Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:12944

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
441531 HA ZA 13-454
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Merkinbreuk. Niet aangetoond dat een van de gedaagden degene is die de gestelde inbreuk heeft gepleegd. Deels verstekvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/441531 / HA ZA 13-454

Vonnis van 1 oktober 2014

in de zaak van

1. de vennootschap naar vreemd recht

A&F TRADEMARK INC.,

gevestigd te Ohio, Verenigde Staten van Amerika,

2. de vennootschap naar vreemd recht

ABERCROMBIE & FITCH EUROPE SA,

gevestigd te Mendrisio, Zwitserland,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

1 [A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat: voorheen mr. V.J.M. Verlinden-Masson te Groningen, thans onttrokken,

2. [B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

3. [C],

voorheen wonende te [woonplaats], thans wonende te China,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. Y.M. Prins te Groningen.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk in enkelvoud A&F c.s. genoemd worden en ieder afzonderlijk worden aangeduid als A&F Trademark, respectievelijk A&F Europe. Gedaagden zullen respectievelijk worden aangeduid als [A], [B] en [C]. De zaak is voor A&F c.s. inhoudelijk behandeld door mrs. A.M.E. Voerman en N.N. van der Laan, advocaten te Amsterdam. De zaak is voor [C] inhoudelijk behandeld door zijn advocaat, mr. Y.M. Prins voornoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 maart 2013;

  • -

    de akte overlegging producties van A&F c.s. met 10 producties van 24 april 2013;

  • -

    de incidentele vordering strekkende tot opheffing van het beslag tevens conclusie van antwoord tevens houdende een eis in reconventie van [C] van 3 juli 2013 met 3 producties;

  • -

    het vonnis in het incident van 11 december 2013;

  • -

    het tussenvonnis van 8 januari 2014, waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de beschikking van 24 januari 2014, waarbij de comparitie van partijen is bepaald op 4 maart 2014;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van A&F c.s. van 17 februari 2014 met producties 11 tot en met 13;

  • -

    de akte overlegging producties met productie 4 van [C] van 18 februari 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 4 maart 2014.

1.2.

Voor [A] heeft zich een advocaat gesteld, deze heeft zich inmiddels onttrokken. Namens [A] is niet geantwoord en er is niemand verschenen tijdens de comparitie.

1.3.

[B] is niet verschenen. Jegens [B] is verstek verleend.

1.4.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

A&F c.s. maken deel uit van een onderneming die zich wereldwijd bezig houdt met de productie en verkoop van vrijetijdskleding. A&F c.s. is houder van diverse merkregistraties waaronder de navolgende (hierna: de A&F merken):

Op naam van A&F Europe:

- A&F, ingeschreven op 26 januari 2006 als internationale woordmerkregistratie met gelding in de Europese Unie onder nummer 878553 voor waren in de klassen 3, 14, 18, 25 en 35;

- GILLY HICKS 1932, ingeschreven op 28 juni 2012 als internationale woordmerkregistratie met gelding in de Europese Unie onder nummer 1125672 voor waren in de klassen 03, 25, 35;

- ABERCROMBIE, ingeschreven op 12 september 2011 als internationale woordmerkregistratie met gelding in de Europese Unie onder nummer 1093901 voor waren in de klassen 3, 25 en 35, alsmede op 2 oktober 2003 als Gemeenschapswoordmerk onder nummer 002315083 voor waren in de klassen 3, 25 en 42;

- ABERCROMBIE & FITCH, ingeschreven op 28 november 2011 als Gemeenschapswoordmerk onder nummer 000325258 voor waren in de klassen 3, 25 en 42.

- HOLLISTER, ingeschreven op 18 februari 2008 als Gemeenschapswoordmerk onder nummer 005921168 voor waren in de klassen 3, 25 en 35;

- GILLY HICKS, ingeschreven op 15 juli 2011 als Gemeenschapswoordmerk onder nummer 005194543 voor waren in de klassen 3, 14, 25 en 35

Op naam van A&F Trademark:

- RUEHL, ingeschreven op 25 januari 2006 als internationale woordmerkregistratie met gelding in de Europese Unie onder nummer 877568 voor waren in de klassen 03, 14, 18, 25, 35;

- RUEHL NO.925, ingeschreven op 27 april 2006 als internationale woordmerkregistratie met gelding in de Europese Unie onder nummer 889226 voor waren in de klassen 03, 14, 18, 25, 35.

