Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:13002

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
SGR 13/4015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Haagse rechtbank heeft geoordeeld dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het besluit om minder geld toe te kennen aan de Hogeschool Leiden voldoende heeft gemotiveerd. Daarmee is de minister tegemoet gekomen aan het tussenvonnis van de Haagse rechtbank op 13 februari jl. waarin werd geoordeeld dat motivering op een aantal punten onvoldoende was.

Prestatiebekostiging

De minister wil met het middel prestatiebekostiging de kwaliteit van het hoger onderwijs verbeteren. Scholen moeten de focus meer leggen op kwaliteit en profilering en minder op kwantiteit. De Hogeschool Leiden kreeg van de minister minder geld omdat zij het voorstel om een expertisecentrum Jeugd op te richten, niet wilde bekostigen.

Nadere motivering

In de uitspraak van vandaag oordeelt de rechtbank dat uit de nadere motivering van de minister voldoende blijkt dat het door de Hogeschool ingediende voorstel is vergeleken met voorstellen van vergelijkbare instellingen. Ook is experts om advies gevraagd over het door de Hogeschool voorgestelde expertisecentrum Jeugd. Uit de nadere motivering blijkt voldoende waarom de minister van het advies van de experts is afgeweken en waarom het voorstel voor het expertisecentrum is afgewezen. Daarbij is toegelicht waarom de minister vond dat een aanwijsbaar regionaal zwaartepunt voor het expertisecentrum ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/4015

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 oktober 2014 in de zaak tussen

de Stichting Hogeschool Leiden, te Leiden, eiseres

(gemachtigde: mr. F.P. van Galen),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. de Koning).

Procesverloop

De rechtbank heeft op 13 februari 2014 een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan, waarbij zij met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder in de gelegenheid heeft gesteld de in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebreken binnen acht weken te herstellen en een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Voor het geval verweerder van die mogelijkheid gebruik maakt heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld om op de nieuwe beslissing op bezwaar te reageren.

Bij brief van 9 april 2014 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar overgelegd.

Bij brief van 8 mei 2014 heeft eiseres op de nieuwe beslissing op bezwaar gereageerd en nadere informatie overgelegd.

Bij brief van 27 mei 2014 heeft verweerder gereageerd op de brief van eiseres van
8 mei 2014.

Na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft eiseres bij brief van
13 juni 2014 gereageerd op de brief van verweerder van 27 mei 2014.

Partijen hebben toestemming gegeven tot het doen van uitspraak zonder dat een nadere zitting plaatsvindt, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank merkt allereerst op dat in de tussenuitspraak abusievelijk het college van bestuur van de Hogeschool Leiden als eisende partij is vermeld. Dit had de Stichting Hogeschool Leiden moeten zijn.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder, gelet op de in rechtsoverwegingen 31 tot en met 35 genoemde motiveringsgebreken, in de gelegenheid gesteld om in een nieuwe beslissing op bezwaar inzichtelijk te maken dat het voorstel van de Hogeschool Leiden (HL) (het Voorstel) door de Reviewcommissie (RC) is vergeleken met voorstellen van vergelijkbare instelling en op welke wijze die vergelijking heeft plaatsgevonden; inzichtelijk te maken dat de RC experts uit private en publieke sectoren om advies heeft verzocht voor wat betreft het voorstel van de HL voor het Centre of Expertise Jeugd (CoEJ) en wat dat advies heeft behelsd; en de afwijzing van het voorstel van de HL voor het CoEJ deugdelijk te motiveren met inachtneming van hetgeen daarover in de uitspraak is overwogen.

