Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13100

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
13/1180
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:391, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asielaanvraag na intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van verdragsvluchteling - bewijslastverdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummers: AWB 13/1180, AWB 13/8907 en AWB 14/4089, V-nummer: 110.100.8231

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2014 in de zaken tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. van Asperen.

Procesverloop

1.1.

Bij besluit van 8 september 2011 (bestreden besluit Ia) heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht tot 20 mei 2011.

Eiser heeft bij faxbericht van 10 januari 2013 beroep ingesteld tegen dit besluit (zaaknummer: AWB 13/1180).

Bij besluit van 16 januari 2014 (bestreden besluit Ib) heeft verweerder bestreden besluit Ia aangevuld met een intrekkingsgrond en gewijzigd, in die zin dat de verblijfsvergunning van eiser is ingetrokken met terugwerkende kracht tot 9 oktober 2010.

1.2.

Bij besluit van 15 september 2011 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard.

Eiser heeft bij faxbericht van 11 januari 2013 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 21 januari 2014 (bestreden besluit II) heeft verweerder dit bezwaar niet‑ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit (zaaknummer: AWB 14/4089).

1.3.

Bij besluit van 29 maart 2013 (bestreden besluit III) heeft verweerder een aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, de ongewenstverklaring van eiser opgeheven en tegen hem een inreisverbod voor de duur van vijf jaar uitgevaardigd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit (zaaknummer: AWB 13/8907).

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De ongewenstverklaring (AWB 14/4089)

1.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser, hoewel zijn ongewenstverklaring inmiddels is opgeheven, belang heeft bij beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit II, nu de ongewenstverklaring niet met terugwerkende kracht is ingetrokken. Indien beoordeling van eisers beroep achterwege blijft, is zijn ongewenstverklaring in de periode van 15 september 2011 tot 29 maart 2013 niet langer in rechte aantastbaar en wordt het risico dat eiser, gezien zijn verblijf in Nederland in (een deel van) die periode, loopt op strafvervolging wegens overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht niet weggenomen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat dit risico slechts in theorie bestaat.

2.

Eiser betoogt dat het besluit tot zijn ongewenstverklaring van 15 september 2011 niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat verweerder het bezwaar van 11 januari 2013 tegen dit besluit derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.1.

Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Op grond van het tweede lid van dit artikel geschiedt de bekendmaking van het besluit, indien zij niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, op een andere geschikte wijze.

Op grond van artikel 67, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt, indien de bekendmaking van de beschikking waarbij de vreemdeling ongewenst wordt verklaard geschiedt door toezending, van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant.

In paragraaf A5/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, is vermeld dat het origineel van de beschikking tot ongewenstverklaring aan de vreemdeling in persoon wordt uitgereikt en op dezelfde dag een afschrift daarvan aan de gemachtigde, indien deze er is, wordt gezonden.

Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden, wordt de beschikking per aangetekende brief aan het laatst bekende adres van de vreemdeling en een afschrift daarvan aan de gemachtigde, indien deze er is, gezonden en vindt publicatie van de beschikking in de Staatscourant plaats.

Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden en bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, wordt de beschikking aan de in Nederland kantoorhoudende gemachtigde gezonden, indien deze er is, en wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant.

Indien deze gemachtigde er niet is, niet bekend is, of stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Staatscourant.

2.2.

Verweerder is uit informatie uit de gemeentelijke basisadministratie (gba) gebleken dat eiser is uitgeschreven met ingang van 18 februari 2005 met als melding ‘vertrokken onbekend waarheen’. Ten tijde van het nemen van het besluit van 15 september 2011 was eisers laatst bekende adres in Nederland volgens de gba: [adres]. Voorts is verweerder uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 27 juni 2011 gebleken dat eiser na 18 februari 2005 in Nederland nog een aantal strafbare feiten heeft gepleegd en dat hij hiervoor een aantal keren in Nederland gedetineerd is geweest. Tevens heeft eiser na 18 februari 2005 in Oostenrijk en in Duitsland in detentie gezeten. Na de overdracht van eiser door de Duitse autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten op 19 augustus 2010 heeft eiser zich niet meer laten inschrijven in de gba. Voorts is het op 7 juli 2011 naar voormeld adres in Nederland aangetekend verzonden voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning van eiser en diens ongewenstverklaring op 13 juli 2011 geretourneerd met de aantekening ‘vertrokken/onbewoond’. Omdat verweerder ten tijde van het nemen van het besluit van 15 september 2011 geen adres van eiser bekend was, heeft verweerder van dit besluit mededeling gedaan in de Staatscourant van 21 september 2011.

