Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13046

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
C-09-473028 - FA RK 14-6994
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Teruggeleiding van minderjarige naar Polen verzocht door moeder. Sprake van ontvoering. Geen weigeringsgronden aanwezig. Verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 14-6994

Zaaknummer: C/09/473028

Datum beschikking: 14 oktober 2014

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 3 september 2014 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats] (Polen),

advocaat: mr. drs. J. de Visser te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. V.M.A. Saris te Dordrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het f-formulier d.d. 23 september 2014, met bijlage, van de zijde van de vader.

Op 18 september 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de Poolse advocaat de heer S. Zaremba en vergezeld van de tolk in de Poolse taal mevrouw B. Stappers, alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld van de tolk in de Poolse taal mevrouw E. Franus. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. H.M. Boone. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediationtraject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben daar om hen moverende redenen geen gebruik van gemaakt.

De na te noemen minderjarige is op 29 september 2014 in raadkamer gehoord.


Op 29 september 2014 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de Poolse advocaat de heer S. Zaremba en vergezeld van de tolk in de Poolse taal mevrouw B. Stappers, alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld van de tolk in de Poolse taal mevrouw M.K. Mroszczyk. Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Na de zitting heeft de rechtbank nog een brief van de zijde van de moeder ontvangen, gedateerd 10 oktober 2014. De rechtbank heeft op deze brief geen acht geslagen, nu partijen ter zitting niet in de gelegenheid zijn gesteld nog nadere stukken in te dienen.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarige te bevelen naar Polen, althans de afgifte te bevelen van deze minderjarige aan de moeder en daarbij op grond van artikel 11 lid 3 van de Brussel II bis Verordening gebruik te maken van de snelste procedure die in het nationale recht beschikbaar is, althans de beslissing vast te stellen binnen zes weken nadat het verzoek aanhangig is gemaakt, met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna
– voor zover nodig – zal worden besproken. De vader heeft verzocht de moeder te veroordelen in de proceskosten van de vader.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] (Polen).

- Uit dit huwelijk is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats] (Polen).

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

- Op 30 oktober 2013 heeft de vader met de minderjarige de woning van partijen te Polen verlaten en is kort daarna met de minderjarige naar Nederland vertrokken.

- De moeder is eind april 2014 in Polen een echtscheidingsprocedure gestart.

- De vader, de moeder en de minderjarige hebben de Poolse nationaliteit.

- De moeder heeft zich gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. 130159.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Polen zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat de minderjarige onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Nederland zijn gewone verblijfplaats in Polen had. Evenmin in geschil is dat het gezagsrecht daadwerkelijk (mede) door de moeder werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging niet had plaatsgevonden.

Tussen partijen is wel in geschil of de moeder toestemming heeft verleend voor het vertrek van de minderjarige naar Nederland voor een vast verblijf aldaar samen met de vader.

De moeder heeft gesteld dat de vader op 27 oktober 2013 aan haar toestemming heeft gevraagd om met de minderjarige naar de stad [plaats], Polen, te mogen reizen voor een farmaceutische conferentie en dat zij daarvoor toestemming heeft gegeven. Volgens de moeder is de vader op 30 oktober 2013 met de minderjarige naar [plaats] gereisd.

De moeder heeft gesteld dat het plan was dat de vader en de minderjarige voor een dag naar [plaats] zouden reizen, maar dat de vader niet op tijd terug was van zijn reis. Volgens de moeder bleek de vader vervolgens telefonisch onbereikbaar. De moeder heeft voorts gesteld dat zij vervolgens na enkele dagen naar de politie is gegaan om aangifte te doen van ontvoering van de minderjarige. Na het onderzoek dat door de politie is gedaan, is geconstateerd dat de minderjarige samen met de vader in Nederland verbleef. De moeder heeft gesteld dat zij hiervoor geen toestemming heeft gegeven en dat er sprake is van ongeoorloofde overbrenging.

De vader heeft gesteld dat er geen sprake is van ongeoorloofde overbrenging, omdat de moeder toestemming heeft gegeven voor de overbrenging en het verblijf van de minderjarige bij de vader in Nederland. Hij heeft zijn stelling onderbouwd met een schriftelijk stuk, waarvan hij zegt dat dit een verklaring van de moeder betreft die door haar bij het vertrek van de minderjarige bij de auto is ondertekend en waarin zij verklaart akkoord te zijn met een verhuizing van de minderjarige naar Nederland om bij de vader te gaan wonen.

De moeder heeft gesteld dat de tekst van de verklaring valselijk is opgesteld. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in 2010, toen zij voor haar werk naar Nederland ging, drie blanco formulieren heeft ondertekend, zodat de vader in haar naam bepaalde handelingen kon verrichten ten behoeve van haar bedrijf in Polen. De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring het resultaat is van knip- en plakwerk, in die zin dat de vader boven haar handtekening zelf een tekst heeft geplaatst. Bij het vertrek van de minderjarige met de vader heeft zij geen stukken ondertekend.

