Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:1310

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
AWB-13_8793
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing handhavingsbesluit betreffende Partycentrum Groenoord

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19, geldigheid: 2007-01-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/8793

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2014 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

Partycentrum Groenoord B.V., te Leiden, verzoekster

(gemachtigde: mr. V.L.T. van Roy),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. E.F. Beusekom en W.B.A. Mullink).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[A], [B] en [C], namens bewoners van de wijk Groenoord,

(gemachtigde van [C]: mr. H.A.M. Lamers).

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster onder oplegging van een dwangsom van € 15.000, - gelast vanaf 8 november 2013 het met het bestemmingsplan “Leiden Noord” strijdige gebruik te staken en gestaakt te houden.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2014. Namens verzoekster is verschenen [D], vergezeld van [E] en [F] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden, voornoemd. Van belanghebbenden is verschenen [C], bijgestaan door zijn gemachtigde en [B].

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1

Het bestreden besluit heeft betrekking op het ‘Partycentrum Groenoord’ aan de Willem de Zwijgerlaan 2b te Leiden. Omwonenden hebben verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het gebruik van het daar gevestigde bedrijfspand als partycentrum vanwege door hen ervaren overlast.

2.2.

Het besluit van verweerder om een last onder dwangsom op te leggen berust op het standpunt dat met het exploiteren van een partycentrum, gehandeld wordt in strijd met de gebruiksvoorschriften uit het bestemmingsplan en de verleende vergunningen.

2.3

Verzoekster bestrijdt dat sprake is van strijdig gebruik, nu het gebruik van het bedrijfspand als partcentrum volgens haar conform de eerder verleende vergunningen is.

3.

Ingevolge het bestemmingsplan ‘Leiden Noord’ rust ter plaatse van de Willem de Zwijgerlaan 2b de bestemming ‘Uitwerkingsgebied – Groenoordhallen e.o. (UW-GEO)’. omgeving’. Niet in geschil is dat sprake is van strijdigheid met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

4.

De vraag die ter beoordeling voorligt is of het huidige gebruik is vergund met de in het verleden - in afwijking van het bestemmingsplan - verleende bouwvergunningen met vrijstelling/ontheffing. De voorzieningenrechter gaat bij deze beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

vergunningen 2006-2007

5.1

Op 11 oktober 2006 heeft de heer [D] namens Kinderspeelparadijs Piraat Eiland v.o.f. (de rechtsvoorganger van verzoekster) een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor het gedeeltelijk veranderen van een evenementenhal. Ten aanzien van het gebruik is op het aanvraagformulier ingevuld dat zowel voor als na de uitvoering van de werkzaamheden het bouwwerk en de bijbehorende terreinen als evenementenhal worden gebruikt. Bij de aanvraag is een brief van 11 oktober 2006 gevoegd waarin Kinderspeelparadijs Piraat Eiland een nadere uitleg geeft over de voorgenomen exploitatie van de “binnenspeelplaats/evenementenhal”. De in de brief genoemde evenementen betreffen kinderevenementen.

5.2

Bij besluit van 19 januari 2007 heeft verweerder op basis van voornoemde aanvraag op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, vrijstelling verleend van de voorschriften van het destijds geldende bestemmingsplan “de Hallen” voor wat betreft het herinrichten van de Eschertoren begane grond ten behoeve van een speelparadijs. De bij de aanvraag gevoegde brief van 11 oktober 2006 maakt onderdeel uit van de verleende vergunning.

5.3

Op 23 november 2006 heeft de heer [D] namens Kinderspeelparadijs Piraateiland v.o.f. een aanvraag bouwvergunning ingediend voor het gedeeltelijk veranderen van een evenementenhal/speelparadijs. Op het aanvraagformulier is ten aanzien van het gebruik van het bouwwerk ingevuld dat dit zowel voor als na de uitvoering van de werkzaamheden de functie evenementenhal/speelparadijs heeft.