2.2.

[A] drijft blijkens het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel sinds 1 maart 2012 een eenmanszaak onder de naam ‘Pandora Fashion’, die zich blijkens de omschrijving in het Handelsregister bezighoudt met detailhandel via postorder en internet en verkoop van sieraden en kleding via internet. Op de website www.pandora-fashion.net staat [B] vermeld als contactpersoon.

2.3.

Pandora Fashion biedt via de website www.pandora-fashion.net kleding aan waaronder kleding voorzien van de tekens ABERCROMBIE en ABERCROMBIE & FITCH. Hieronder worden afbeeldingen weergegeven van een screenshot van deze website.

2.4.

Op de website www.marktplaats.nl biedt ook ene ‘Fiona Pandora’ kleding aan voorzien van het teken ABERCROMBIE & FITCH, zoals is te zien op onderstaande screenshot.

2.5.

A&F c.s. heeft via een onderzoeksbureau, BSC, een testaankoop gedaan, waarbij zij een polo-shirt en een t-shirt, voorzien van respectievelijk de tekens “ABERCROMBIE” en “ABERCROMBIE & FITCH” heeft gekocht van Pandora Fashion.

2.6.

In een door A&F c.s. overgelegd rapport van BSC staat onder meer:

“telefoonnummer dat in de advertentie op Marktplaats [stond, rb.] gebeld om aan te geven dat we interesse hebben in de shirts. Ene [D] nam de telefoon op. Hij sprak slecht Nederlands. We gaven aan een grote partij af te kunnen zetten, maar willen eerst twee samples hebben. Hij zei dat dit goed was. We moesten de informatie naar hem mailen.

2.7.

Op 7 september 2012 correspondeert BSC per e-mail over de testaankoop met ene [D] die het e-mailadres “[mailadres]” gebruikt.

2.8.

A&F c.s. heeft Pandora Fashion daarop op 21 november 2012 gesommeerd het aanbieden van kleding voorzien van haar merken te staken en gestaakt te houden, aangezien A&F c.s., zo stelt zij in haar sommatiebrief, beschikt over bewijsmateriaal dat de aangeboden kleding namaakproducten betreft. Aan deze sommatie heeft Pandora Fashion niet voldaan.

2.9.

Op 22 februari 2013 heeft A&F c.s. conservatoir beslag tot afgifte doen leggen op kleding voorzien van de A&F merken die is aangetroffen op het kantooradres van Pandora Fashion. Ook heeft zij conservatoir derdenbeslag doen leggen op banktegoeden van [A], [B] en [C].

3 Het geschil

in conventie

3.1.

A&F c.s. vordert – samengevat – een merkinbreukverbod, opgave van verkoop- en distributiekanalen, aantallen, voorraden en winstgegevens, afgifte ter vernietiging, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, een hoofdelijke veroordeling tot schadevergoeding en winstafdracht te vermeerderen met wettelijke rente, en met hoofdelijke veroordeling in de volledige proceskosten conform artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

3.2.

A&F c.s. legt aan haar inbreukvordering ten grondslag dat [A], [B] en [C], ieder van hen handelend onder de naam Pandora Fashion, zonder toestemming van A&F c.s. kleding voorzien van de A&F merken hebben ingevoerd, in voorraad gehouden, aangeboden en/of verhandeld. Daarmee hebben zij inbreuk gemaakt op de aan A&F c.s. toekomende merkrechten in de zin van artikel 9 lid 1 sub a van de Verordening (EG) 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk (hierna: GMVo). Haar vordering tot opgave van relevante gegevens omtrent de gestelde inbreuk baseert A&F c.s. op de artikelen 101 en 102 GMVo en 2.21 lid 4 en 2.22 lid 4 van het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) (hierna: BVIE). A&F c.s. voert voor haar vordering tot afgifte ter vernietiging als grondslag aan artikel 102 lid 2 GMVo jo artikel 2.22 lid 1 BVIE en voor haar vordering tot schadevergoeding de artikelen 102 GMVo jo. 2.21 lid 1 sub a BVIE jo. 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). A&F c.s. voert aan dat haar schade bestaat uit reputatieschade, winstderving en geleden verlies, verlies aan marktaandeel, morele schade en afbreuk aan de commerciële waarde van de A&F merken. De door A&F c.s. gevorderde winstafdracht naast schadvergoeding, tenslotte, is gebaseerd op de artikelen 102 GMV jo 2.21 lid 4 BVIE. A&F c.s. stelt dat [A], [B] en [C] te kwader trouw hebben gehandeld. Pandora Fashion is winstafdracht en wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum dat de eerste inbreuk werd geconstateerd, te weten 24 februari 2012.

