Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13078

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
14-3511
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Armenie, individueel ambtsbericht, relaas ongeloofwaardig, traumatabeleid, brp gegrond met instandhouding rechtsgevolgen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/3511 en Awb 14/3512

V-nummers: [nummer] en [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 oktober 2014 in de zaak tussen

[naam 1], eiser,
[naam 2], eiseres,
gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde mr. M.J. Paffen, opgevolgd door mr. A.W.J. van der Meer,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de afzonderlijke besluiten van verweerder van 7 februari 2014 (bestreden besluiten), waarbij de aanvragen tot het verlenen van een asielvergunning bepaalde tijd van eisers zijn afgewezen. Verweerder heeft op 13 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 mei 2014 heeft de rechtbank de stukken opgevraagd die ten grondslag liggen aan het individuele ambtsbericht over eisers van de minister van Buitenlandse Zaken van 19 november 2013 met kenmerk [kenmerk BuZa]. Bij brief van 10 juni 2014 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de gevraagde stukken toegezonden en de rechtbank meegedeeld dat uitsluitend zij van bepaalde gedeelten daarvan mag kennisnemen. Op 11 juli 2014 heeft deze rechtbank, enkelvoudige geheimhoudingskamer, bepaald dat beperking van de kennisneming van genoemde gegevens gerechtvaardigd is.

De behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 19 september 2014. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig K.K. Mkrttsjan, tolk Armeens. Partijen hebben toestemming verleend om bij de uitspraak de stukken te betrekken die ten grondslag liggen aan het individuele ambtsbericht. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eisers hebben gesteld te zijn geboren op [geboortedatum 1] respectievelijk [geboortedatum 2] en de Armeense nationaliteit te bezitten. Op 7 december 2012 hebben eisers een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Met instemming van eiseres is uitsluitend eiser gehoord over de asielmotieven van eisers. Zij hebben aan hun aanvragen ten grondslag gelegd dat eiseres op 20 augustus 2012 verkracht is door [naam 3], de eigenaar van de supermarkt waar eiseres werkzaam was. Eisers hebben hiervan aangifte gedaan. Vervolgens werden zij door de lijfwachten van[naam 3] bedreigd en mishandeld opdat ze de aanklacht zouden intrekken. Eisers zijn daarop gevlucht. Bij terugkeer vrezen ze opnieuw door[naam 3] te worden belaagd.

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen van eisers met toepassing van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna Vw 2000), afgewezen. Onder verwijzing naar het individuele ambtsbericht dat de minister van Buitenlandse Zaken op verzoek van verweerder op 19 november 2013 heeft uitgebracht met kenmerk [kenmerk BuZa] (hierna: het ambtsbericht), stelt verweerder zich op het standpunt dat de verklaring van eiser en dientengevolge het asielrelaas op essentiële punten ongeloofwaardig zijn. Voor zover eisers zich beroepen op klemmende redenen van humanitaire aard, wijst verweerder erop dat deze grond, gelet op de wijziging van de Vw 2000 per 1 januari 2014, beoordeeld is in het licht van artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

3. Eisers betwisten dat eiser niet geloofwaardig heeft verklaard. Eisers twijfelen aan de juistheid van het ambtsbericht, nu de informatie waarop het ambtsbericht is gebaseerd mogelijk afkomstig is van een vertrouwenspersoon die niet op voorhand betrouwbaar is. Eisers verwijzen in dit verband naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 17 januari 2014 (Awb 12/10200) en deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 11 en 17 juni 2011 (Awb 10/40365 en Awb 09/39700). Eisers hebben verder aangevoerd dat eiseres als manager tot augustus 2012 werkzaam is geweest bij de supermarktketen [naam supermarkt]. Ze zijn opgeroepen door de politie om te worden gehoord inzake de verkrachting van eiseres, maar door corruptie in het politieapparaat is de aangifte niet verder opgevolgd. De dader kende immers het hoofd van de politie. Dat corruptie een ernstig probleem is in Armenië blijkt ook uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Armenië van oktober 2013, aldus eiser. Eiser heeft zich vanwege de mishandelingen door de lijfwachten van[naam 3] op 27 augustus 2012 vervoegd in [kliniek 1] in de wijk[naam wijk] voor medische verzorging, wat bevestigd wordt door een brief van de directeur van deze kliniek van 10 oktober 2012. Bij terugkeer vrezen eisers een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres wijst er in dit verband op dat zij ernstige psychische problemen heeft. Verder beroepen eisers zich op het traumatabeleid. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stellingen onder meer een postverzendbewijs van de aangiftebrief alsmede een getuigenverklaring met betrekking tot de duur van de werkzaamheden van eiseres bij de [naam supermarkt]-keten overgelegd.

