Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13115

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
AWB 14 / 24306
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker zou op 27 oktober 2014 via Brussel worden uitgezet naar Liberia en hiertegen heeft hij bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft betoogd dat zijn gezondheidstoestand uitermate slecht is. Verweerder heeft op 24 oktober 2014 een ‘fit to fly’ check laten uitvoeren, waarbij verzoeker ‘fit to fly’ is bevonden. Verzoeker is sinds 24 oktober 2014 in hongerstaking gegaan. De voorzieningenrechter is – gelet op de hongerstaking en de afwijzing van de aanvraag medische behandeling zo kort (nog geen uur) voor de voorgenomen uitzetting – van oordeel dat dit wel had gemoeten. Onder deze omstandigheden kan binnen het gegeven tijdsbestek niet worden uitgesloten dat sinds 24 oktober 2014 verzoekers medische toestand dermate is gewijzigd, dat hij niet kan worden uitgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14 / 24306

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2014 in de zaak tussen

[Naam verzoeker], verzoeker,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Op 22 oktober 2014 heeft verweerder kenbaar gemaakt dat verzoeker op 27 oktober 2014 om 16:40 uur met vluchtnummer AT 833 zal uitreizen naar Monrovia.

Tegen deze voorgenomen uitzetting heeft verzoeker bij brief van 27 oktober 2014 bezwaar gemaakt bij verweerder. Voorts is de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te treffen. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk, die bij brief van 27 oktober 2014 de gronden van het verzoek heeft ingediend.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden.

De griffier heeft telefonisch en schriftelijk informatie ingewonnen bij partijen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb – voor zover hier van belang – kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

2. Ingevolge artikel 8:83, vierde lid, van de Awb – zakelijk weergegeven – kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich in het onderhavige geval een situatie als bedoeld in voormelde bepaling voor, waartoe het volgende wordt overwogen.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de eerste twee in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde vereisten is voldaan, nu namens verzoeker bezwaar is gemaakt tegen de voorgenomen uitzetting, welke handeling ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) voor het aanwenden van rechtsmiddelen met een beschikking wordt gelijkgesteld, en deze rechtbank bevoegd kan worden geacht om van de (mogelijke) hoofdzaak kennis te nemen. Nu verweerder voornemens is verzoeker op

27 oktober 2014 uit te zetten, acht de voorzieningenrechter de vereiste onverwijlde spoed eveneens voldoende aannemelijk gemaakt.

4. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor de indiener van het verzoek uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoeker een spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat hij zonder enig nadeel de beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of er sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel over het geschil in de (eventuele) hoofdzaak.

5. Aangezien de uitzetting van verzoeker op zeer korte termijn wordt geëffectueerd wordt de voorzieningenrechter genoopt vrijwel onmiddellijk een beslissing te nemen op het onderhavige verzoek. In het onderhavige geval is niet gebleken dat de voorzieningenrechter ter zake onbevoegd is, noch dat het verzoek kennelijk ongegrond, kennelijk gegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is.

6. De voorzieningenrechter overweegt op grond van de aan haar door partijen overgelegde stukken en verstrekte gegevens als volgt.

7. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij heden een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’ (medische behandeling) heeft ingediend, waarop nog niet is beslist, en op die grond rechtmatig verblijf heeft. Verder heeft verzoeker gesteld dat zijn gezondheidstoestand uitermate slecht is, dat hij in hongerstaking is sinds 24 oktober 2014 en dat er geen ‘fit to fly’ check heeft plaatsgevonden op de dag van de uitzetting. Voorts heeft verzoeker een beroep gedaan op een overleg dat zal plaatsvinden in de Tweede Kamer over uitzetting naar landen waar ebola heerst.

8. In zijn reactie op deze gronden heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker met het op 27 oktober 2014 vragen van een voorlopige voorziening en het indienen van voornoemde aanvraag, terwijl de datum van uitzetting al sinds 22 oktober 2014 bekend is, de uitzetting frustreert. De voornoemde aanvraag wordt heden afgewezen, zodat verzoeker uit dien hoofde geen rechtmatig verblijf meer heeft. Verweerder is van oordeel dat de medische stukken geen aanleiding geven om te concluderen dat sprake is van medische problematiek. Voorts bevestigt verweerder dat verzoeker in hongerstaking is. Volgens verweerder wordt verzoeker iedere dag door de medische dienst gezien en hij heeft normale waarden. Verweerder twijfelt niet aan de vertrekmogelijkheid van verzoeker. Met betrekking tot het beroep van verzoeker op het debat dat in de Tweede Kamer zal plaatsvinden stelt verweerder zich op het standpunt dat dit irrelevant is voor deze procedure. Hierbij acht verweerder van groot belang dat de geldigheid van de laissez passer verstrijkt en dat dit de laatste kans is om verzoeker uit te zetten. Indien verzoeker niet wordt uitgezet is alle moeite voor niets geweest. Verweerder verzoekt de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Met betrekking tot het betoog van verzoeker dat hij op grond van de voornoemde aanvraag rechtmatig verblijf heeft, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder deze aanvraag heden om circa 16.00 uur heeft afgewezen zodat dit betoog reeds hierom niet slaagt.

10. Ten aanzien van verzoekers betoog dat zijn gezondheidstoestand uitermate slecht is, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder heeft op 24 oktober 2014 een ‘fit to fly’ check laten uitvoeren, waarbij verzoeker ‘fit to fly’ is bevonden. Zoals in het voorgaande is overwogen en kan worden afgeleid uit de medische stukken is verzoeker op 24 oktober 2014 in hongerstaking is gegaan. Verder blijkt daaruit dat verzoeker in het Detentiecentrum Rotterdam sinds zijn hongerstaking regelmatig is gecontroleerd. De voorzieningenrechter kan uit de overgelegde stukken echter niet afleiden dat op de dag van de uitzetting zelf is vastgesteld dat verzoeker “fit to fly” is bevonden. De voorzieningenrechter is – gelet op de hongerstaking en de afwijzing van de aanvraag medische behandeling zo kort (nog geen uur) voor de voorgenomen uitzetting – van oordeel dat dit wel had gemoeten. Onder deze omstandigheden kan binnen het gegeven tijdsbestek niet worden uitgesloten dat sinds 24 oktober 2014 verzoekers medische toestand dermate is gewijzigd, dat hij niet kan worden uitgezet.

11. Reeds hierom ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen, in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten tot op het bezwaar tegen de feitelijk uitzetting is beslist.

12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 487,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten tot op het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting is beslist;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 487,- te betalen door verweerder aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2014.

w.g. F. Schulmer w.g. M.A.H. Span-Henkens

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 oktober 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.