3.3.

[C] heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van A&F c.s. en [C] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[C] vordert – samengevat – opheffing van het conservatoir beslag op zijn bankrekening met hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de door [C] als gevolg van het gelegde beslag geleden schade, een en ander met veroordeling van A&F c.s. in de werkelijke proceskosten conform artikel 1019h Rv.

3.5.

Aan deze vordering legt [C] ten grondslag dat enige betrokkenheid van [C] bij de gestelde merkinbreuk ontbreekt, zodat een rechtsgrond ontbreekt voor een vordering van A&F c.s. jegens hem en het beslag derhalve onrechtmatig is gelegd. [C] stelt door het beslag materiële schade te hebben geleden die bestaat uit de kosten die de bank bij [C] in rekening heeft gebracht voor het conservatoir beslag. Ook stelt [C] dat hij immateriële schade heeft geleden doordat hij ongemakken heeft ervaren als gevolg van het beslag, zoals het feit dat hij zijn rekeningen niet kon voldoen en derhalve geld heeft moeten lenen van derden, waardoor hij gezichtsverlies heeft geleden ten opzichte van kennissen en crediteuren. Zijn immateriële schade begroot [C] naar billijkheid op € 200,-.

3.6.

A&F c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

Bevoegdheid

4.1.

De rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in conventie, nu deze zijn gebaseerd op de door A&F c.s. ingeroepen gemeenschapsmerkrechten, dan wel op de rechten die zij ontleent aan de internationale merkregistraties met gelding in de Europese Unie op grond van artikel 95 lid 1, 96 aanhef sub a, 97 lid 1 en 103 GMVo juncto artikel 3 Uitvoeringswet EG verordening inzake het Gemeenschapsmerk, omdat gedaagden op het moment van dagvaarden in Nederland woonachtig waren. De rechtbank is op grond van artikel 94 GMVo jo. artikel 6 lid 3 Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo) eveneens bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in reconventie, nu deze voortspruiten uit hetzelfde rechtsfeit als waar de vorderingen in conventie op zien.

in conventie voorts

[C]

4.2.

A&F c.s. stelt dat [C] degene is die onder de naam “[D]” per e-mail namens Pandora Fashion een aanbod heeft gedaan ter verkoop van kleding voorzien van de A&F merken en een telefoongesprek heeft gevoerd over een testaankoop, zodat hij inbreuk heeft gemaakt op de merkrechten van A&F c.s. Ter onderbouwing van deze stelling voert A&F c.s. onder meer aan dat [C] op dat moment woonachtig was op het kantooradres van Pandora Fashion aan de [adres] te [woonplaats]. Ook wijst zij op het hiervoor onder 2.6 en 2.7 vermelde onderzoeksrapport van BSC en de e-mailcorrespondentie.

4.3.

[C] betwist dat hij merkinbreuk heeft gepleegd en voert daartoe aan dat zijn naam “[C] is en dat hij zich niet voordoet of voor heeft gedaan als “[D]”, noch heeft gehandeld onder de naam “Pandora Fashion”. Daarbij voert [C] aan dat de naam [''zelfde achternaam als C''] een zeer veelvoorkomende Chinese achternaam is en dat [A] de naam “[D]” gebruikt als samenvoeging van zijn voornaam “[D]” en de meisjesnaam van zijn vrouw, [''zelfde achternaam als C'']. Als productie 1 heeft [C] een verklaring van [A] overgelegd, waarin [A] overeenkomstig verklaart.

