Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13131

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
09/827130-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor verdenking uitlokking tot moord op zakenpartners

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/827130-13

Datum uitspraak: 28 oktober 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 26 maart 2014, 20 juni 2014, 4 augustus 2014 (alle pro forma) en 14 oktober 2014 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 22 augustus 2013 tot en met 9 september 2013 te Bussum en/of Vinkeveen en/of Eemnes en/of Breukelen, in elk geval in Nederland, meermalen heeft gepoogd om [getuige 1] door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te bewegen tot het begaan van het navolgende strafbare feit:

moord op [beoogd slachtoffer] en/of de echtgenote ([echtgenote]) van die [beoogd slachtoffer],

immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) voornoemde [getuige 1]

- benaderd en/of contact met die [getuige 1] gezocht en/of gelegd en/of onderhouden en/of (telkens) die [getuige 1] (zakelijk weergegeven)

- opgedragen/gevraagd die [beoogd slachtoffer] en/of de vrouw van die [beoogd slachtoffer] te (laten) liquideren en/of te (laten) vermoorden en/of

- meegedeeld dat die [getuige 1] zijn schulden (ten opzichte van verdachte) daarmee zou kunnen vereffenen en/of

- meegedeeld dat hij bereid was daarvoor een geldbedrag (van 30.000 euro en/of 50.000 euro) te betalen en/of daarvoor een geldbedrag (van 30.000 euro en/of 50.000 euro) in het vooruitzicht gesteld en/of

- een geldbedrag van 2.400 euro (voor reiskosten) verstrekt en/of

- opgedragen/gevraagd voornoemde (dubbele) moord, althans het resultaat daarvan, fotografisch vast te leggen;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2013 tot en met 10 januari 2014 te Heemstede en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door geweld en/of bedreiging met geweld [betrokkene 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal ongeveer 6.500 euro, althans enig geldbedrag, en/of een horloge, in elk geval van (telkens) enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die [betrokkene 1], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) bestond(en) uit het

- ( meermalen) die [betrokkene 1] (telefonisch) mededelen, dat de zwakke punten bij hem, de beller, bekend zijn en/of hij, beller, weet op welke manieren hij die [betrokkene 1] kon laten luisteren en/of hij, beller, iemand van de familie van die [betrokkene 1] zou pakken en/of

- op de openbare weg een hand van de [betrokkene 1] vast te pakken en/of die [betrokkene 1] mede te delen: "Waarom laat je die man niets van je horen, als wij je zoeken?" en/of "Waarom betaal jij het geld niet terug?" en/of dat hij/zij wist(en) dat die [betrokkene 1] geld schuldig was aan [verdachte] en/of dat die [betrokkene 1] hem/hen niet meer voor niets moest laten (langs)komen en/of (daarbij) tonen van een foudraal met/van een (vuur)wapen en/of

- ( meermalen) die [betrokkene 1] mede te delen dat hij 300.000 euro schuldig is aan [verdachte] en/of dat die [betrokkene 1] en zijn familie in verband hiermee een probleem hebben en/of "Ik ken je familie in Montenegro" en/of "Die Nederlander, [verdachte], heeft mensen betaald om jouw dochter te kidnappen tot het moment dat jij dat geld hebt terugbetaald" en/of tonen van een recente foto van de dochter van die [betrokkene 1] en/of tonen van recente SMS-berichten tussen die [betrokkene 1] en zijn dochter;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of (nog) onbekend gebleven personen op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2013 tot en met 10 januari 2014 te Heemstede en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door geweld en/of bedreiging met geweld [betrokkene 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal ongeveer 6.500 euro, althans enig geldbedrag, en/of een horloge, in elk geval van (telkens) enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die [betrokkene 1], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan die [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of die (nog) onbekend gebleven personen en/of zijn/hun mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) bestond(en) uit het

- ( meermalen) die [betrokkene 1] (telefonisch) mededelen, dat de zwakke punten bij hem, de beller, bekend zijn en/of hij, beller, weet op welke manieren hij die [betrokkene 1] kon laten luisteren en/of hij, beller, iemand van de familie van die [betrokkene 1] zou pakken en/of

- op de openbare weg een hand van de [betrokkene 1] vast te pakken en/of die [betrokkene 1] mede te delen: "Waarom laat je die man niets van je horen, als wij je zoeken?" en/of "Waarom betaal jij het geld niet terug?" en/of dat hij/zij wist(en) dat die [betrokkene 1] geld schuldig was aan [verdachte] en/of dat die [betrokkene 1] hem/hen niet meer voor niets moest laten (langs)komen en/of (daarbij) tonen van een foudraal met/van een (vuur)wapen en/of

