Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13182

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
21-05-2015
Zaaknummer
14/14149
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AA-zaak - advocaat heeft nimmer contact gehad met de vreemdeling - toewijzing zaak door raad voor rechtsbijstand kan niet worden gelijkgesteld met machtiging - verzoek en beroep niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummers:AWB 14/14149 (voorlopige voorziening) en AWB 14/14148 (beroep),

[nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juli 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak op het beroep, in de zaken tussen

[eiser]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Söylemez.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2014. De indiener van het verzoekschrift, mr. P.J. Wapperom (Wapperom), advocaat te Dordrecht, noch eiser is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Wapperom heeft in het verzoekschrift verklaard bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het indienen van het verzoek. Omdat uit het rapport van niet verschijnen voor het gehoor van 10 juni 2014 bleek dat eiser niet voor zijn gehoor is verschenen en dat het kantoor van Wapperom geen contact had met eiser, heeft de griffier, mede gezien de mededeling van Wapperom in de gronden van het verzoek dat hij en eiser niet ter zitting zullen verschijnen, op verzoek van de voorzieningenrechter telefonisch contact opgenomen met het kantoor van Wapperom. Mr. A.W.J. van der Meer (Van der Meer), kantoorgenoot van Wapperom en indiener van de zienswijze in deze procedure, heeft daarbij te kennen gegeven dat zij en Wapperom nimmer contact hebben gehad met eiser, dat hun niet bekend is waar eiser zich bevindt en dat zij ervan zijn uitgegaan dat zij als gemachtigde van eiser konden optreden omdat de raad voor rechtsbijstand hun (kantoor) de zaak van eiser had toegewezen.

2.

Gezien het voorgaande staat vast dat eiser Wapperom noch Van der Meer (bepaaldelijk) heeft gevolmachtigd tot het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening. Dat hun (kantoor) de zaak van eiser door de raad voor rechtsbijstand is toegewezen, kan niet met een machtiging door eiser worden gelijkgesteld. Gelet hierop is het verzoek niet‑ontvankelijk.

3.

Omdat het vorenstaande ook geldt voor het beroep en nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak gedaan op het beroep gedaan en wordt dit ook niet-ontvankelijk verklaard.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek en het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan binnen een week na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.