3. In de nieuwe beslissing op bezwaar heeft verweerder in zijn algemeenheid toegelicht op welke wijze het Voorstel door de RC is vergeleken met voorstellen van vergelijkbare instellingen en in welke groepen van vergelijkbare instellingen de HL daartoe is ingedeeld. Voorts heeft verweerder voor de drie in het Beoordelingskader genoemde criteria “ambitieniveau en realiteitsgehalte”, “aansluiting bij de gewenste ontwikkelingen op stelselniveau” en “uitvoerbaarheid” en hun verschillende aandachtspunten uiteengezet hoe het Voorstel door de RC is beoordeeld, hoe de voorstellen van de vergelijkbare instellingen uit de verschillende vergelijkbare groepen op de betreffende criteria zijn beoordeeld en waar eventuele verschillen in beoordeling door kunnen worden verklaard. Daarnaast heeft verweerder uiteengezet hoe de expertcommissie was samengesteld, hoe zij te werk is gegaan en hoe zij tot haar pre-advies voor het CoEJ is gekomen. Het betreffende pre-advies heeft verweerder als bijlage bij de nieuwe beslissing op bezwaar gevoegd. Tot slot heeft verweerder nader uiteengezet waarom de RC het Voorstel voor het CoEJ, met inachtneming van het pre-advies van de expertcommissie, heeft afgewezen. Gelet op één en ander beschouwt verweerder de in de tussenuitspraak genoemde motiveringsgebreken als hersteld.

4. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de nieuwe beslissing op bezwaar niet blijkt dat de hogescholen daadwerkelijk met elkaar zijn vergeleken, laat staan dat dit door de RC is gebeurd ten tijde van het nemen van het primaire besluit. Om die reden heeft verweerder in strijd gehandeld met het uitgangspunt van een gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in een procedure tot verdeling van schaarse middelen centraal staat. Bovendien blijkt uit de nieuwe beslissing op bezwaar en het daarbij als bijlage 1 gevoegde overzicht niet waarom de HL drie punten heeft gescoord op het eerste aandachtspunt “onderwijskwaliteit en studiesucces” van het eerste criterium “ambitie en realiteitsgehalte”. Voorts heeft eiseres zich, gelet op het door verweerder bij de nieuwe beslissing op bezwaar alsnog overgelegde pre-advies, op het standpunt gesteld dat verweerder in zoverre heeft gehandeld conform het Beoordelingskader. Tot slot voert eiseres aan dat de RC ten onrechte heeft geconcludeerd dat het Voorstel voor wat betreft het CoEJ niet voldoet aan het vereiste van aansluiting bij een (economisch) zwaartepunt. Bovendien heeft verweerder nagelaten te motiveren waarom van het pre-advies van de expertcommissie is afgeweken.

Eerste motiveringsgebrek (vergelijking Voorstel met voorstellen vergelijkbare instellingen)

5. Zoals in rechtsoverwegingen 30 en 31 van de tussenuitspraak is overwogen, dient kenbaar en toetsbaar te zijn dat het Voorstel met voorstellen van andere instellingen is vergeleken, zoals in het Beoordelingskader is voorgeschreven, en hoe die vergelijking heeft plaatsgevonden. Nu één en ander noch uit het advies van de RC (het Advies) noch uit enig besluit van verweerder bleek, terwijl namens verweerder ter zitting was verklaard dat een vergelijking wel degelijk plaats had gevonden, heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld dit alsnog inzichtelijk te maken.

6. In de nieuwe beslissing op bezwaar heeft verweerder toegelicht dat de HL ten behoeve van de vergelijking in drie groepen is ingedeeld, te weten de groep “midden” (tussen 500 en 3000 studenten), de groep “groot” (meer dan 3000 studenten) – dit omdat de HL zich in haar voorstel heeft gespiegeld aan de Randstedelijke hogescholen – en de groep “snelle groei” (instellingen die net als de HL een snelle groei kennen). Voorts heeft verweerder toegelicht dat door instellingen in verschillende groepen te vergelijken wordt voorkomen dat één aspect van een instelling te zwaar gaat wegen. De vergelijkingen hebben dus tot doel de voorstellen van de instellingen op hun waarde te kunnen schatten, rekening houdend met specifieke omstandigheden van instellingen. Na een eerste oordeel van de RC zijn vervolgens consistentiechecks op het geheel van de oordelen per groep uitgevoerd. Dit betekent dat voor hogescholen in dezelfde groep is gekeken in hoeverre de voorlopige scores van deze hogescholen verschillen en wat daarvoor de reden is. Tot slot is er nog een consistentiecheck over de groepen heen uitgevoerd. Dit betekent dat voor hogescholen met gelijke score is gekeken in hoeverre deze tot dezelfde groep behoren en zo niet, wat de reden is geweest om toch tot dezelfde score te komen. Ook bij de consistentiechecks heeft de RC de HL vergeleken met de hogescholen in de drie hiervoor genoemde groepen.