- ( meermalen) die [betrokkene 1] mede te delen dat hij 300.000 euro schuldig is aan [verdachte] en/of dat die [betrokkene 1] en zijn familie in verband hiermee een probleem hebben en/of "Ik ken je familie in Montenegro" en/of "Die Nederlander, [verdachte], heeft mensen betaald om jouw dochter te kidnappen tot het moment dat jij dat geld hebt terugbetaald" en/of tonen van een recente foto van de dochter van die [betrokkene 1] en/of tonen van recente SMS-berichten tussen die [betrokkene 1] en zijn dochter

welk door die [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of (nog) onbekend gebleven personen begaan strafbaar feit verdachte in de periode van 01 juli 2013 tot en met 10 januari 2014 in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van giften en/of beloften en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, door:

- voornoemde personen te benaderen en/of met voornoemde personen contact te zoeken en/of te leggen en/of te onderhouden en/of die voornoemde personen (zakelijk weergegeven)

- op te dragen en/of te vragen die [betrokkene 1] (voor een bedrag van 300.000 euro) af te (laten) persen en/of bij die [betrokkene 1] (tegen diens wil) een bedrag van 300.000 euro te innen en/of

- een geldbedrag van 30.000 euro te betalen/verstrekken en/of daarvoor een (extra) geldbedrag in het vooruitzicht te stellen en/of

- al dan niet per mail de persoonsgegevens en/of adresgegevens en/of verblijfplaatsen van die [betrokkene 1] en/of zijn familieleden te verstrekken en/of

- stukken/documenten te verstrekken betreffende het (civielrechtelijk) conflict/proces tussen/betreffende die [betrokkene 1] en verdachte.

3 Overwegingen

3.1

Feit 1

3.1.1

Inleiding

Op 11 september 2013 heeft [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) zich bij de politie gemeld en verklaard dat een kennis, [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), op 23 augustus 2013 door verdachte was benaderd met het verzoek om diens zakenpartners ([beoogd slachtoffer] en [echtgenote] [beoogd slachtoffer], hierna: de [beoogd slachtoffer]’s) dood te maken. [getuige 2] heeft verklaard dat hij [getuige 1] niet vertrouwde en zeker wilde weten dat deze de waarheid sprak. Hij maakte daarom een leidraad aan de hand waarvan [getuige 1] bewijs tegen verdachte kon verzamelen en verzocht hem zijn gesprekken met verdachte op te nemen. [getuige 1] voldeed aan dit verzoek en [getuige 2] heeft de bewuste bandopnames overhandigd aan de politie.

[getuige 1] heeft op 13 september 2013 bij de politie bevestigd dat verdachte hem had benaderd om de [beoogd slachtoffer]’s te vermoorden. Daarmee zou [getuige 1] zijn bij verdachte uitstaande schuld kunnen vereffenen. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte en de [beoogd slachtoffer]’s verwikkeld waren in een zakelijk geschil over hun gezamenlijk bedrijf [bedrijf] en dat verdachte met de liquidatie van de [beoogd slachtoffer]’s wilde bereiken dat hij de erven van de [beoogd slachtoffer]’s kon dwingen om de aandelen in het bedrijf aan hem te verkopen voor een relatief lage prijs. [getuige 1] heeft verklaard dat hij zich door verdachte onder druk gezet voelde, omdat deze beschikte over voor [getuige 1] belastende documenten en dreigde deze openbaar te maken als hij niet zou meewerken aan de moordplannen. [getuige 1] heeft verklaard dat hij doodsbang was voor verdachte en dat hij daarom heeft voorgewend dat hij de liquidatie zou laten uitvoeren. Zodoende heeft hij verdachte zo ver gekregen dat deze € 2.400,00 betaalde voor vliegtickets naar Nairobi ten behoeve van de huurmoordenaars. Op verzoek van [getuige 2] heeft [getuige 1] vanaf de tweede ontmoeting de gesprekken met verdachte opgenomen, naar eigen zeggen omdat anders niemand zo’n bizar verhaal zou geloven.