4.4.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door [C] heeft A&F c.s. onvoldoende nader onderbouwd dat [C] degene is die onder de naam “[D]” kleding voorzien van de A&F merken heeft aangeboden en verhandeld. De betrokkenheid van [C] bij het aanbieden en verhandelen van genoemde kleding heeft A&F c.s. niet anders onderbouwd dan met de stelling dat gecorrespondeerd is door iemand die [D] heet, zonder argumenten aan te dragen waaruit volgt dat [C] – ondanks zijn betwisting – deze persoon is. Aan het bewijsaanbod zoals gedaan door A&F c.s. komt de rechtbank om die reden niet toe. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het bewijsaanbod onvoldoende strekt ter onderbouwing van haar stelling, aangezien het aanbod slechts ziet op hetgeen onderzoeksbureau BSC kan verklaren. Die verklaring zou nog steeds niet bewijzen dat [C] degene is die het telefoongesprek heeft gevoerd en/of degene is die de e-mail heeft verzonden. Zodoende is niet vast komen te staan dat [C] kleding voorzien van de A&F merken heeft aangeboden en/of verhandeld, zodat hem geen merkinbreuk kan worden verweten. De vorderingen jegens [C] in conventie zullen dientengevolge worden afgewezen.

4.5.

In de procedure tussen A&F c.s. en [C] in conventie, zal A&F c.s. als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder de kosten in het incident. [C] heeft zijn proceskosten conform artikel 1019h Rv begroot op € 5.538,88. [C] heeft niet aangegeven hoe de gemaakte kosten zijn verdeeld over het verweer in conventie en de eis in reconventie, noch is dit uit de kostenspecificatie op te maken. De rechtbank zal deze verdeling derhalve ambtshalve vaststellen op 80% van de kosten voor de conventie (inclusief incident) en 20% voor de reconventie. A&F c.s. heeft verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van deze kosten en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [C] op toevoeging procedeert en derhalve deze proceskosten niet werkelijk heeft gemaakt. Dit verweer faalt. Op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 wordt een proceskostenveroordeling in mindering gebracht op de vergoeding op basis van de toegekende toevoeging. A&F c.s. heeft de hoogte van de door [C] opgevoerde proceskosten niet betwist, zodat een en ander leidt tot de conclusie dat A&F c.s. zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.431,10 (80% van € 5.538,88).

[A] en [B]

4.6.

[A] is weliswaar verschenen maar heeft op de vorderingen niet geantwoord. De vorderingen jegens [A] zijn op de wet gegrond en niet weersproken.

4.7.

[B] is niet verschenen. De vorderingen jegens hem komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor.

4.8.

Derhalve zullen de vorderingen jegens [A] en [B], behoudens hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van de beperking daarvan, worden toegewezen.

4.9.

A&F c.s. heeft haar schade begroot op € 80,- per inbreukmakend A&F kledingstuk. De hoogte van de gestelde schade is niet bestreden, zodat vergoeding van deze schade zal worden toegewezen.

4.10.

Naast schadevergoeding vordert A&F c.s. winstafdracht. Cumulatie van winstafdracht en schadevergoeding is naar de stand van de rechtspraak slechts in beperkte zin mogelijk in die zin dat niet cumulatief zowel een vergoeding van schade voor winstderving als winstafdracht gevorderd kan worden. Andere vormen van schade kunnen derhalve wel samengaan met een vordering tot winstafdracht. Dit betekent dat A&F c.s. slechts een gerechtvaardigd belang bij winstafdracht heeft, voor zover er geen sprake is van cumulatie daarvan met een schadevergoeding voor winstderving van A&F c.s. zelf. De winstafdracht- en schadevergoedingsvordering zijn om die reden slechts toewijsbaar in ‘en/of’ vorm onder de voorwaarde dat ze niet cumulatief als hiervoor bedoeld ten uitvoer worden gelegd.

4.11.

Gelet op de vastgestelde inbreuk en de toewijsbaarheid van de vordering tot schadevergoeding en/of winstafdracht is de door A&F c.s. gevorderde opgave van namen van leveranciers, het aantal ingekochte, verkochte en voorradige inbreukmakende kleding, de in- en verkoopprijzen en de nettowinst eveneens toewijsbaar op de wijze als in het dictum vermeld. De opgave dient te worden voorzien van een door [A] en [B] ieder te bekostigen verklaring van een accountant (RA of AA) waaruit blijkt dat hij de opgave heeft geverifieerd aan de hand van de administratie van [A] respectievelijk [B] en dat, voorzover verifieerbaar, de opgave strookt met de gegevens uit die administratie en dat, voorzover verificatie niet volledig mogelijk is, hij geen aanwijzingen heeft dat de opgave geen getrouwe weergave van de werkelijkheid omtrent de te verstrekken gegevens zou inhouden. De termijn voor de opgave zal worden bepaald op drie maanden omdat de gevorderde termijn van één maand gelet op de verificatie door een accountant te kort wordt geacht voor een juiste uitvoering.