7. Voorts heeft verweerder toegelicht hoe de RC de vergelijking aan de hand van de drie in het Beoordelingskader genoemde criteria “ambitieniveau en realiteitsgehalte”, “aansluiting bij de gewenste ontwikkelingen op stelselniveau” en “uitvoerbaarheid” en de binnen deze criteria te onderscheiden aandachtspunten heeft uitgevoerd. Samengevat heeft verweerder in dat kader het volgende aangevoerd.

7.1.

Ten aanzien van het eerste aandachtspunt “onderwijskwaliteit en studiesucces” van het eerste onder 7 genoemde criterium heeft verweerder toegelicht dat de HL in haar Voorstel heeft ingezet op een afname van het percentage studenten dat uitvalt, een toename van het percentage studenten dat switcht en een afname van het percentage studenten dat ‘op tijd’ afstudeert (rendement). De ambities op de overige verplichte indicatoren zijn allemaal gericht op een verbetering. Uit de vergelijking van deze ambities met de ambities van vergelijkbare instellingen uit verschillende groepen blijkt dat de ambities van andere Randstedelijke hogescholen en hogescholen met eveneens een snelle groei van het aantal studenten, een vergelijkbaar patroon laten zien. Omdat het voor deze hogescholen gelet op de omstandigheden ingewikkeld is het aantal studenten dat switcht van studie laag te houden en ook een flinke groei van het rendement een moeilijke opdracht is, heeft de RC de ambities van deze instellingen en van de HL met (tenminste) een voldoende gewaardeerd.

7.2.

Ten aanzien van het tweede aandachtspunt “onderwijsaanbod” van het eerste criterium heeft verweerder toegelicht dat de vergelijking met vergelijkbare instellingen in de verschillende groepen op dit punt heeft geleid tot een relatief lage score van de HL ten opzichte van (een deel van) de vergelijkbare instellingen. De beperkte ambities van de HL om het onderwijsaanbod te ontwikkelen (de HL zet voornamelijk in op breed opgezette propedeusejaren) hebben hierbij een rol gespeeld. De vergelijkbare instellingen hebben over het algemeen meer plannen geformuleerd om het onderwijsaanbod verder te ontwikkelen. De verschillen tussen de voorstellen lijken geen oorzaak te hebben in de kenmerken van de groepen. Gelet op één en ander heeft de RC de plannen van de HL mede op basis van de vergelijking wel als voldoende beoordeeld, maar heeft (een deel van) vergelijkbare andere instellingen een hogere score toegekend gekregen.

7.3.

Ten aanzien van het derde aandachtspunt “onderzoek en valorisatie” van het eerste criterium heeft verweerder toegelicht dat de plannen van de HL door de RC als goed zijn beoordeeld. De voorstellen van de vergelijkbare instellingen uit de verschillende groepen waren over het algemeen van een vergelijkbaar goed niveau.

7.4.

Voorts heeft verweerder toegelicht dat de scores op de verschillende aandachtspunten hebben meegewogen in het eindoordeel van de RC op het eerste criterium. De RC heeft alles afwegend, en rekening houdend met de uitkomsten van de consistentiechecks, met de positie van de instelling ten opzichte van vergelijkbare instellingen en met het totaalbeeld, haar eindoordeel bepaald. Voor de HL heeft de RC het voorstel op dit criterium als merendeels ambitieus en realiseerbaar beoordeeld, hetgeen is weergegeven in het Advies.

7.5.

Ten aanzien van de aandachtspunten “zwaartepuntvorming” en “onderwijsdifferentiatie” van het tweede onder 7 genoemde criterium heeft verweerder toegelicht dat de RC de inzet van de HL op deze punten als goed heeft beoordeeld en dat de voorstellen van vergelijkbare instellingen over het algemeen in gelijke mate aansloten op de in het Voorstel genoemde ontwikkelingen op deze punten. Voorts heeft verweerder toegelicht om welke redenen sommige instellingen in de vergelijkbare groepen lagere dan wel hogere scores op deze punten toegekend hebben gekregen. De scores op de verschillende aandachtspunten hebben meegewogen in het eindoordeel van de RC op dit criterium. De RC heeft alles afwegend, en rekening houdend met de uitkomsten van de consistentiechecks, met de positie van de instelling ten opzichte van vergelijkbare instellingen en met het totaalbeeld, haar eindoordeel bepaald. De RC heeft geoordeeld dat de HL met haar voorstel sterk inzet op onderwijsdifferentiatie en zwaartepuntvorming, hetgeen is weergegeven in het Advies.