2.3.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het besluit van 15 september 2011 aldus niet overeenkomstig artikel 3:41, tweede lid, van de Awb bekend is gemaakt. Verweerder heeft afdoende onderzoek verricht naar het adres van eiser in verband met de bekendmaking van het besluit. Daaruit is gebleken dat eiser niet woonachtig was op voormeld adres in Nederland, wat is bevestigd doordat het voornemen van 7 juli 2011 retour is gekomen. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat eiser een gemachtigde had. Het beroep van eiser op IND werkinstructie 2010/9 treft geen doel, nu daarin ten aanzien van de bekendmaking van een besluit tot ongewenstverklaring wordt opgemerkt dat dit dient te gebeuren volgens voormelde paragraaf A5/3.3 van de Vc 2000. Voorts heeft eiser zijn stelling dat verweerder ten tijde van de bekendmaking van het besluit via de Nederlandse consul in Duitsland bekend was of had moeten zijn dat hij opnieuw in detentie verbleef in Duitsland niet aannemelijk gemaakt. Uit de ter onderbouwing van deze stelling door eiser overgelegde verklaring van het hoofd Bureau Buitenland van Reclassering Nederland van 21 februari 2013 blijkt enkel dat eiser van 11 oktober 2010 tot en met 28 december 2012 in Duitsland gedetineerd is geweest en kan niet worden opgemaakt dat verweerder daarmee destijds bekend was of had moeten zijn. Dit kan evenmin worden opgemaakt uit de brief van 18 juli 2013 van de Casemanager van de Afdeling Consulaire Aangelegenheden van het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Weliswaar blijkt daaruit dat een medewerker van dit ministerie op 25 januari 2011 telefonisch contact heeft gehad met de IND over de verblijfsstatus van eiser, maar daaruit kan niet worden opgemaakt dat verweerder tijdens dit telefoongesprek is ingelicht over eisers detentie en verblijfplaats in Duitsland. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat medewerkers van de informatielijn van de IND onder bepaalde voorwaarden informatie verstrekken aan derden, maar niet tot taak hebben mededelingen van derden te registreren of daarnaar onderzoek te (laten) verrichten. Uit de enkele omstandigheid dat navraag is gedaan naar eisers verblijfsstatus, hoefde verweerder ook in dit licht bezien niet af te leiden dat eiser (wellicht langdurig) gedetineerd was in Duitsland en dat dit relevant kon zijn voor de bekendmaking van eventuele toekomstige besluiten, te minder nu dit telefonisch contact op 25 januari 2011 heeft plaatsgevonden, ruim voordat het besluit van 15 september 2011 is genomen. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht, van 12 oktober 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BT7652) treft dan ook geen doel. Eiser wordt evenmin gevolgd in zijn standpunt dat verweerder contact had moeten opnemen met zijn in [plaatsnaam] woonachtige moeder of andere familieleden. Het lag niet op de weg van verweerder een verdergaand onderzoek naar eisers verblijfplaats te verrichten. Op grond van artikel 4.37 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) dient een vreemdeling verweerder zelf in kennis te stellen van adreswijzigingen. Dit heeft eiser niet gedaan. De rechtbank vindt voor het voorgaande steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA4511). Eisers stelling ter zitting dat hij na 18 februari 2005 nog in [plaatsnaam] heeft gewoond leidt niet tot een andere conclusie, omdat hij hiervan geen mededeling heeft gedaan aan verweerder en hij zich ook niet heeft laten inschrijven in de gba van [plaatsnaam]. Evenmin heeft eiser verweerder mededeling gedaan van de (langdurige) detentie in Duitsland vanaf 11 oktober 2010. Ten slotte bestaat geen grond voor het oordeel dat eiser erop mocht vertrouwen dat Reclassering Nederland of de Nederlandse consul in Duitsland verweerder in kennis zou stellen van zijn detentie in Duitsland, nu zij daartoe niet gehouden waren en eiser ook niet heeft gesteld dat hij daarom heeft gevraagd, laat staan dat dit zou zijn afgesproken of toegezegd.

2.4.

Nu het besluit tot eisers ongewenstverklaring door het mededelen daarvan in de Staatscourant van 21 september 2011 op een andere geschikte wijze als bedoeld in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb bekend is gemaakt, heeft verweerder terecht geoordeeld dat het bezwaar van eiser van 11 januari 2013 na afloop van de bezwaartermijn is ingediend en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het betoog van eiser faalt derhalve.