4. Verweerder heeft in het verweerschrift zijn standpunt gehandhaafd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, zoals dat luidt sinds 1 januari 2014, kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

(1) doodstraf of executie;

(2) folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

(3) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van en burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Met ingang van 1 januari 2014 is de Vw 2000 gewijzigd in verband met de herschikking van de gronden voor asielverlening en is het Vreemdelingenbesluit 2000 gewijzigd, waarbij een deel van de maatregelen “Stroomlijning asielprocedures” is ingevoerd. Met de herschikking van de asielgronden en de stroomlijning toelatingsprocedures is onder meer de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 genoemde asielgrond, en daarmee ook het traumatabeleid, komen te vervallen. Asielzoekers die in het land van herkomst zijn geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen en als gevolg daarvan niet kunnen terugkeren naar het land van herkomst, kunnen onder voorwaarden in aanmerking komen voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

6. Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Verweerder kan een dergelijk advies aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen, mits hij zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan vergewist dat het advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig is en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent (onder meer de uitspraak van 5 april 2011 in zaak nr. 201009709/1/V2).

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder naar aanleiding van vragen van de rechtbank omtrent de vertrouwenspersoon, verantwoordelijk voor de informatie waarop het ambtsbericht over eisers is gebaseerd, bij brief van 22 mei 2014 heeft gereageerd. Verweerder heeft verklaard dat de in de zaak van eisers ingeschakelde vertrouwenspersoon niet dezelfde is als de vertrouwenspersoon die in de door eisers aangehaalde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Arnhem en Roermond, een rol speelde. Verweerder heeft dit ter zitting bevestigd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eisers ter zitting verklaard de beroepsgrond inzake de betrouwbaarheid van de vertrouwenspersoon niet langer te handhaven. Voorts wordt overwogen dat in het ambtsbericht naast de vertrouwenspersoon gebruik is gemaakt van diverse andere, ambtelijke en niet-ambtelijke bronnen. De rechtbank concludeert dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Na kennisneming van de inhoud van het advies concludeert de rechtbank dat het inzichtelijk is en concludent. Verweerder heeft het ambtsbericht daarom aan de bestreden besluiten ten grondslag kunnen leggen.

8. Eiser heeft verklaard dat zijn vrouw sinds 2000 tot hun vlucht in augustus 2012 werkzaam is geweest als manager in een supermarkt van de [naam supermarkt] keten. In 2011 is de toenmalige eigenaar van de winkel gevlucht. De nieuwe eigenaar, [naam 3], benoemde eiseres tot directeur, aldus eiser. Uit het ambtsbericht blijkt dat eiseres inderdaad bij de supermarkt [naam supermarkt] heeft gewerkt in de functie van manager. De supermarkt is echter in 2009 opgehouden te bestaan. De nieuwe winkel is doorgegaan onder de naam [naam supermarkt] en verkoopt sindsdien tegels en ceramiek. Eiseres stond tot half augustus 2009 als officieel werkzaam bij de [naam supermarkt] geregistreerd. Mogelijk heeft zij daarna een bepaalde periode ongeregistreerd (zwart) gewerkt. De rechtbank overweegt dat deze informatie over transformatie van de winkel en het ongeregistreerd werkzaam zijn van eiseres niet naar voren komt in de verklaringen van eiser, noch bij de correcties en aanvullingen op de gehoren. Aan de door eiser ingebrachte getuigenverklaring van gestelde werknemers van de keten [naam supermarkt], inhoudende dat eiseres van 2010 tot augustus 2012 werkzaam is geweest als directeur van “[naam supermarkt]’, kan niet de waarde worden gehecht die eisers daaraan willen toekennen, nu deze op verzoek van hun dochter is opgesteld. Blijkens het ambtsbericht staat als eigenaar van de [naam supermarkt]-keten [naam 4] bekend. Eigenaar van de Flash keten is [naam 5]. De naam [naam 3] zegt de bronnen van het ambtsbericht niets. De stelling dat er sprake zou zijn van stromannen, hebben eisers op geen enkele wijze onderbouwd.