Als getuige bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft [getuige 1] zijn verklaring bij de politie, zoals hiervoor weergegeven, bevestigd.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bevestigd dat hij op voornoemde bandopnames te horen is en dat hij met [getuige 1] gesprekken heeft gevoerd over de liquidatie van de [beoogd slachtoffer]’s. Verdachte heeft evenwel ontkend dat hij initiatiefnemer was van deze gesprekken. Hij heeft verklaard dat [getuige 1] tijdens een reeds geplande afspraak vroeg naar de ontslagprocedure van de [beoogd slachtoffer]’s waarin verdachte verwikkeld was en out of the blue mededeelde dat de zaken sneller zouden gaan als de [beoogd slachtoffer]’s geliquideerd zouden worden. Verdachte vond het naar eigen zeggen een absurd voorstel, dat bovendien niet het voorgestelde resultaat zou opleveren, maar hij is erin meegegaan omdat hij wilde weten wie bij dit plan betrokken was en wat [getuige 1] ermee wilde bereiken. Verdachte heeft verklaard dat hij geen enkel moment serieus heeft overwogen de [beoogd slachtoffer]’s daadwerkelijk te laten ombrengen en dat hij de € 2.400,00 enkel heeft betaald omdat hij [getuige 1] toch al salaris (ongeveer ter hoogte van dit bedrag) verschuldigd was en hem wilde uitlokken om meer informatie prijs te geven. Voorts heeft verdachte verklaard dat [getuige 1] getracht heeft hem te chanteren nadat hij had ontdekt dat [getuige 1] de gesprekken had opgenomen.

Gelet op de ontkenning van verdachte ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot uitlokking van moord op de [beoogd slachtoffer]’s, zoals ten laste gelegd. In essentie draait het hierbij om de vraag wie ten aanzien van het ‘moordplan’ de initiatiefnemer was: verdachte of [getuige 1] - los van de vraag in hoeverre het echt de bedoeling is geweest de [beoogd slachtoffer]’s te (laten) liquideren. In het eerste geval is immers wel, in het tweede geen veroordeling mogelijk (HR 8 maart 1920, NJ 1920, p. 458; HR 25 januari 1944, NJ 1944, 362).

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, en heeft gevorderd dat verdachte ter zake hiervan wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de initiatiefnemer van het moordplan was. In het algemeen moet behoedzaam worden omgegaan met de verklaringen van [getuige 1], dit vanwege diens - ook door hemzelf onderkende - reputatie van notoire leugenaar. De verklaringen van [getuige 1] kunnen echter betrouwbaar worden geacht, nu het door hem geschetste scenario op veel punten wordt gestaafd door de bandopnames, met name dat verdachte een bepalende rol heeft gehad bij het plannen van de moorden. Verdachte had ook een helder motief bij het laten ombrengen van de [beoogd slachtoffer]’s, namelijk een eenvoudige overname van [bedrijf]. Daartegenover staat dat het scenario van verdachte verre van aannemelijk is. Het is bijna niet te geloven dat iemand als verdachte geen enkele voorzorgsmaatregel heeft genomen om zijn eigen veiligheid te garanderen toen hij de gesprekken met [getuige 1] aanging. Ook is het onvoorstelbaar dat hij zich maandenlang, zowel tegenover zijn zakenpartner - die net in die tijd naar Kenia afreisde voor gesprekken over een overname van [bedrijf] - als tegenover de politie in stilzwijgen zou hebben gehuld over het moordplan en de vermeende afpersing door [getuige 1]. Bovendien roept het de nodige vragen op waarom verdachte ten behoeve van het moordplan vliegtickets naar Nairobi heeft betaald en daarbij een stevige discussie aangaat over de soort tickets.

3.1.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

De raadsman heeft allereerst weersproken hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd. Uit de gesprekken blijkt volgens hem niet dat het initiatief van verdachte is uitgegaan. Verdachte heeft zich weliswaar in eerste instantie op zijn zwijgrecht beroepen, maar dat was op advies van zijn raadsman. Het criterium dat verdachte zich op bepaalde wijze heeft gedragen, zoals dat hij geen tegenmaatregelen zou hebben genomen, kan niet in belastende zin tegen hem worden gebruikt. Het is net zo goed onvoorstelbaar dat verdachte een moordopdracht aan [getuige 1] zou geven. Het is allemaal gekkenwerk in dit dossier, dus vreemd of raar gedrag is geen onderscheidend criterium, aldus de raadsman.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat [getuige 1] bekend staat als pathologische leugenaar, en dat hij dat zelf heeft erkend. Volgens de raadsman zijn de verklaringen van [getuige 1] reeds bij lichte weging onbetrouwbaar te achten, immers bevatten die verklaringen veel onwaarheden en inconsistenties. Daarnaast zijn er aanwijzingen in het dossier dat [getuige 1] (wellicht samen met [getuige 2]) motieven had om verdachte erin te luizen en dat het initiatief voor de moordplannen juist bij [getuige 1] lag, aldus de raadsman.