7.6.

Ten aanzien van het derde onder 7 genoemde criterium, waarbij geen aparte aandachtspunten zijn te onderscheiden, heeft verweerder toegelicht dat de RC het Voorstel van de HL als merendeels uitvoerbaar heeft beoordeeld, hetgeen in het Advies is weergegeven. Ondanks dat de HL maatregelen benoemt om de geformuleerde ambities te realiseren en voortbouwt op bestaande activiteiten, heeft de RC geconstateerd dat de inzet van capaciteit en middelen niet concreet wordt gemaakt. Uit de vergelijking met voorstellen van vergelijkbare instellingen blijkt dat dit bij meerdere instellingen het geval is. Een oorzaak hiervoor lijkt niet gelegen in de kenmerken van de groepen. Ook de inbedding in de organisatie (HRM-beleid) is een onderscheidende factor geweest in de vergelijking, waarvoor de HL en verschillende andere instellingen weinig aandacht hadden in hun voorstel. Voorts heeft verweerder toegelicht om welke redenen sommige instellingen in de vergelijkbare groepen hogere scores op dit punt toegekend hebben gekregen.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de in de nieuwe beslissing op bezwaar gegeven toelichting en overgelegde informatie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het Voorstel door de RC is vergeleken met voorstellen van vergelijkbare instellingen en op welke wijze die vergelijking heeft plaatsgevonden. De stelling van eiseres dat niet uit de nieuwe beslissing op bezwaar blijkt dat de vergelijking door de RC heeft plaatsgevonden ten tijde van het primaire besluit, kan vanwege het navolgende niet tot een ander oordeel leiden.

9. Als bijlage 1 bij de nieuwe beslissing op bezwaar heeft verweerder een overzicht overgelegd van scores van de HL op het aandachtspunt “onderwijskwaliteit en studiesucces” in vergelijking met andere hogescholen in de drie groepen, evenals een overzicht met op basis van beschikbare trendgegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) op de verplichte indicatoren (instroom, uitval, switch en rendement) van de vergelijkbare instellingen samengestelde grafieken. Eiseres heeft aangevoerd dat de door verweerder in bijlage 1 overgelegde cijfers van DUO uitgaan van de rendementscijfers over het jaar 2007, welke cijfers pas bekend zijn geworden in het tweede kwartaal van 2013 op basis van de in het eerste kwartaal van 2013 opgestelde jaarcijfers van de instellingen over het jaar 2012. Het rendement wordt immers gemeten als het percentage studenten van het instroomcohort van vijf jaar eerder welke na die vijf jaar een diploma heeft behaald, aldus eiseres. Daaruit blijkt volgens eiseres dat de vergelijking door de RC niet ten tijde van het primaire besluit heeft plaatsgevonden.

10. Verweerder heeft in zijn brief van 27 mei 2014 erkend dat in bijlage 1 geactualiseerde gegevens zijn opgenomen, echter verweerder heeft toegelicht dat van deze gegevens bij de beoordeling van het Voorstel geen gebruik is gemaakt. Dit blijkt uit de laatste zin van bijlage 1, waarin staat: “bron: DUO gegevenslevering 2013; bij de beoordeling was het laatste jaar (cohort 2011) nog niet beschikbaar”. Voor het overige heeft verweerder de stelling van eiseres dat het niet anders kan dan dat de RC de vergelijking na het primaire besluit heeft gemaakt, betwist.

11. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat verweerder in bijlage 1 bij de nieuwe beslissing op bezwaar geactualiseerde cijfers heeft opgenomen die pas na het primaire besluit bekend zijn geworden, niet maakt dat voldoende aannemelijk is geworden dat de vergelijking van het Voorstel met voorstellen van vergelijkbare instellingen door de RC pas heeft plaatsgevonden na het nemen van het primaire besluit. De rechtbank ziet voor het overige geen aanknopingspunten die deze stelling van eiseres ondersteunen.

12. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat zij zich om verschillende redenen niet kan vinden in de eindbeoordeling op het eerste criterium “ambitie en realiteitsgehalte”. Volgens eiseres blijkt onvoldoende uit de nieuwe beslissing op bezwaar waarom de HL 3 punten heeft gescoord op het eerste aandachtspunt “onderwijskwaliteit en studiesucces” van dit criterium, terwijl twee vergelijkbare hogescholen, de Hogeschool InHolland (HinH) en de Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN), 4 punten hebben gescoord op het eerste criterium. Daarbij is eiseres ingegaan op de ambities van de HL en van andere vergelijkbare instellingen op de verplichte indicatoren.

13. Verweerder heeft toegelicht dat de RC voor haar eindoordeel op het eerste criterium een integrale afweging van alle aandachtspunten op het eerste criterium heeft gemaakt. Het eindoordeel is dus niet uitsluitend gebaseerd op de vergelijking van de voorstellen op het eerste aandachtspunt. Voorts heeft verweerder toegelicht dat de HinH en de HAN, net als de HL, een score van 3 toegekend hebben gekregen op het eerste aandachtspunt van het eerste criterium, maar dat beide hogescholen een ander eindoordeel op het eerste criterium hebben gekregen. De relatief lage score van de HL op het tweede aandachtspunt “onderwijsaanbod” bij het eerste criterium heeft meegewogen in het eindoordeel op het eerste criterium en verklaart mede de lagere score van de HL op het eerste criterium, aldus verweerder.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze nadere toelichting over de beoordeling door de RC op het eerste criterium, voldoende duidelijk uiteen heeft gezet waarom het eindoordeel voor de HL op dit criterium lager is uitgevallen dan het eindoordeel voor de HinH en de HAN. Dat verweerder, althans de RC, in strijd heeft gehandeld met het Besluit prestatiebekostiging en het Beoordelingskader door voor de eindbeoordeling op het eerste criterium een integrale afweging te maken op alle aandachtspunten bij dat criterium, zoals eiseres heeft aangevoerd, kan de rechtbank niet volgen.

15. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de gemaakte vergelijking op het eerste criterium ziet de rechtbank, terughoudend toetsend, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot de score op dit criterium heeft kunnen komen.

16. Samengevat is de rechtbank van oordeel dat verweerder het eerste in de tussenuitspraak genoemde motiveringsgebrek in voldoende mate heeft hersteld.

Tweede motiveringsgebrek (advies expertcommissie over voorstel HL voor CoEJ)

17. Gelet op het door verweerder bij de nieuwe beslissing op bezwaar als bijlage 3 overgelegde ‘Advies commissie Kamminga, 2012’ (het pre-advies), is de rechtbank van oordeel dat verweerder daarmee inzichtelijk heeft gemaakt dat de RC experts uit private en publieke sectoren om advies heeft verzocht voor wat betreft het voorstel van de HL voor het CoEJ en wat dat advies heeft behelsd. Het tweede in de tussenuitspraak genoemde motiveringsgebrek merkt de rechtbank daarmee als hersteld aan.

Derde motiveringsgebrek (motivering afwijzing voorstel HL voor CoEJ)

18. Zoals in rechtsoverwegingen 33 tot en met 35 van de tussenuitspraak is overwogen, ontbreekt in het bestreden besluit een deugdelijke motivering voor wat betreft de afwijzing van het voorstel van de HL voor een CoEJ. Specifiek heeft de rechtbank overwogen dat het standpunt van verweerder dat het CoEJ geen toegevoegde waarde voor het werkveld heeft en een aanwijsbaar regionaal zwaartepunt ontbreekt, gelet op de (niet-betwiste) stellingen van eiseres dat het voorgestelde CoEJ aansluit bij de opgebouwde band met het (regionale) werkveld die de regionale arbeidsmarkt vormt en dat het CoEJ zorgt voor goed-opgeleide professionals, niet te volgen is.