Nu de moeder aldus niet heeft betwist dat de handtekening onder de betreffende verklaring van haar afkomstig is, is het wettelijk uitgangspunt dat deze dwingend bewijs oplevert van de juistheid van die verklaring, behoudens door de moeder te leveren tegenbewijs. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De moeder heeft gesteld dat de vader met de minderjarige naar Nederland is vertrokken zonder achterlating van een verblijfsadres van hemzelf of de minderjarige in Nederland en dat de vader bovendien telefonisch niet bereikbaar was voor de moeder, hetgeen door de vader is erkend. De moeder heeft voorts onweersproken gesteld dat de vader geen kleren en speelgoed van de minderjarige heeft meegenomen en dat er geen afspraken zijn gemaakt tussen de vader en de moeder over het contact tussen de moeder en de minderjarige. Daarnaast is komen vast te staan dat de minderjarige zelf bij zijn vertrek er niet van op de hoogte was dat hij in Nederland zou gaan wonen.

Voorts blijkt uit de verklaring van de vader op de regiezitting dat, toen de moeder in 2010 voor haar werk naar Nederland is gegaan, het persoonlijk zetten van handtekeningen of een volmacht van een notaris ten behoeve van haar bedrijf onderwerp van gesprek tussen de vader en de moeder is geweest.

Al deze feiten en omstandigheden maken dat de rechtbank van oordeel is dat de moeder in het kader van deze procedure het in de genoemde verklaring gelegen bewijs van haar toestemming voldoende heeft ontkracht. De hiervoor beschreven, vaststaande gang van zaken rond en na het vertrek van de minderjarige met de vader verdraagt zich redelijkerwijze niet met een situatie waarin tussen ouders overeenstemming bestaat over een voor een kind zo ingrijpende wijziging van zijn verblijfplaats. De door de vader gegeven redenen voor deze gang van zaken, te weten dat de moeder voor haar familie niet wilde weten dat zij de toestemming gaf, is door de moeder gemotiveerd weersproken en komt de rechtbank niet aannemelijk voor. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de moeder geen toestemming aan de vader heeft gegeven om met de minderjarige naar Nederland te vertrekken en zich daar permanent met de minderjarige te vestigen. Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging is geschied in strijd met het gezagsrecht van de moeder naar Pools recht.

Dat de moeder lang heeft gewacht met het aanhangig maken van onderhavige procedure maakt dit niet anders, nu zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij al vanaf december 2013 gepoogd heeft om via de Centrale Autoriteiten een procedure aan te spannen. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de overbrenging van de minderjarige naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarige naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minderjarige in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Voor zover de vader heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgrond, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b, te weten dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de vader niet heeft aangetoond dat er sprake is van deze weigeringsgrond. De vader heeft enkel gesteld dat de minderjarige door zijn moeder en zijn opa is mishandeld. De vader heeft zijn stelling, die door de moeder is betwist, echter niet (nader) onderbouwd.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De minderjarige is door de rechtbank in raadkamer gehoord. De minderjarige heeft verklaard dat hij het fijn vindt in Nederland en op school, dat hij hier alles leuk vindt, dat hij niet terug wil naar Polen en dat hij bang is voor zijn moeder. Voor zover deze verklaring gekwalificeerd kan worden als verzet tegen zijn terugkeer, is de rechtbank van oordeel dat de minderjarige nog niet de mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. Van belang daartoe acht de rechtbank dat de minderjarige nog maar zeven jaar oud is, dat hij bij navraag in het gesprek weinig verdieping kon geven aan zijn wensen en dat niet kan worden uitgesloten dat hij zich in zekere mate laat leiden door (zijn loyaliteit aan) de vader, door wie hij op dit moment reeds geruime tijd wordt verzorgd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en 13 lid 2 van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van de in artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag genoemde weigeringsgrond – de vader heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen.

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de minderjarige een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten als na te melden op uiterlijk 28 oktober 2014, zijnde de eerste dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Kosten

De moeder heeft verzocht de vader te veroordelen in de door haar in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van de minderjarige gemaakte kosten, door haar begroot op € 2.950,--. Ingevolge artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering kan de vader worden veroordeeld tot betaling van deze kosten. De vader heeft zich tegen een kostenveroordeling verweerd, omdat de moeder volgens hem nodeloos deze procedure voert.

De vader heeft op zijn beurt verzocht de moeder te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank zal de vader als de persoon die voor de internationale ontvoering van de minderjarige verantwoordelijk is, op grond van voornoemde bepalingen veroordelen de door de moeder gemaakte kosten aan haar te voldoen. Uit het feit dat de terugkeer van de minderjarige wordt gelast, volgt reeds dat geen sprake is van een nodeloos gevoerde procedure.
De door de moeder gevorderde kosten (€ 1.550,-- advocaatkosten, € 900,-- tolkkosten,
€ 500,-- reiskosten) komen de rechtbank niet onredelijk voor en zijn door de vader niet betwist. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de vader een bedrag van € 2.950,-- aan de moeder dient te voldoen.

Het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in zijn proceskosten zal worden afgewezen, nu hij in het ongelijk is gesteld.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Polen),

naar Polen uiterlijk op 28 oktober 2014, waarbij de vader de minderjarige dient terug te brengen naar Polen en beveelt, indien de vader nalaat de minderjarige terug te brengen naar Polen, dat de vader de minderjarige aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 28 oktober 2014, opdat de moeder de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Polen;

veroordeelt de vader tot betaling aan de moeder van de door haar gemaakte kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding van € 2.950,-- (zegge: tweeduizend negenhonderd vijftig euro);

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.B. Verkleij, W.G. de Boer en A.M.A. Keulen, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2014.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.