5.4

Bij (afzonderlijk) besluit van 19 januari 2007 heeft verweerder het bij de aanvraag van 23 november 2006 ingediende bouwplan, dat bestaat uit het aanbrengen van een gedeeltelijke verdiepingsvloer in de Cornelis Joppenszaal, niet in strijd geacht met het bestemmingsplan “de Hallen” en de gevraagde vergunning, overeenkomstig de overgelegde tekeningen en conform de aanvraag verleend.

vergunning 2009-2010

5.5

Op 29 september 2009 heeft de heer [D] namens Kinderspeelparadijs Piraat Eiland v.o.f. een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor het gedeeltelijk plaatsen van een verdiepingsvloer. Op het aanvraagformulier is ten aanzien van het gebruik ingevuld dat het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende terreinen “speelparadijs/evenementen” betreft en dat na uitvoering van de werkzaamheden het gebruik zal wijzigen in “zaalverhuur/huidige activiteiten”.

5.6

Verweerder heeft deze aanvraag van 29 september 2009 getoetst aan de navolgende bepalingen van het toentertijd reeds geldende bestemmingsplan “Leiden Noord”.
In artikel 5, negende lid van de voorschriften van dit bestemmingsplan is bepaald dat binnen het uitwerkingsgebied “Groenoordhallen” uitsluitend gebouwd mag worden indien een bouwplan in overeenstemming is met een uitwerkingsplan dat rechtskracht heeft gekregen. In artikel 5, tiende lid, van de planvoorschriften is bepaald dat het college bevoegd is om, in afwijking van artikel 5, lid 9, een ontheffing van de realisering van bebouwing te verlenen, indien de op te richten bebouwing naar bestemming, voorgenomen gebruik, afmetingen en plaats in overeenstemming is met, dan wel op verantwoorde wijze kan worden ingepast in een ontwerp uitwerkingsplan.

5.7

Met toepassing van voornoemde ontheffingsmogelijkheid heeft verweerder bij besluit van 26 mei 2010 de vergunning voor het maken van een verdiepingsvloer (entresol) in het bestaande bedrijfspand verleend. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het bouwplan op een verantwoorde wijze ingepast kan worden in een ontwerp uitwerkingsplan, aangezien de bestaande functie ongewijzigd blijft en de toename van de parkeerdruk ter plaatse kan worden opgevangen.

5.8

Ten behoeve van de exploitatie ter plaatse is op 3 juli 2008 aan verzoekster een vergunning ingevolge de wet op de kansspelen verleend en is op 8 oktober 2007 en 12 juni 2013 een vergunning ingevolge de drank- en horecawet verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf.

6.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in 2007 verstrekte vergunningen, genoemd onder 5.2 en 5.4, zien op het gebruik van het bedrijfspand ten behoeve van kinderactiviteiten en betrekking hebben op het speelparadijs. In het licht van die verleende vergunningen is bij de vergunning in 2010 uitgegaan van een ongewijzigd exploitatie ten behoeve van kinderactiviteiten. Het in de vergunningaanvraag van 2009 vermelde gebruik als “zaalverhuur/huidige activiteiten” moet volgens verweerder zo worden geïnterpreteerd dat de zaalverhuur slechts ziet op activiteiten ten behoeve van kinderen en niet op de activiteiten die daar nu plaatsvinden, zoals bruiloften en muziekoptredens.

7.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van strijdig gebruik, maar dat het gebruik is conform de aan haar verleende vergunningen. Verzoekster verwijst naar de bouwvergunningen die in 2006 en 2009 zijn aangevraagd, waarbij is aangegeven dat het gebruik ter plaatse een evenementenhal en later tevens zalenverhuur betreft. De door haar gevraagde vergunningen zijn door verweerder verleend. Voorts stelt verzoekster dat al vóór de vergunningaanvragen in 2006 er sprake was van gebruik ten behoeven van (volwassen) evenementen en dat om die reden bij de aanvraag van 11 oktober 2006 het gewijzigde medegebruik ten behoeve van kinderactiviteiten nader is toegelicht. De vermelding van “evenementenhal” in de aanvragen van 2006 wijst volgens verzoekster ook op het andere, reeds bestaande gebruik evenals het in geding gebrachte overzicht van advertenties en krantenartikelen over georganiseerde evenementen en de in het dossier aanwezige verleende kansspel- en horecavergunningen.