3.1.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Bij de beoordeling van de vraag of kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem ten laste gelegde feit, ziet de rechtbank zich bovenal gesteld voor de vraag of de verklaringen van [getuige 1] betrouwbaar kunnen worden geacht.

De rechtbank stelt bij het beantwoorden van deze vraag voorop dat uit het dossier kan worden opgemaakt dat [getuige 1], zacht uitgedrukt, een slechte reputatie heeft als het gaat om de betrouwbaarheid van zijn uitlatingen. Door vrijwel alle betrokkenen in deze strafzaak wordt [getuige 1] omschreven als een fantast, die liegt als het hem uitkomt. Dat die reputatie niet onterecht is, heeft [getuige 1] zelf bevestigd. Zo heeft [getuige 1] bij de politie verklaard dat hij veel liegt, dat hij een persoonlijkheidsstoornis heeft, dat hij de afgelopen jaren een aantal mensen heeft belazerd en dat hij altijd alert moet zijn om geen flauwekul te verkopen als hij op een dag weinig structuur heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank worden de verklaringen van [getuige 1] gekenmerkt door opvallende tegenstrijdigheden en aperte onwaarheden. [getuige 1] heeft tijdens zijn verhoren bij de politie en de rechter-commissaris meermalen wisselende antwoorden gegeven op dezelfde vragen en is een aantal keer teruggekomen op eerder gegeven antwoorden, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Illustratief in dit verband is dat [getuige 1] ter terechtzitting onder ede aantoonbaar leugenachtig heeft verklaard, namelijk dat hij op of kort na het op 14 februari 2014 geplande verhoor bij de rechter-commissaris vanwege een vakantie in Frankrijk is geweest, terwijl uit historische telefoongegevens is gebleken dat [getuige 1] in die periode gewoon in Nederland verbleef.

De rechtbank is bovendien van oordeel dat het dossier daadwerkelijk aanwijzingen bevat dat de verklaring van [getuige 1] dat verdachte hem heeft benaderd met het verzoek om de [beoogd slachtoffer]’s te liquideren onwaar is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [getuige 1] als getuige ter terechtzitting heeft verklaard dat hij, ondanks de uitdrukkelijke opdracht daartoe van [getuige 2], geen enkele keer heeft getracht verdachte te laten bevestigen dat hij, verdachte, hem, [getuige 1], opdracht tot de moord heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is met name dit een gedraging die bezwaarlijk strookt met de lezing dat verdachte [getuige 1] heeft benaderd om mee te werken aan de liquidatieplannen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] in hun geheel onvoldoende betrouwbaar moeten worden geacht en dat deze daarom niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Bij deze stand van zaken moet worden geoordeeld dat niet kan worden bewezen dat verdachte de initiatiefnemer is geweest van het onderhavige ‘moordplan’, omdat het dossier daarvoor (los van de verklaring van [getuige 1]) onvoldoende bewijs bevat. Weliswaar blijkt uit de transcripties van een drietal gesprekken duidelijk dat [getuige 1] en verdachte hebben gesproken over een voorgenomen liquidatie, maar uit die transcripties kan niet worden opgemaakt dat het verdachte is geweest die [getuige 1] in eerste instantie met dat plan heeft benaderd. Ook overigens bevat het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Aan de verklaring van [getuige 2] komt onvoldoende zelfstandig gewicht toe, nu deze volledig is gebaseerd op hetgeen [getuige 2] van [getuige 1] heeft vernomen.

3.1.5

Conclusie

De rechtbank stelt voorop dat het uitermate vreemd en tot op zekere hoogte zeer belastend is dat verdachte met [getuige 1] gesprekken over een voorgenomen liquidatie heeft gevoerd en dat hij in dat kader bovendien een bedrag van € 2.400,00 aan [getuige 1] heeft betaald. Evenwel kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte [getuige 1] op het idee heeft gebracht de [beoogd slachtoffer]’s te vermoorden en dus evenmin dat verdachte [getuige 1] daartoe heeft uitgelokt. Dit betekent dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

3.2

Feit 2

3.2.1

Inleiding

Onder 2 is verdachte - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met (een) ander(en) gedurende een periode van ruim zes maanden [betrokkene 1] heeft afgeperst (primair), althans dat hij (een) ander(en) daartoe heeft uitgelokt (subsidiair).

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, en heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte hiervan vrijspreekt.

3.2.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

3.2.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zodat verdachte ook van deze feiten zal worden vrijgesproken.

4 De beslissing

De rechtbank;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mrs. M.L. Ruiter en E.A. Lensink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2014.