9. Wat betreft de gestelde mishandeling van eiser en diens medische verzorging in [kliniek 1] in de wijk[naam wijk] overweegt de rechtbank het volgende. Uit het ambtsbericht blijkt dat een patiënt in de regel in de polikliniek in zijn eigen wijk wordt behandeld. Eiser zou op basis van zijn adres onder [kliniek 2]vallen. Indien eiser een maand lang behandelingen zou hebben ondergaan in [kliniek 2], zou hij uitgeschreven moeten zijn geweest bij[kliniek 2]. Op grond van een bezoek aan [kliniek 2]is vastgesteld dat eiser vanaf 2007 onafgebroken ingeschreven is geweest bij[kliniek 2]. Aan de betrouwbaarheid van de directeur die de door eisers overgelegde brief over eisers behandeling in [kliniek 1] heeft opgesteld, wordt in het ambtsbericht ernstig getwijfeld. De rechtbank acht het dan ook onwaarschijnlijk dat eiser medische zorg heeft ontvangen in [kliniek 2].

10. Eisers hebben ter onderbouwing van de gestelde aangifte een verzendbewijs van de aangiftebrief overgelegd, zonder daarbij een kopie van de brief over te leggen. Uit het ambtsbericht blijkt dat eiser inderdaad op 27 augustus 2012 het centrale politiebureau heeft bezocht, omdat hij was opgeroepen om te worden gehoord naar aanleiding van de brief die eisers op 23 augustus 2012 aan de politie hadden geschreven. De brief bevat echter een opsomming van incidenten die er volgens eisers op wezen dat eiseres in de maanden juni en juli 2012 gevolgd werd door een man met een zonnebril; er zou vanuit een auto zonder nummerplaten naar haar getoeterd zijn en er zouden lucifers op de bovenrand van haar voordeur neergelegd zijn. Er is geen opvolging gegeven aan de aanklacht omdat er geen sprake was van een strafbaar feit. De rechtbank concludeert dat de aangifte zag op andere feiten dan de gestelde verkrachting.

11. Indien een individueel ambtsbericht het asielrelaas waarop het betrekking heeft, op essentiële punten weerspreekt, is het aan de vreemdeling om het ambtsbericht te weerleggen. Gelet op het vooroverwogene zijn eisers er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd de conclusies uit het ambtsbericht te weerleggen en hebben eisers hun asielrelaas onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen geloof gehecht kan worden aan het asielrelaas van eisers.

12. Met betrekking tot het beroep dat eisers hebben gedaan op het traumatabeleid overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 is het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag van toepassing, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is. Nu uit de Wet niets anders voortvloeit en het recht ten tijde van de bestreden besluiten niet gunstiger was voor eisers, is het traumatabeleid dat gold ten tijde van de aanvraag van eisers van 7 december 2012 van toepassing.

13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkenen niet in hun belangen zijn geschaad doordat de beoordeling van het al dan niet bestaan van klemmende redenen van humanitaire aard is verplaatst naar artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd nu verweerder heeft nagelaten te beoordelen of eisers voldoen aan de voorwaarden van het traumatabeleid. De bestreden besluiten zijn in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

14. Vervolgens moet worden beoordeeld of de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten geheel of gedeeltelijk in stand kunnen worden gelaten, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.


Ten aanzien van het beroep van eisers op het traumatabeleid overweegt de rechtbank dat eisers niet aan de voorwaarden van dit beleid voldoen nu het asielrelaas van eisers niet geloofwaardig is geacht. Het beroep op het traumatabeleid faalt dan ook.

16. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 27 mei 2008 in zaak nr. 26565/05; www.echr.coe.int) blijkt dat uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan volgens die jurisprudentie slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Uit het medische dossier dat eiseres heeft overgelegd is naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat er van uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld sprake is. Verweerder heeft terecht bepaald dat vanwege de medische situatie van eiseres bij uitzetting geen met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie dreigt te ontstaan.

17. Eisers hebben gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat hun aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers daarom terecht afgewezen.

18. De slotsom is dat de bestreden besluiten wegens gedeeltelijk ondeugdelijke motivering voor vernietiging in aanmerking komen, maar voor het overige de (inhoudelijke) rechterlijke toetsing kunnen doorstaan. De rechtbank zal bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven.

19. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 974 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 974 (negenhonderdvierenzeventig euro), te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.