3.

Het beroep is ongegrond.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (AWB 13/1180)

5.

Eiser heeft op 4 maart 1993 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 2 augustus 1993 is deze aanvraag ingewilligd en is eiser toegelaten als vluchteling. Met de inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001 is de toelating als vluchteling aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Deze verblijfsvergunning is bij bestreden besluit Ia ingetrokken.

6.

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het door eiser ingestelde beroep tegen bestreden besluit Ia van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit Ib, waarbij aan de in bestreden besluit Ia gehanteerde intrekkingsgrond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 de intrekkingsgrond van artikel 35, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is toegevoegd en de ingangsdatum van de intrekking is gewijzigd.

7.

Eiser betoogt op gelijke gronden als ten aanzien van de bekendmaking van het besluit tot zijn ongewenstverklaring dat bestreden besluit Ia niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, zodat geen grond bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring van het daartegen gerichte beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.

7.1.

Gezien het hiervoor in 2.3 overwogene faalt dit betoog. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat publicatie in de Staatscourant alleen in het geval van een besluit tot ongewenstverklaring hoeft plaats te vinden en dat verweerder dus - overeenkomstig de IND werkinstructie 2010/9 en paragrafen C18/1 en C16/3.2.2 van de Vc 2000, zoals deze luidden ten tijde van belang - heeft kunnen volstaan met aangetekende verzending van bestreden besluit Ia naar het laatst bekende gba-adres van eiser op 9 september 2011. Nu eiser eerst bij faxbericht van 10 januari 2013 en dus buiten de beroepstermijn tegen dit besluit beroep heeft ingesteld, is het beroep tegen bestreden besluit Ia niet-ontvankelijk.

8.

Gezien deze niet-ontvankelijkheid heeft eiser, zoals hij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, geen belang bij beoordeling van hetgeen hij tegen bestreden besluit Ib heeft aangevoerd. Die beoordeling kan immers niet afdoen aan de intrekking van zijn verblijfsvergunning op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef c, van de Vw 2000. Dat de intrekkingsdatum van de verblijfsvergunning bij bestreden besluit Ib is vervroegd, levert evenmin belang op bij rechterlijke toetsing van dat besluit, wat eiser ter zitting eveneens heeft bevestigd. Gelet hierop is ook het beroep van rechtswege tegen bestreden besluit Ib niet-ontvankelijk.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De afwijzing van de asielaanvraag en het inreisverbod (AWB 13/8907)

10.

Aan het bij bestreden besluit III op grond van artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000, tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod zijn de in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 bedoelde rechtsgevolgen verbonden (zwaar inreisverbod).

11.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) volgt dat, zolang een zwaar inreisverbod voortduurt, de rechterlijke toetsing van de verblijfsaanspraken van een vreemdeling slechts plaatsvindt in het kader van een beroep tegen dit inreisverbod. Als een eerder besluit omtrent een verblijfsaanspraak van de vreemdeling echter in rechte onaantastbaar is geworden, kan de rechter deze verblijfsaanspraak slechts bij de beoordeling van het beroep tegen een zwaar inreisverbod betrekken als de vreemdeling ter zake nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangetoond, uit het door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, dan wel als hij bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45). De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraken van de Afdeling van 15 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO8020) en 28 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:353).

12.

Uit het voorgaande volgt dat hetgeen eiser in zijn beroepschrift tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevoerd moet worden beoordeeld alsof dit deel uitmaakt van zijn beroepsgronden gericht tegen het inreisverbod. Dit geldt evenwel niet voor hetgeen eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en zijn ongewenstverklaring heeft aangevoerd. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien de beroepen met zaaknummers AWB 13/1180 en AWB 14/4089, is zowel het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning als het besluit tot eisers ongewenstverklaring, in het kader van de toetsing waarvan de intrekking van de verblijfsvergunning destijds ten volle aan de orde had kunnen worden gesteld, na het zonder verschoonbare reden ongebruikt laten verstrijken van respectievelijk de beroeps- en bezwaartermijn in rechte onaantastbaar geworden. Nu eiser ter zake van de intrekking van zijn verblijfsvergunning en zijn ongewensteverklaring voorts geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangetoond, zich evenmin een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet en hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van voormeld arrest van het EHRM, kan hetgeen eiser tegen die intrekking en zijn ongewenstverklaring heeft aangevoerd niet bij de toetsing van het inreisverbod worden betrokken.