4.12.

Voorts zal geen dwangsom aan [A] en/of [B] worden opgelegd in het geval dat derden geen gevolg geven aan het gebod tot het afgeven aan A&F c.s. van A&F kleding die zij onder zich (mochten) hebben, nu het nakomen van dit gebod niet binnen het bereik van [A] en/of [B] ligt.

4.13.

A&F c.s. vordert een volledige proceskostenveroordeling overeenkomstig artikel 1019h Rv en heeft haar kosten in een kostenoverzicht (productie 10) begroot op € 10.670,46 en aangevuld met een bedrag van € 4.316,83 (productie 13). De aanvullende kosten zijn naar A&F c.s. stelt enkel gemaakt naar aanleiding van het verweer van [C] en dienen derhalve buiten beschouwing te blijven. In het kostenoverzicht overgelegd als productie 10 zijn evenwel ook de kosten meegenomen die A&F c.s. omwille van haar procedure jegens [C] heeft gemaakt, zodat [A] en [B] zullen hoofdelijk worden veroordeeld in 2/3 van deze kosten, zijnde een bedrag van € 7.113,64.

in reconventie voorts

Opheffing beslag

4.14.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Ingevolge art. 705 lid 1 Rv is de bodemrechter onverminderd de bevoegdheid van de voorzieningenrechter die het verlof tot beslag heeft gegeven, bevoegd het beslag op te heffen.

4.15.

Gelet op hetgeen in conventie is overwogen ten aanzien van [C], blijkt het vorderingsrecht, tot bewaring waarvan beslag is gelegd onder [C], achteraf niet te bestaan. Daarmee is ook de op voorhand veronderstelde rechtmatigheid aan het beslag komen te ontvallen. Het door [C] gestelde belang bij opheffing van het beslag is door A&F c.s. niet betwist. Het beslag zal derhalve worden opgeheven zoals in het dictum verwoord.

Materiële schade

4.16.

[C] heeft met een bankafschrift onderbouwd dat de bank automatisch een bedrag van € 60,50 heeft afgeschreven van zijn rekening vanwege het beslag. Hieruit volgt dat [C], zoals hij heeft aangevoerd, een bedrag van € 60,50 aan schade heeft geleden ten gevolge van het naar thans is gebleken onterecht gelegde beslag. De vordering tot schadevergoeding ter hoogte van dit bedrag zal derhalve worden toegewezen zoals in het dictum verwoord.

Immateriële schade

4.17.

A&F c.s. heeft de stelling van [C] dat hij door het beslag op zijn bankrekening geld heeft moeten lenen en zodoende gezichtsverlies heeft geleden, onvoldoende gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat [C] in zijn eer en goede naam is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 BW. Het door [C] begrote bedrag aan immateriële schade van € 200,- is niet gemotiveerd betwist en mitsdien toewijsbaar.

Kosten in reconventie

4.18.

A&F c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. [C] vordert proceskosten ex artikel 1019h Rv. De rechtbank begroot de proceskosten in reconventie aan de zijde van [C] op € 1.107,78 (20% van € 5.538,88) volgens de in 4.5 genoemde verdeelsleutel.

5 De beslissing

De rechtbank:

in de procedure tussen A&F c.s. enerzijds en [A] en [B] anderzijds

5.1.

gebiedt [A] en [B] ieder binnen twee dagen na betekening van dit vonnis binnen de Lidstaten van de Europese Unie inbreuk op de A&F merken te staken en gestaakt te houden, waaronder begrepen het importeren, te koop aanbieden, in de handel brengen en daartoe in voorraad houden van kleding voorzien van een of meer van de A&F merken (hierna: inbreukmakende A&F kleding);

5.2.

