Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13186

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
14/6662
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

kinderpardon - vergunning verleend m.t.v. discretionaire bevoegdheid - geen procesbelang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 14/6662, [nummers]

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2014 in de zaak tussen

[eiseres 1],

[eiseres 2]

tezamen: eiseressen,

gemachtigde: mr. M.C. de Jong,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Prins.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 26 augustus 2013 (de primaire besluiten) heeft verweerder een op 27 maart 2013 ontvangen aanvraag van eiseres 1 om haar en eiseres 2 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen’ (Overgangsregeling) te verlenen, afgewezen en tegen eiseres 2 een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Bij besluit van 18 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiseressen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eiseressen beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is op 5 juni 2014 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 26 april 2014 heeft verweerder - met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid - eiseressen ambtshalve met ingang van 26 april 2014 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Dit besluit moet geacht worden tevens de intrekking van het tegen eiseres 2 uitgevaardigde inreisverbod in te houden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:80), hetgeen bevestiging vindt in de mededeling van gelijke strekking in het verweerschrift.

Naar verweerder ter zitting heeft toegelicht, wordt niet aan iedere vreemdeling die (uitsluitend) niet voldoet aan de in de Overgangsregeling neergelegde voorwaarde van Rijkstoezicht een verblijfsvergunning met gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid verleend; deze verlening geschiedt op basis van een individuele beoordeling. Gelet hierop is het besluit van 26 april 2014 naar het oordeel van de rechtbank geen besluit dat op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht moet worden betrokken bij de beoordeling van het beroep.

2.

Eiseressen betogen dat zij gezien de ingangsdatum van de hun verleende verblijfsvergunning nog immer belang hebben bij een beoordeling van hun beroep, nu een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Overgangsregeling wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen, waardoor zij eerder in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en naturalisatie tot Nederlander. Voorts leidt vergunningverlening met ingang van een eerdere datum te zijner tijd tot een hogere uitkering op grond van de Algemene ouderdomswet (Aow).

2.1.

Dit betoog faalt. Een eventuele gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit zou tot gevolg hebben dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eiseressen moet nemen. De Overgangsregeling staat dan, zoals verweerder terecht opmerkt, aan inwilliging van de aanvraag van eiseres 1 in de weg. In de Overgangsregeling is immers neergelegd dat vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning, anders dan een vergunning onder bepaalde - in dit geval niet aan orde zijnde - beperkingen, niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van deze regeling. In de Overgangsregeling noch in de toelichting daarop zijn aanknopingspunten te vinden voor het ter zitting door eiseressen ingenomen standpunt dat dit alleen geldt voor vreemdelingen die bij hun aanvraag reeds in het bezit waren van een verblijfsvergunning. Nu bij een nieuw besluit op bezwaar sprake dient te zijn van een volledige heroverweging, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van dat nieuwe besluit, kunnen eiseressen, zolang zij in het bezit zijn van de hun verleende verblijfsvergunning, met hun beroep niet bereiken dat hun alsnog een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling wordt verleend en hebben zij geen belang bij de beoordeling van hun beroep.

2.2.

Belang bij beoordeling van de vraag of de afwijzing van de aanvraag van eiseres 1 de toets aan het recht kan doorstaan, ontstaat eerst indien verweerder de aan eiseressen verleende verblijfsvergunning intrekt of een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur ervan afwijst. Om die beoordeling op dat moment mogelijk te maken, kunnen eiseressen verweerder verzoeken terug te komen van de afwijzing van de aanvraag op grond van de Overgangsregeling, waarbij het algemene rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet twee keer aan de rechter kan worden voorgelegd niet aan toetsing van het op dat verzoek te nemen besluit in de weg staat (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8716).

2.3.

Het gestelde belang van eiseressen bij een hogere uitkering op grond van de Aow levert evenmin belang op bij het onderhavige beroep, reeds omdat dit niet kan afdoen aan wat onder 2.1 en 2.2 is overwogen.

3.

Het beroep is niet-ontvankelijk.

4.

Nu de reden voor het vervallen van het procesbelang is gelegen in het ambtshalve door verweerder genomen besluit eiseressen een verblijfsvergunning te verlenen, waarmee voorts het aan eiseres 2 opgelegde inreisverbod geacht moet worden te zijn ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 487,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1). Voor het verschijnen ter zitting wordt geen vergoeding toegekend, omdat het belang bij het beroep toen al was vervallen en het de eigen keuze van eiseressen is geweest het beroep te handhaven.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseressen in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken, welke kosten worden begroot op € 487,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mr. E.R. Houweling en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014.

griffier voorzitter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.