13.

Eiser betoogt dat niet is gebleken dat de redenen voor zijn erkenning als vluchteling zijn vervallen. Daarbij merkt hij op dat gezien het tijdsverloop sinds 1993 niet van hem kan worden verwacht dat hij wederom het bewijs levert van zijn gegronde vrees voor vervolging.

13.1.

Bij besluit van 2 augustus 1993 heeft verweerder eiser erkend als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Nu dit besluit daarover geen uitsluitsel geeft, moet worden aangenomen dat deze erkenning heeft plaatsgevonden op grond van het destijds door eiser naar voren gebrachte asielrelaas en dat verweerder op grond daarvan aannemelijk heeft geacht dat eiser in Afghanistan gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, waarin ligt besloten dat verweerder toen eveneens aannemelijk heeft geacht dat eiser bij terugkeer in dat land een reëel risico zou lopen te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden behandeling. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 8 september 2011 eisers verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken, zonder dat hij daarbij is teruggekomen van de erkenning als vluchteling van eiser. Dat, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:260) heeft overwogen, de verlening van de vluchtelingenstatus in Nederland samenvalt met de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, betekent niet dat de erkenning als vluchteling van eiser met de intrekking van zijn verblijfsvergunning desalniettemin moet worden geacht te zijn ingetrokken. De ingetrokken verblijfsvergunning van eiser betrof immers een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000, die anders dan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet kan worden ingetrokken omdat de grond voor verlening is komen te vervallen. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat erkenning als vluchteling op zichzelf bezien niet in de weg hoeft te staan aan de intrekking van een verblijfsvergunning. Wel brengt deze erkenning mee dat uitzetting naar het land van herkomst in beginsel moet worden geacht in strijd te zijn met artikel 3 van het EVRM en het daarin besloten liggende verbod van refoulement, dat, anders dan het verbod van refoulement van artikel 33, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag, absoluut is en geen uitzonderingen kent.

13.2.

Verweerder heeft zich in bestreden besluit III en het daarin ingelaste voornemen op het standpunt gesteld dat, voor zover thans van belang, geen aanleiding bestaat om eiser op grond van de gebeurtenissen vóór zijn vertrek uit Afghanistan als vluchteling aan te merken. Ten aanzien van de oude vijandschap tussen eisers oom en Gulbuddin Hekmatyar, leider van Hezb-i-Islami, heeft verweerder overwogen dat het aan eiser is om aan te tonen dat deze vijandschap onverminderd voortduurt en dat eiser daarin niet is geslaagd. Volgens verweerder biedt deze geschiedenis als zodanig geen grond om eiser thans als vluchteling aan te merken of aannemelijk te achten dat uitzetting van eiser naar Afghanistan in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV2875) en hetgeen hiervoor in 13.1 is overwogen, gaat verweerder er met deze overweging aan voorbij dat het op zijn weg ligt aannemelijk te maken dat eiser thans bij terugkeer in Afghanistan, anders dan ten tijde van het besluit van 2 augustus 1993, geen reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, in plaats van de bewijslast dat eiser nog steeds vluchteling is eenzijdig bij hem neer te leggen. Verweerder heeft dan ook niet afdoende gemotiveerd dat en waarom de omstandigheden in verband waarmee hij eiser als vluchteling heeft erkend hebben opgehouden te bestaan en dat uitzetting van eiser naar Afghanistan niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit geldt te meer nu Gulbuddin Hekmatyar in Afghanistan nog steeds een machtsfactor van betekenis is blijkens het in het voornemen in verband met deze persoon genoemde Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van het ministerie van Buitenlandse Zaken van juli 2012 (zie pagina 29 en 32). In het licht van eisers gestelde vrees voor deze persoon is verweerders algemene opmerking ter zitting dat (vermeende) aanhangers van het communistische regime in Afghanistan (1979-1992) in dat land niet meer dezelfde risico’s lopen als in 1993 onvoldoende voor de conclusie dat uitzetting van eiser naar Afghanistan niet (langer) in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Het betoog van eiser slaagt dan ook.

14.

Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is gegrond en bestreden besluit III dient in zoverre te worden vernietigd.

15.

Deze vernietiging brengt mee dat eiser belang heeft bij beoordeling van zijn beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Gezien het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep ook in zoverre gegrond en dient bestreden besluit III in zijn geheel te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

16.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 974,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit Ia en Ib niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit III gegrond;

- vernietigt bestreden besluit III;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op eisers asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen bestreden besluit III redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 974,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.