8.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

8.1

De voorzieningenrechter ziet thans onvoldoende aanknopingspunten om verweerder in zijn standpunt te volgen dat de verstrekte vergunningen slechts zien op het gebruik van het bedrijfspand ten behoeve van kinderactiviteiten. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster zich in de aanvraagformulieren (in zowel 2006 als in 2009) ten aanzien van het gebruik van het bedrijfspand - waarbij is opgegeven evenementenhal en later tevens zalenverhuur - niet heeft beperkt tot kinderactiviteiten. De nadere toelichting in de brief van 11 oktober 2006 is voor een dergelijke beperkte uitleg van de aanvraag van 2006, onvoldoende. Immers, verzoekster heeft ter zitting uiteengezet dat deze toelichting betrekking heeft op de uitbreiding van de activiteiten ter plaatse, waarmee de evenementenhal, die voordien geregeld werd geëxploiteerd ten behoeve van activiteiten voor volwassenen, een dubbelfunctie zou verkrijgen en overdag als speelparadijs zou worden gebruikt. De voorzieningenrechter stelt tevens vast dat in de verleende vergunningen niet expliciet is vermeld dat de evenementenhal/zalen uitsluitend mag/mogen worden gebruikt/verhuurd ten behoeve van kinderactiviteiten. De door verweerder voorgestane beperkte uitleg van de vergunningen zou dan ook slechts volgen uit het feit dat in de onder 5.2 genoemde vergunning uit 2007 is vermeld dat deze is verleend ten behoeve van een speelparadijs. In de onder 5.4 en 5.7 genoemde vergunningen is dit echter niet vermeld. Daarbij komt dat verzoeksters ter zitting de aan haar verleende vergunning van 26 mei 2010 heeft overgelegd, met aangehechte foto’s van de destijds aanwezige situatie ter plaatse. Deze foto’s zijn gemaakt door verweerder tijdens een bezoek ter plaatse en op de foto’s staat ten minste één bar met tapkraan en sterke drank. Nu deze foto’s gezien het daarop aangebrachte stempel onderdeel uitmaken van de vergunning en de vergunning is verleend op de grond dat het gebruik ter plaatse ongewijzigd blijft, kan verweerder zonder nadere toelichting niet worden gevolgd in het betoog dat hij er in redelijkheid vanuit heeft mogen gaan dat de bouwaanvraag die aan de vergunning van 26 mei 2010 ten grondslag ligt, slechts betrekking had op het gebruik van de zalen ten behoeve van kinderactiviteiten. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter tevens het feit dat er sedert 2007 een vergunning ingevolge de drank- en horecawet is afgegeven en sedert 2008 een vergunning ingevolge de wet op de kansspelen.

8.2

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in de bezwaarfase nader zal moeten worden onderzocht welk gebruik er precies is vergund. Hierbij zal onderzoek moeten worden verricht naar de vergunningsaanvragen met eventuele verstrekte toelichting(en) en dient tevens te worden nagegaan wat er in dit kader tussen partijen is besproken. Voorts dient nader te worden bezien wat de betekenis is van de aan de vergunning van 26 mei 2010 gehechte foto’s mede aan de hand van, indien aanwezig, de verslaglegging van het bezoek van verweerder ter plaatse.

9.

Gezien het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op basis van de nu voorhanden zijnde gegevens onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verzoekster handelt in strijd met de aan haar verleende vergunningen en dat, zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld of het besluit in bezwaar stand zal houden. In dit licht bezien overweegt de voorzieningenrechter dat het belang van verzoekster bij de verzochte schorsing van het besluit, dat erin is gelegen dat geplande feesten en partijen doorgang kunnen vinden, zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel dat verweerder, onder verwijzing naar het proces-verbaal van bevindingen van de opsporingsambtenaar van 19 oktober 2013 ten aanzien van de parkeeroverlast, zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat de door de omwonenden gestelde ernstige overlast lijkt mee te vallen. Bij dit oordeel betrekt de voorzieningenrechter tevens dat ten aanzien van eventuele overschrijdingen van de geluidsnorm thans handhavend wordt opgetreden door de Omgevingsdienst West-Holland.

10.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

11.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974, - (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318, - aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
    € 974, -

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Koper, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.E. Verweij-van der Nat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.