op respect voor het privéleven, bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft nimmer beschikt over een verblijfstitel die hem tot het uitoefenen van privéleven in staat stelde. Voorts zijn de door eiser naar voren gebrachte feiten niet zodanig bijzonder dat - gelet ook op onder meer hetgeen het EHRM heeft overwogen in Nnyanzi tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 8 april 2008, nr. 21878/06 (www.echr.coe.int) - op grond daarvan uit het recht op respect voor zijn privéleven de verplichting voortvloeit hem hier te lande verblijf toe te staan (vgl. onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:883).

8.

Het betoog van eiser dat, gezien zijn worteling in Nederland, aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) faalt. Uit vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2010,

ECLI:NL:RVS:2010:BL3878) volgt dat omstandigheden als deze, die binnen de strekking en reikwijdte van de Overgangsregeling vallen en die bij de totstandkoming daarvan zijn betrokken, niet als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb zijn aan te merken.

9.

Het betoog van eiser dat verweerder had behoren te toetsen of wegens schrijnende omstandigheden aanleiding bestaat hem met gebruikmaking van zijn in artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 neergelegde discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning te verlenen, faalt eveneens. Zoals volgt uit de in WBV 2013/1 opgenomen toelichting op de Overgangsregeling is deze regeling erop gericht aan een specifieke groep langdurig in Nederland verblijvende kinderen snel duidelijkheid te geven, waartoe in de Overgangsregeling strikte voorwaarden zijn gesteld om voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van deze regeling in aanmerking te komen. De aanvraag om deze verblijfsvergunning kan slechts binnen een beperkte periode met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier worden ingediend. Hieruit volgt dat de Overgangsregeling naar strekking en reikwijdte een restrictief op te vatten aanvulling vormt op het vreemdelingenbeleid en er niet toe strekt vreemdelingen die niet aan de voorwaarden voldoen, niettemin wegens schrijnende individuele omstandigheden alsnog een verblijfsvergunning te verlenen. Indien eiser wegens dergelijke omstandigheden in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning, moet hij daartoe een aparte aanvraag indienen. De door eiser genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 juli 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:15572) wordt in zoverre dan ook niet onderschreven. Dat zaken van vreemdelingen die niet voldoen aan de voorwaarden van de Overgangsregeling door de IND met het oog op eventuele toepassing van de discretionaire bevoegdheid kunnen worden voorgelegd aan verweerder, laat het vorenstaande onverlet. De IND beschikt te allen tijde over de bevoegdheid zaken aan verweerder voor te leggen. Niet is gebleken dat de IND in de praktijk alle zaken van vreemdelingen die niet aan de voorwaarden van de Overgangsregeling voldoen aan verweerder pleegt voor te leggen. Naar verweerder ter zitting heeft toegelicht, gebeurt dit alleen als daartoe, gezien de bijzondere situatie waarin de desbetreffende vreemdeling verkeert, aanleiding bestaat.

10.

Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat hetgeen hij heeft aangevoerd tegen de afwijzing van zijn aanvraag tevens de conclusie rechtvaardigt dat verweerder ten onrechte niet op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 om humanitaire redenen heeft afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod, faalt dit betoog, gezien het vorenoverwogene, eveneens.

11.

Tot slot betoogt eiser dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. Naar de rechtbank begrijpt, beoogt eiser hiermee te stellen dat geen aanleiding bestaat aan te nemen dat het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, dat hem dus niet op die grond in het terugkeerbesluit een vertrektermijn kon worden onthouden en dat het terugkeerbesluit en het daarop gebaseerde inreisverbod dan ook geen stand kunnen houden.

11.1

Verweerder heeft eiser bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Aan het onthouden van een vertrektermijn krachtens artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 heeft verweerder in het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, aangezien hij eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen, waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven, eiser meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot vergunningverlening hebben geleid, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt.

11.2.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2006 (200602395/1, JV 2006/245) en door verweerder ter zitting is erkend, is inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, anders dan verweerder in het bestreden besluit stelt, niet leidend bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een vaste woon- of verblijfplaats, maar kan dit ook anderszins door de desbetreffende vreemdeling worden aangetoond. Niet is weersproken door verweerder dat eiser op het door hem opgegeven adres bij zijn moeder, broer en twee zussen woont en dat dit adres ook bekend is bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank, anders dan verweerder, geen grond om van eiser te verlangen dat hij ook nog anderszins aantoont dat hij op dit adres zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Verweerder heeft eiser dan ook niet in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat hij niet over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt.

11.3.

Voor het antwoord op de vraag of eiser beschikt over voldoende middelen van bestaan is bepalend of hij daarover zelfstandig beschikt (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1945). Nu eiser heeft verklaard dat hij wordt onderhouden door zijn ouders, heeft verweerder deze vraag terecht ontkennend beantwoord. Dat eiser bij gebreke van een verblijfsvergunning niet mag werken en dus niet zelfstandig in zijn levensonderhoud kan voorzien, biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder hem niet in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

11.4.

Het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan biedt tezamen met de overige twee in 11.1 genoemde en door eiser niet weersproken omstandigheden volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 21 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1092, en 20 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2369) in beginsel voldoende grond om aan te nemen dat een risico bestaat dat een vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. In dit geval heeft verweerder voormeld risico naar het oordeel van de rechtbank echter niet aanwezig kunnen achten. Eiser heeft zich na aankomst in Nederland op het bij DT&V bekende adres gevoegd bij zijn rechtmatig hier te lande verblijvende ouders en zussen, waarna hij als minderjarige tevergeefs diverse verblijfsaanvragen heeft ingediend. Zonder daarmee afbreuk te willen doen aan de verantwoordelijkheid van zijn ouders, kan eiser, gezien zijn minderjarige leeftijd, bezwaarlijk worden verweten dat hij gedurende die periode zonder verblijfsvergunning in Nederland heeft verbleven en niet is teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Uit de omstandigheid dat eiser meerdere verblijfsaanvragen heeft ingediend en na afwijzing daarvan niet uit Nederland is vertrokken, blijkt op zich dan ook niet zonder meer dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Nu eiser in het kader van het toezicht voorts eenvoudig is te traceren geweest en nog steeds is en door zijn ouders in zijn levensonderhoud wordt voorzien, moet dit risico dermate gering worden geacht dat daarop, zonder nadere toelichting, niet het onthouden van een vertrektermijn kan worden gebaseerd. Nu deze nadere toelichting zowel in het primaire als het bestreden besluit ontbreekt, heeft verweerder eiser niet in redelijkheid een vertrektermijn kunnen onthouden en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het terugkeerbesluit en het inreisverbod, waaraan dat terugkeerbesluit ten grondslag ligt, zijn gehandhaafd.

12.

Het beroep is in zoverre gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het terugkeerbesluit en het inreisverbod zijn gehandhaafd, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is voor het overige ongegrond.

13.

Omdat de rechtbank het beroep gedeeltelijk gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

14.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 974,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond, voor zover gericht tegen de handhaving van het terugkeerbesluit en het inreisverbod;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het terugkeerbesluit en het inreisverbod zijn gehandhaafd;

- draag verweerder op in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en mr. B. van Velzen en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2014.

griffier voorzitter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.