gebiedt [A] en [B] ieder om op eigen kosten binnen 3 (drie) maanden na betekening van dit vonnis aan de advocaat van A&F c.s., schriftelijk en voorzien van een verklaring door een accountant als nader omschreven in overweging 4.11, een met administratieve bescheiden gestaafde opgave te doen over de periode vanaf 24 februari 2012 tot aan de betekening van dit vonnis van:

a. de namen en adressen van alle bij de verhandeling en vervaardiging van de inbreukmakende A&F kleding betrokken personen, niet zijnde consumenten, waaronder de namen en adressen van alle leveranciers;

b) de totale hoeveelheid inbreukmakende A&F kleding gerangschikt per type die bij [A] respectievelijk [B] op de datum van dit vonnis aanwezig waren of in voorraad werden gehouden;

c) de totale hoeveelheid inbreukmakende A&F kleding gerangschikt per type, die door [A] respectievelijk [B] is ingekocht dan wel vervaardigd;

d) de door [A] respectievelijk [B] intern gerekende kostprijs dan wel betaalde inkoopprijzen alsmede de door [A] respectievelijk [B] gehanteerde verkoopprijzen voor de inbreukmakende A&F kleding gerangschikt per type;

het totale bedrag van de door [A] respectievelijk [B] als gevolg van de verhandeling van de inbreukmakende A&F kleding genoten nettowinst, alsmede de berekeningswijze daarvan.

5.3.

gebiedt [A] en [B] ieder om binnen 14 (veertien) dagen na betekening van dit vonnis alle inbreukmakende A&F kleding die zij of derden namens hen onder zich hebben of onder zich zullen krijgen als bedoeld in 5.2 onder c en alle inbreukmakende A&F kleding die in conservatoir beslag is genomen, waaronder mede begrepen de verpakkingen voorzover die zijn voorzien van A&F merken, op verzoek van A&F c.s. aan A&F c.s. op een door A&F c.s. te bepalen plaats af te geven ter vernietiging op kosten van [A] en [B];

5.4.

veroordeelt [A] en [B] ieder tot betaling aan A&F c.s. van een dwangsom ter hoogte van € 2.500,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag als gehele gerekend, dat de betrokken gedaagde geheel of gedeeltelijk in strijd heeft gehandeld met een van de onder 5.1 tot en met 5.3 gegeven verboden en bevelen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 100.000,- per gedaagde;

5.5.

veroordeelt [A] en [B] hoofdelijk (i) tot betaling aan A&F c.s. van een schadevergoeding van € 80,- per inbreukmakend A&F kledingstuk dat [A] en/of [B] hebben verhandeld en/of daartoe in voorraad hebben gehouden vanaf 24 februari 2012 tot aan de betekening van dit vonnis, of, ter keuze van A&F c.s., tot (ii) afdracht van de door [A] en [B] vanaf 24 februari 2012 tot aan de betekening van dit vonnis met de inbreuk genoten nettowinst en vergoeding van de door A&F c.s. als gevolg van de inbreuk geleden schade anders dan winstderving op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, in beide gevallen vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag vanaf de datum van het vonnis tot de dag van volledige voldoening;

5.6.

veroordeelt [A] en [B] hoofdelijk, aldus dat voor zover door één van hen is betaald de ander is gekweten, in de proceskosten tot op heden aan de zijde van A&F c.s. begroot op € 7.113,64;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de procedure in conventie tussen A&F c.s. enerzijds en [C] anderzijds

5.9.

wijst de vorderingen van A&F c.s. af;

5.10.

veroordeelt A&F c.s. in de kosten van deze procedure, tot dusverre aan de zijde van [C] begroot op € 4.431,10;

5.11.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de procedure in reconventie tussen [C] enerzijds en A&F c.s. anderzijds

5.12.

heft op het conservatoir beslag dat op 22 februari 2013 is gelegd onder de coöperatie Coöperatieve Rabobank Stad en Midden Groningen U.A., gevestigd te Groningen en kantoorhoudende te [woonplaats] aan het Museumplein 34, 9641 AD, op de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [C];

5.13.

veroordeelt A&F c.s. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [C] een bedrag van € 260,50 te betalen;

5.14.

veroordeelt A&F c.s. in de kosten van deze procedure, tot dusverre aan de zijde van [C] begroot op € 1.107,78;

5.15.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.16.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.M. Loos en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2014.