19. In de nieuwe beslissing op bezwaar heeft verweerder toegelicht dat in het Voorstel onvoldoende wordt aangetoond dat sprake is van een aanwijsbaar regionaal (economisch) zwaartepunt, zoals bijvoorbeeld zwaartepunten die geografisch verbonden zijn aan een regio (zoals ‘Deltatechnologie’ voor Zeeland of ‘Energie’ voor Groningen) of die worden gevormd door een gezamenlijk opgebouwde expertise (zoals ‘Healthy Aging’ in het Noorden). In alle gevallen kenmerkt een regionaal zwaartepunt zich door intensieve samenwerking tussen verschillende partners en een duidelijke meerwaarde voor de regio en de betrokken partners, bijvoorbeeld tot uiting komend in een meer dan gemiddelde werkgelegenheid rond dit thema en/of een bovengemiddeld aandeel onderzoek en ontwikkeling in deze regio. De onderbouwing is in het Voorstel enerzijds gericht op de activiteiten van de HL zelf. Anderzijds is de onderbouwing gericht op de landelijke relevantie van het thema. Mocht de ambitie zijn een landelijk Centre of Expertise tot ontwikkeling te brengen, dan zou de RC een gezamenlijk voorstel van meer hogescholen hebben verwacht, aldus verweerder. Voorts heeft verweerder toegelicht dat regionale inbedding (een band met het regionale werkveld) en het zorgen voor goed-opgeleide professionals niet behoren tot een regionaal zwaartepunt. Dergelijke zaken kan men tot de reguliere activiteiten van een hogeschool rekenen, aldus verweerder. Tot slot heeft verweerder toegelicht dat de beoogde opbrengsten van het CoEJ voor de regio niet concreet gemaakt worden in het Voorstel en dat de rolverdeling tussen betrokken partners onduidelijk is. Weliswaar heeft de HL diverse ondertekende verklaringen van partners uit het veld aangeleverd, maar deze hebben volgens verweerder het karakter van adhesiebetuigingen waaruit niet blijkt wat elke partner concreet zal bijdragen.

20. Met inachtneming van deze nadere toelichting is de rechtbank van oordeel dat de conclusie van verweerder dat in het voorstel voor een CoEJ onvoldoende wordt aangetoond dat sprake is van een aanwijsbaar regionaal (economisch) zwaartepunt, niet onredelijk of onbegrijpelijk is. De rechtbank constateert dat uit het Voorstel vooral blijkt dat sprake is van zogenaamde regionale inbedding, ofwel een band tussen de onderdelen binnen de HL die zich bezighouden met het thema Jeugd en de jeugdzorginstellingen binnen de regio Leiden, althans de Randstad. De rechtbank kan verweerder volgen in diens toelichting dat een dergelijke regionale inbedding niet kan worden aangemerkt als een regionaal (economisch) zwaartepunt zoals genoemd in het Beoordelingskader. Met verweerder constateert de rechtbank voorts dat het voorstel voor het CoEJ deels is gericht op activiteiten van de HL zelf, zoals de ontwikkeling van masters gericht op jeugdzorg, de Academische Pabo Leiden, een uitstroomprofiel Jeugdzorgwerker en samenwerking tussen lectoraten en lectoren in het jeugddomein en het werkveld (zie 2.2. tot en met 2.7. van het Voorstel zoals weergegeven onder 1.6. van de tussenuitspraak). Het enkele gegeven dat de HL studenten binnen het thema Jeugd door deze ontwikkelingen kan opleiden tot goede professionals ten behoeve van jeugdzorginstellingen binnen de regio Leiden, althans de Randstad, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder daaruit een duidelijke meerwaarde voor de regio en de betrokken partners moest afleiden. Uit de nadere toelichting van verweerder volgt immers dat daarvoor meer nodig is dan enkel het opleiden van toekomstige professionals.

21. Voorts overweegt de rechtbank dat uit het Voorstel en de nadere stellingen van eiseres blijkt dat het thema Jeugd landelijk relevant is. Dit wordt ook door verweerder erkend en blijkt bovendien uit de reactie van de expertcommissie in het pre-advies naar aanleiding van de vraag: “In hoeverre is de gekozen profilering van het Centre of Expertise in lijn met de (economische) zwaartepunten in de regio?” In haar reactie geeft de expertcommissie onder meer aan dat het voorstel voor het CoEJ nationaal zeker van belang is. Uit de nadere toelichting van verweerder in de nieuwe beslissing op bezwaar leidt de rechtbank af dat ook ingeval van een landelijk relevant thema sprake moet zijn van een regionaal (economisch) zwaartepunt en dat het de voorkeur van verweerder heeft dat het voorstel voor een Centre of Expertise met een landelijk relevant thema door meerdere hogescholen samen wordt ingediend. Deze redenering van verweerder acht de rechtbank niet onredelijk. In dat verband merkt de rechtbank nog op dat uit het verslag van het gesprek tussen de HL en verweerder van 1 oktober 2012 blijkt, dat destijds door verweerder is aangegeven dat het thema Jeugd een landelijk thema is dat niet aansluit op andere zwaartepunten in de regio. Het was volgens verweerder een pre geweest als de aanvraag met meer hogescholen gezamenlijk was ingediend, al was dat geen voorwaarde, en als het plan had aangesloten bij een regionaal zwaartepunt. Immers, men had dit Centre of Expertise ook kunnen opzetten buiten de Leidse regio, aldus verweerder. Hieruit leidt de rechtbank af dat het voor eiseres kenbaar was, althans had kunnen zijn, dat ook voor een voorstel tot het opzetten van een Centre of Expertise met een landelijk relevant thema, sprake moet zijn van een regionaal (economisch) zwaartepunt en dat het de voorkeur van verweerder had als een dergelijk voorstel met meerdere hogescholen samen zou zijn ingediend.

22. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat verweerder het pre-advies had moeten volgen, althans de afwijking van dat advies beter had moeten motiveren, overweegt de rechtbank als volgt.

23. Uit het pre-advies blijkt dat de expertcommissie het voorstel voor een CoEJ met een +/- heeft beoordeeld. Ten aanzien van het subonderdeel (economische) zwaartepunten in de regio heeft de expertcommissie onder meer geadviseerd dat het voorstel aansluit op een maatschappelijk thema en dat sprake is van aansluiting bij de samenwerking in de regio en bij landelijke trends en behoeften. De expertcommissie heeft op dit onderdeel het suboordeel + gegeven aan het voorstel voor het CoEJ. Met inachtneming van de onder 19 weergegeven nadere toelichting van verweerder op het onderwerp regionaal (economisch) zwaartepunt, constateert de rechtbank dat deze bevindingen van de expertcommissie met name zien op de regionale inbedding van het voorgestelde CoEJ en niet zozeer op de duidelijke meerwaarde van het Centre voor de regio.

24. Verweerder heeft in de nieuwe beslissing op bezwaar uiteengezet dat de RC haar advies aan de minister over het voorgestelde Centre of Expertise heeft geformuleerd op grond van het pre-advies, de gesprekken tussen en RC en de HL en een eigen afweging heeft gemaakt. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geconstateerd, te weten dat uit het pre-advies niet blijkt of sprake is van een regionaal (economisch) zwaartepunt zoals door verweerder bedoeld en zoals is weergegeven onder 19, en gelet op de nadere toelichting van verweerder op dit punt, is de rechtbank van oordeel dat niet onredelijk of onbegrijpelijk is dat de RC het voorstel van de HL voor het CoEJ met een “onvoldoende” heeft beoordeeld. Ook is niet onredelijk dat verweerder dit oordeel van de RC heeft gevolgd. Evenmin is de rechtbank van oordeel dat, na inachtneming van de nadere toelichting van verweerder op dit punt, sprake is van een gebrekkige motivering.

25. Samengevat is de rechtbank van oordeel dat verweerder het derde in de tussenuitspraak genoemde motiveringsgebrek in voldoende mate heeft hersteld.

Conclusie

26. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

27. Gezien de nadere motivering van het bestreden besluit in de nieuwe beslissing op bezwaar en het hiervoor overwogene ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb evenwel te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

28. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiseres betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

29. De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.217,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 318,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten van € 1.217,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, voorzitter, mr. B. Meijer, lid, en
mr. D. Biever, lid, in aanwezigheid van C.P. van Veldhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.